Grant Green 19 maart 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Grant Green werd op 6 juni 1931 in St. Louis geboren en leerde, nog toen hij op de lagere school zat, zijn instrument te bespelen, mede door zijn vader, die zelf gitarist was.

De jonge Grant Green werd al snel door de gitaar geobsedeerd en gebruikte een ukelele om stiekem in de 5e klas van de lagere school te ‘plinken en te planken’ tot groot ongenoegen van zijn lerares mevrouw Stokes.

 

Grant Green gaf al snel blijk dat hij over een groot muzikaal talent beschikte en al op 13 jarige leeftijd begon Grant Green zijn carrière in een gospelgroep. In een artikel geschreven door Dan Morgenstern in Down Beat Magazine gaf Grant Green het volgende af over zijn eerste voorzichtige stappen met de gitaar: ‘Het eerste wat ik leerde om te spelen was de boogie woogie, waarna ik veel rock & roll moest doen, maar de voornaamste basis is de blues’. Diezelfde Dan

Morgenstern schreef de volgende regels in Down Beat Magazine, nadat hij Green had horen spelen: ‘Wat de luisteraar als eerste opvalt bij het spelen van Grant Green is zijn opmerkelijke ontspanning. Zittend op het podium, de ogen gesloten en de benen gekruist lijkt Grant Green volkomen op te gaan in zijn muziek, hierbij onaangedaan door de luide gesprekken en het harde gelach in de bar’.

 

Grant Green’s reputatie als gitarist groeide en het duurde niet lang voordat hij in zijn geboorteplaats en in East St. Louis begon te spelen in diverse rhythm & blues- en in jazzbands. Tijdens de jaren ’40 en ’50 was St. Louis dan ook een stad die haast volledig doordrongen was van jazz en blues. In 1957 maakte hij zijn eerste professionele optreden in het kwintet van saxofonist Jimmy Forrest, waarin ook pianist Harold Mabern en drummer Al Jones speelden. Aan het eind van de jaren ’50 bleef Grant Green in St. Louis spelen o.a. met tenorsaxofonist Harry Sweets Edison en organist Sam Lazar.

 

In 1960 werd Grant Green ontdekt door altsaxofonist Lou Donaldson die op tournee ook St. Louis aandeed en zodanig onder de indruk was van Grant Green’s spel, dat hij hem onmiddellijk aanraadde om naar New York te verhuizen. Na het afronden van een tournee samen met diezelfde Lou Donaldson was het in New York niet moeilijk om de oprichters van het Blue Note-label: Alfred Lion en Francis Wolf te overtuigen van Grant Green’s meesterschap, dat dan ook uitmondde in het ondertekenen van een contract bij dit platenlabel. Bij Blue Note kreeg Grant Green veel credits door zijn stijlvolle en elegante manier van spelen. Green werd ook vaak uitgenodigd om in triobezettingen te komen spelen, met Hammondorgel, gitaar en drums. Zo heeft hij samengespeeld met de organisten: Jack McDuff, Sam Lazar, Babby Face Willette, Big John Patton, Larry Young en Gloria Coleman.

 

Tijdens de jaren ’60 kwam Grant Green zodanig uit de anonimiteit, dat hij tussen 1961 en 1965 de meeste LP’s opnam en dit zowel als solomusicus als sideman, waarbij hij ook qua aantal iedereen voorbij streefde. Zijn eerste album had heel gewoon de titel: ‘First Stand Grant’s’, gevolgd door: ‘Green Street’ en ‘Grantstand’.

Deze opnamen bestaan uit een schitterende mix van persoonlijke en verfijnde interpretaties van ballads en in soulvolle en groovy uitgevoerde bebop en jazzversies.

In 1962 kreeg Grant Green ‘The Best New Star Award’ nominatie in de Down Beat Critics Poll. Niet verwonderlijk dat deze als een komeet zo snel stijgende ster ingehuurd werd door veel gerenommeerde collega’s als: Herbie Hancock, Lee Morgan, Elvin Jones, Lou Donaldson, Stanley Turrentine, Dave Bailey, Yusef Lateef, Hank Mobley, Joe Henderson en Ike Quebec.

 

Toenemend drugsgebruik en persoonlijke problemen, dwongen Grant Green helaas zijn carrière in 1967 gedurende 2 jaren te onderbreken. Ook bracht hij in deze moeilijke tijd, een aantal korte perioden in de gevangenis door, vanwege zijn heroïneverslaving.

In 1969 keerde hij in de schijnwerpers terug en maakte een succesvolle comeback.

Net als de muziek van veel andere jazzcollega’s aan het begin van de jaren ’70, ging het spel van Grant Green wat meer de commerciële richting op.

Grant Green scoorde met zijn aansprekende muziek enorme successen met nummers als: ‘Sookie, Sookie’, ‘Green Is Beautiful’ en met de soundtrack van de film ‘The Final Countdown’. Waarschijnlijk door afgunst, werd het succes van Grant Green, net als bij gitaarcollega Wes Montgomery, tijdens de jaren ’70 getypeerd als té commercieel.

 

In 1974 gingen Grant Green en het Blue Note-label uit elkaar en ging hij opnemen bij het Verve en Muse-label, overigens met wisselend succes, als gevolg van een sterk verslechterende gezondheidstoestand, voornamelijk veroorzaakt door verhoogd drugsgebruik.

In 1978 was Grant Green genoodzaakt om bijna het gehele jaar in een ziekenhuisbed door te brengen. Tegen het advies van zijn artsen in besloot Grant Green in het begin van 1979 het ziekenhuis te verlaten om terug te keren om zijn brood te verdienen.

 

Grant Green was een uitzonderlijk getalenteerde, veelzijdige en expressieve jazzgitarist met een enorme beheersing van alle jazzmuziekstijlen.

Tijdens zijn actieve carrière nam hij meer dan 90 albums op, dit zowel als leider en als sideman. Zijn gitaarspel kenmerkt zich door zijn zuivere unieke sound het gebruik van enkele noten in plaats van geavanceerde akkoordenschema’s, zoals gebruikelijk in de jazz. Zijn spel is dan ook direct herkenbaar, misschien meer dan welke andere gitarist.

Zelf noemt hij trompettist Miles Davis en saxofonist Charlie Parker als zijn grootste inspiratiebronnen.

 

Grant Green’s spel is nog steeds een onuitputtelijke bron van inspiratie voor talloze gitaristen als bijvoorbeeld George Benson.

Jammer genoeg kreeg Grant Green tijdens zijn leven niet echt alle aandacht, respect en erkenning, die hij eigenlijk volop zou verdienen.

In 1999 is een Amerikaanse biografie van Grant Green uitgekomen, geschreven door zijn dochter Sharony Andrews Green met als titel: ‘Grant Green: Herontdekking van het vergeten genie van de Jazzgitaar’.   

Op 31 januari 1979 overleed Grant Green in zijn auto ten gevolge van een fatale hartaanval. Zijn zes kinderen hebben hem begraven in zijn geboorteplaats St. Louis.

Lars Gullin 12 maart 2017 in ‘All That’s Jazz’.

De Zweedse baritonsaxofonist Lars Gullin, werd als Lars Gunnar Victor Gullin op 4 mei 1928 geboren in Sanda, Gotland en stierf op 17 mei 1976, op 48-jarige leeftijd in Vissefjarda in Zweden.

Deze Zweedse jazz-baritonsaxofonist was soms ook actief als pianist en componeerde zijn muziek in de stijl van de Amerikaanse cool-jazz met een volle muziektoon en een licht geluid, dat ongewoon is voor de baritonmuziek.

 

De muzikale belangstelling van de jonge Lars Gullin, begon met het bespelen van de accordeon. Hierna startte hij met het bespelen van de klarinet en later leerde hij de altsaxofoon te bespelen.

 

Toen Lars Gullin in 1947 naar Stockholm was verhuisd, startte hij zijn muzikale carrière als pianist. Oorspronkelijk had hij een klassieke carrière voor ogen en kreeg hij pianoles van Sven Brandel.

Toen Lars Gullin, in 1949 door een toeval de bariton-positie kon innemen in Seymour Osterwall’s band, was dit voor de jonge Lars voldoende aanleiding om te besluiten dit instrument, met zijn vele diverse uitingsmogelijkheden, definitief te gaan uitkiezen.

Dit besluit werd nog sterker bevestigd, nadat Lars Gullin baritonsaxofonist Gerry Mulligan voor de eerste keer hoorde excelleren in de ‘Birth of the Cool’ opnamen.

 

Lars Gullin ging vanaf 1951, voor twee jaar deel uitmaken van het septet, dat onder leiding stond van altsaxofonist Arne Domnérus en co-leider trompettist Rolf Ericson.

Voornamelijk werd er opgetreden in ‘Nalen’, een belangrijke dansgelegenheid in Stockholm.

Gelijktijdig begon Lars Gullin te werken met Amerikaanse musici die Zweden bezochten. Hij nam in deze periode platen op met James Moody, Zoot Sims en Clifford Brown. Ook werkte hij voor de eerste keer in 1951 samen met altist Lee Konitz, een samenwerking die verschillende keren herhaald werd in de jaren die zouden volgen.

 

In 1953 vormde Lars Gullin zijn eerste eigen groep. Waarschijnlijk is het ook de enige groep die hij leidde. Het korte bestaan van deze groep, werd veroorzaakt door Gullin’s betrokkenheid bij een auto-ongeluk, waarbij gelukkig niemand ernstig gewond raakte.

Het volgende jaar 1954, won Lars Gullin de prijs van de beste nieuwkomer in de Verenigde Staten, uitgesproken door het Down Beat Magazine, nadat er in maart 1953 10’’ LP’s uitgebracht werden van Zweedse sessions op Contemporary Records. Deze platen zijn in America uitgebracht door Atlantic Records.

 

Vanaf oktober 1955 toerde Lars Gullin met trompettist Chet Baker diverse malen naar verschillende Europese landen, maar het was diezelfde Lars Gullin die op 21 oktober van datzelfde jaar pianist Dick Twardzik dood aantrof in een hotelkamer in Parijs, ten gevolge van een overdosis heroïne.

Zijn eigen carrière werd overigens ook overschaduwd door drugsgebruik, zelfs zodanig dat hij aan het einde van 1958 uitgeschakeld werd door drugsziektes.

Maar in 1959 was Lars Gullin weer actief in Italië, waar hij opnieuw met Chet Baker optrad en o.a. met altist Flavio Ambrosetti, met wie Gullin ook radio-opnamen maakte in Lausanne Zwitserland.

 

In de jaren ’60 werkte Lars Gullin voornamelijk met vooraanstaande Amerikaanse musici, waaronder Archie Shepp, met wie hij in 1963 platen opnam. Een van Lars Gullin’s laatste opnamen was de ‘Aeros Aromatic Atomica Suite’ die in 1973 op de plaat werd uitgebracht.

 

Lars Gullin stierf aan een hartaanval, ten gevolge van zijn langdurige methadon-gebruik.

Tenorsaxofonist Gianni Basso nam in 2002 een album op, geheel gewijd aan composities van Lars Gullin, getiteld: ‘For Lars Gullin, A Swedish Genius’.

 

Lars Gullin’s zoon Peter (1959-2003) bespeelde ook de baritonsaxofoon, waarvoor Lars indertijd de compositie: ‘Peter of April’ schreef. De klassieke tune ‘Danny’s Dream’ werd opgedragen aan zijn zoon Danny en ‘Gabriella’ werd opgedragen aan zijn dochter Gabriella Gullin, die zelf componiste en dirigente is. Een muzikale familie dus!    

 

Booker Ervin 5 maart 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Tenorsaxofonist Booker Ervin werd op 31 oktober 1930 in Denison, en dat ligt in de staat Texas, geboren. Als jongetje leerde hij trombone spelen via lessen die Booker van zijn vader ontving, die dit instrument zelf ook bespeelde in het orkest van Buddy Tate. Na zijn schoolopleiding, trad Booker Erving in dienst bij de luchtmacht en werd hij gestationeerd in Okinawa. In deze periode leerde Booker Ervin zichzelf de tenorsaxofoon te bespelen. Direct na zijn diensttijd in 1953, startte Booker Ervin een muzikale studie aan het Berklee College Of Music in Boston. Na het voltooien van zijn muzikale studie, verhuisde Booker Ervin in 1954 naar Tulsa, waar hij zijn carrière startte in de band van Ernie Fields.

Booker Ervin vertrok hierna naar New York en trad toe tot het kwartet o.l.v. pianist Horace Parlan. Met dit kwartet nam hij de Blue Note albums ‘Up & Down’ en ‘Happy Frame Of Mind’ op. Van 1956 tot 1963 ging Booker Ervin werken bij contrabassist Charles Mingus en nam een hele serie albums met deze aansprekende bassist op, waaronder het bekende ‘Goodbye Pork Pie Hat’, ‘Mingus Ah Um’, ‘Wednesday Night Prayer Meeting’, ‘Blues And Roots’, ‘Mingus At Antibes’ en ‘Mingus Mingus Mingus Mingus Mingus’.Tijdens de jaren ’60, begon Booker Ervin eigen groepen te leiden o.a. voor opnamen voor Prestige Records, met pianist Jaki Byard, bassist Richard Davis en Alan Dawson op de drums.  Later begon Booker Ervin ook albums voor Blue Note te maken en speelde van 1963 tot 1966 met pianist Randy Weston.

Diezelfde Randy Westen verklaarde: ‘Booker Ervin, is voor mij van hetzelfde hoge niveau als John Coltrane. Erving was een volledig origineel spelende saxofonist…hij was een echte meester op dit instrument. Het album ‘African Cookbook’, dat ik eind jaren ’60 componeerde, is naar Booker vernoemd, omdat wij als muzikanten hem altijd afgekort ‘Book’ noemden, vandaar dat wij vaak zeiden ’Cook, Book’. En zelfs tijdens het spelen schreeuwden wij vaak: ‘Cook, Book, Cook’. De sound en de melodie van dit ‘African Cookbook’ is geheel gebouwd en dus gecreëerd rond de sound van Booker Ervin, een geluid uit het noorden van Afrika.

Booker Ervin stierf in 1970 in New York, ten gevolge van een nierziekte. Hij is slechts 39 jaar oud geworden. Dit keer dus een mooie gelegenheid om een JazzProfiel aan deze kleurrijke en buitengewoon origineel spelende Booker Ervin in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden

‘Jazz Behind The Dikes’ 26 februari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

In deze speciale JazzProfiel uitzending, ter gelegenheid van de 17e verjaardag van ‘All That’s Jazz’ wordt er door mij een uur lang aandacht besteed aan de legendarische albums van ‘Jazz Behind The Dikes’. In 1955 was het tien jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam. Een nieuwe Amerikaanse jazzvorn ‘de bebop’, was al enige jaren bezig de wereld te veroveren. En Nederlandse jazzmusici bleven niet achter, de platenmaatschappijen echter wel. Via radio-uitzendingen deden mijn radio-collega’s Pete Felleman (VARA) en Michiel de Ruyter (AVRO) het nodige zendingswerk, dat ikzelf al vele jaren (17) hierna voortzet. Beide presentatoren bewerkten ook de nalatige platenproducenten. Het resultaat was dat in januari 1955 Bovema als eerste door de bocht ging met de 78 toerenserie ‘Jazz From Holland’. Philips volgde dezelfde maand nog met opnamen voor ‘Jazz Behind The Dikes’, een 25 cm. langspeelplaat.

Enkele Nederlandse topmusici waren op beide series te horen: pianist Rob Madna, drummer Wessel Ilcken, trompettist Jerry van Rooyen en bassist Dick Bezemer. De oorspronkelijke ‘Jazz Behind The Dikes’ platen zijn echte collector’s items geworden. Een bloemlezing uit ‘Jazz Behind The Dikes’ werd in 1969 uitgebracht als dubbel-lp, die tegenwoordig ook al moeilijk te vinden is. Twee cd’s met alle 40 stukken vullen nu deze lacune. Net als de oorspronkelijke platen, werden ze geproduceerd door Michiel de Ruyter. Hij schreef ook de hoesteksten en controleerde de opnamegegevens. Nu, na ruim 60 jaar, blijkt de muziek vrijwel niet door ‘de tand des tijds’ te zijn aangetast. Een buitengewoon mooie gelegenheid om aan deze opnamen een uur lang durende special te wijden! Nog wat namen die u kunt gaan beluisteren?

Saxen: Toon van Vliet, Ruud Brink, Tony Vos, Herman Schoonderwalt en Carel Reys. Pianisten: Pim Jacobs, Rob Madna, Frans Elsen en Rob Pronk. Zangeres: Rita Reys. Bassist: Børge Ring. Allemaal toenmalige jonge jazzmusici die wel eens wat wilden betekenen op jazzgebied.

Hebt u nog meer aanbeveling nodig om naar deze bijzondere uitzending te gaan luisteren?  Nee toch!      

Herbie Nichols 19 februari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 3 januari 1919 in Manhattan New York als Herbert Horatio geboren Amerikaanse jazzpianist én componist Herbie Nichols.

Hij is de zoon van immigranten uit Trinidad en St. Kitts. Hij groeide op in de wijk Manhattan San Juan Hill, een Afro-Amerikaanse wijk waar ook het Lincoln Center Kunstcomplex staat. De wijk is de thuisbasis van vele muzikale grootheden, met inbegrip van de stride-pianist James P. Johnson en later Thelonious Monk. Herbie Nichols begon zijn pianostudie op 9-jarige leeftijd.

 

Tijdens zijn leven heeft Herbie Nichols nooit de echte erkenning gekregen die hij verdiende.

Zijn bekendst geworden compositie is: ‘Lady Sings The Blues’.

Zoals het zo vaak gaat, kreeg Nichols pas na zijn dood in 1963, op 44-jarige leeftijd ten gevolge van leukemie, pas zijn muzikale erkenning en is hij tijdens zijn carrière altijd onderschat gebleven.

 

Sindsdien vormt hij voor vele generaties van musici en jazzliefhebbers over de gehele wereld een inspiratiebron door zijn hoekige manier van spelen en haast ritmisch-gebeeldhouwde harmonieën.

Bij het beluisteren van zijn haast elektrisch geladen spel, wordt het snel duidelijk dat Herbie Nichols als bijzondere originele pianostylist en componist beïnvloed is door piano-innovators als Bud Powell en Thelonious Monk.

 

Na zijn dienstperiode tijdens de Tweede Wereldoorlog, ging Herbie Nichols in een groot aantal verschillende groepen spelen, die zich allemaal met de toen opkomende bebopjazz bezig hielden.

Hoewel, om zijn rekeningen te kunnen blijven betalen, speelde hij ook in diverse Dixieland-bands.

 

De stijl van spelen van Herbie Nichols is een mix van swing, West Indische folkmuziek, Thelonious Monk, Bud Powell, Europeesche klassieke harmonieën van Satie en Bartók en onorthodoxe structuren, die voor het toenmalige jazzpubliek te complex en dus moeilijk plaatsbaar waren.

 

Pianiste Mary Lou Williams was de eerste die een compositie van Herbie Nichols op de plaat liet vastleggen, het was het nummer: ‘Stennell’, later in 1951 omgedoopt tot: ‘Opus Z’.

Voor zangeres Billie Holiday schreef Herbie Nichols het eerder genoemde: ‘Lady Sings The Blues’, maar eigenlijk kreeg geen van Nichol’s werk de aandacht die het verdiende.

 

Bij het Blue Note-platenlabel kreeg Herbie Nichols de mogelijkheid om een contract te tekenen, dat drie briljante pianoplaten in trioverband opleverde. In totaal 30 steengoede nummers en 18 zogeheten alternate takes die zoveel mogelijk in dit JazzProfiel aan bod zullen komen. Op deze 3 albums speelt Herbie Nichols met de bassisten Al McKibbon en Teddy Kotick en met de drummers Art Blakey en Max Roach. Ook bijzonder is, dat van de 30 nummers er 29 van Nichols zijn en 1 van George Gershwin.

 

Alle nummers zijn niet echt te classificeren qua stijl, dus uniek en straight-ahead. Voor de echte liefhebber van moderne jazzmuziek, durf ik dit dus essentiële muziek te noemen. Datzelfde jaar verschijnt ook nog bij Blue Note het album: ‘Herbie Nichols Trio’ met dezelfde bezetting.

In 1957 volgt dan nog voor het Bethlehem-label het album: ‘Love, Gloom, Cash, Love’ met contrabassist George Duvivier en drummer Danny Richmond.

 

Zelfs in 1982 waren er weinigen die de naam van Herbie Nichols kenden, laat staan zijn muziek speelden. De Nederlandse avant-gardepianist Misha Mengelberg bracht dat jaar een groep bijeen rondom trombonist Roswell Rudd geformeerd, om op het album ‘Regeneration’ o.a. 3 nummers van Nichols te laten vastleggen. Deze nummers werden gespeeld door musici als trombonist Roswell Rudd, sopraansaxofonist Steve Lacy, bassist Kent Carter, pianist Misha Mengelberg en drummer Han Bennink.

 

Na zijn platensessies, trok Herbie Nichols zich terug, en juist op het moment dat hij opnieuw verschillende avontuurlijke nieuwe dingen met opkomende musici begon uit te proberen, werd hij getroffen door leukemie en stierf hij hieraan op 12 april 1963 op 44-jarige leeftijd.

Ella Fitzgerald 12 februari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

De in 1918 in Newport (Virginia) geboren Ella Fitzgerald is één van de belangrijkste zangeressen in de klassieke jazztraditie met een repertoire dat ruim een have eeuw: standards, popsongs en jazz-originals omvat. Na het winnen in 1934 van een amateur-concours in het Apollo Theater in Harlem verwierf Ella haar eerste baan als vocaliste bij het orkest van Chick Webb. Na diens dood nam Ella de leiding over gedurende de periode van 1939 tot 1942.

Als soliste trad Ella Fitzgerald op en maakte platen met populaire zwarte zanggroepen als The Delta Rhythm Boys, The Ink Spots en ook met The Mills Brothers. Vanaf 1946 stond Ella Fitzgerald, met een uitzonderlijk stembereik, een vitale uitstraling en een groot improvisatietalent dat moeiteloos in dienst werd gesteld van de ritmische- en harmonische opvattingen van de bebop, op het jaarlijkse programma van het Jazz At The Philharmonic. In dit rondreizende kader is zij jarenlang begeleid door het trio van Oscar Peterson. Het rijtje begeleidende opvolgers van Oscar Peterson bestaat onder andere uit Ellis Larkins, Don Abney, Hank Jones, Paul Smith, Tee Carson en Jimmy Rowles.

Tijdens concerten, soms op de rand van routinematigheid, maar ook gekenmerkt door grote professionele discipline, werden adembenemende staaltjes van snelle scat-zong afgewisseld door met overgave voorgedragen ballads uit de Amerikaanse musical- en filmtraditie. Van blijvende artistieke waarde zijn de Songbooks, albums waarop Ella Fitzgerald eer bewijst aan componisten als Irving Berlin, George Gershwin, Jerome Kern, Cole Porter en Richard Rodgers.

Onvergetelijk zijn ook de vele albums die Ella Fitzgerald liet registreren, samen met trompettist en zanger Louis Armstrong. Op een gegeven moment was hun samenwerking zo intensief dat vele jazzliefhebbers dachten dat het hier om een getrouwd stel ging. Van deze samenwerking laat ik u uiteraard ook een aantal mooie sets horen in dit JazzProfiel.

Met eigen groepen is Ella Fitzgerald, ondanks haar minimale gezichtsvermogen, ook in de jaren zeventig en tachtig regelmatig in Nederland te beluisteren geweest. Onder de big bands die haar tijdens tournees en op platen hebben begeleid zijn die van Count Basie en Duke Ellington. Ik zal van beide orkesten de nodige muziek gaan kiezen. Op de voorpagina van Het Algemeen Dagblad van 17 juni 1996, schreef jazzkenner Ruud Kuyper boven het artikel ter gelegenheid van het overlijden van Ella: ‘Ella Fitzgerald kwam, zong en overwon, de swing was haar geheim’. Ella is op 78 jarige leeftijd in haar huis in Beverly Hills overleden. Zij leed al gedurende vele jaren aan suikerziekte, waardoor in 1993 helaas haar beide onderbenen moesten worden geamputeerd en zeven jaar eerder onderging ze een bypass-operatie.

Ella Fitzgerald is er helaas niet meer, maar gelukkig heeft zij ons een uitgebreid scala aan platen met schitterende muziek als erfenis achtergelaten, waardoor het mogelijk is om eventueel elke dag van haar mooie muziek te kunnen blijven genieten.

Willem Hellbreker 5 februari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Tenorsaxofonist Willem Hellbreker (50) heeft gestudeerd aan het Conservatorium van Rotterdam en heeft al meerdere cd's onder eigen naam uitgebracht. Ook speelde hij met zijn kwartet op het North Sea Jazzfestival. Geïnspireerd door saxofonisten als Stan Getz, Hank Mobley en Dexter Gordon, tovert hij met een warm en expressief geluid lyrische lijnen uit zijn tenorsaxofoon. Van sterk swingend tot verstilt melancholiek. Elke standard krijgt een glansvolle interpretatie en zijn eigen stukken worden geroemd om hun karakteristieke sfeer en zeggingskracht. Jazz-journalist Jeroen de Valk beweerd dat zijn sound ligt tussen de spirituele John Coltrane en de lyrische Stan Getz, die Willem beiden enorm bewonderd.  

Op het Rotterdamse Conservatorium schijnt Hellbreker in eerste instantie, door een verwarrende ‘identiteitscrisis’, zijn draai niet heeft kunnen vinden, waarna hij dit opleidingsinstituut verliet. Twee jaar lang ging hij hierna op zoek naar zijn eigen invulling van de muziek die hij graag wilde spelen. Het boek ‘Effortless Masery’ van Kenny Werner, werd Hellbreker’s nieuwe ‘bijbel’. In dit boek legt deze beroemde pianist en jazzpedagoog Kenny Werner o.a. uit hoe professionele musici de lust tot musiceren kunnen verliezen én hervinden. Gelukkig voor Willem Hellbreker, keerde hij terug naar het Conservatorium en maakte met succes zijn opleiding af. Willem Hellbreker speelt en heeft gespeeld met vele grote namen uit de Nederlandse jazz: o.a. pianist Bert van den Brink, trompettist Erik Vloeimans, pianist Rob van Kreeveld, in het Boptale Trio en Holland Bigband. Maar ook trad hij op in de bekende New Yorkse jazzclub Village Vanguard, won al enkele jazzprijzen en ontving lovende recensies op zijn opgenomen albums. Hellbreker heeft door Rusland getourd met het Glenn Miller orkest, met The Limehouse Jazzband door Duitsland, Scandinavië, Engeland en Frankrijk. Ook speelde hij met de Holland Bigband in de Philharmonie in Berlijn.

Een recensent schreef, dat Willem Hellbreker ‘erg intens, maar zonder een spoor van agressie speelt’ en anderen vinden ‘zijn muziek zachtmoedig, prachtig van toon en melodie, als vanuit een verstild middelpunt ontstaan’. Daarbij speelt hij vele stijlen jazzmuziek, speelde mee op een album van, de van oorsprong Molukse, gitarist Maurice Rugebregt en gaat geregeld op tournee met de band van de Afrikaanse zangeres Suthukazi Arosi. In het Amsterdamse café De Engelbewaarder speelt Hellbreker regelmatig op zondag. Hier wordt gespeeld onder leiding van de inspirerende saxofonist Sean Bergin, samen met conservatoriumstudenten en een hele stoet aan overige musici, die aan komen schuiven. Zelf heb ik Hellbreker meerdere malen ontmoet op andere locaties. Hij is dan ook een veel gevraagde, rustige en sympathieke musicus.

Dankzij zijn melodieuze, gloedvolle tenorsaxofoontoon roept Hellbreker sferen op van nachtelijke jazzclubs ‘waar mannen aan de bar hangen’. Met een nieuw kwartet nam hij recent het album ‘Balanced Action’ op met, op een stuk van Burton Lane na, volledig eigen werk. Het album omvat naar de hedendaagse tijd getransformeerde bebop-stukken en sfeervolle ballads waarin Hellbrekers warme spel, melodie en verstilling samenbrengt. Zijn toon is intens en emotievol en de begeleiding van pianist Johan Clement, contrabassist Jasper Somsen en drummer Haye Jellema is open en speels. De ontspannen sfeer op het album leidt tot fraaie lyrische stukken waarin Hellbreker weloverwogen de vele klankkleuren van de tenorsaxofoon etaleert.   

Pepper Adams 29 januari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

De Amerikaanse jazz-baritonsaxofonist en componist Pepper Adams werd als Park Frederick Adams III op 8 oktober 1930 in Highland Park, Michigan geboren. Hij componeerde 43 stukken, was leider op 18 albums die opgenomen werden in 28 jaar en nam als sideman deel aan 600 sessies. In het gezin waar Pepper Adams opgroeide, waren beide ouders afgestudeerd aan de universiteit en tijdens de Grote Depressie gingen zijn ouders scheiden, waarna samen met zijn moeder in de herfst van 1931 werd verhuisd naar een boerderij in de buurt van Columbia City, waar meer voedsel en ondersteuning beschikbaar was.

In 1933 begon Pepper Adams, dus al op 3-jarige leeftijd met een pianostudie. In 1935 werd opnieuw verhuisd naar Rochester, New York. In die stad begon hij met het volgen van muzieklessen op tenorsaxofoon en klarinet. Door de dagelijkse radioshow van Fats Waller raakte hij geïnteresseerd in jazzmuziek en ook door te luisteren naar Fletcher Henderson, Jimmie Lunceford, Duke Ellington en Cab Calloway. Om bij te dragen in de levensbehoeften van de familie, ging de jonge Pepper Adams van deur tot deur om sigaretten te verkopen. Op zesjarige leeftijd kreeg Adams de mogelijkheid om op school om een muziekinstru- ment te lenen waarop hij les kon nemen voor in de schoolband. In eerste instantie koos hij voor de trompet, daarna de trombone en uiteindelijk voor de klarinet. Op zijn zevende ontving hij zijn levenslange bijnaam ‘Pepper’, aangezien zijn klasgenoten een gelijkenis zagen tussen hem en Pepper Martin een sterspeler van de St. Louis Cardinals. Later zou hij in zijn carrière ook nog de bijnaam ‘The Knife’ krijgen ten gevolge van zijn scherpe, snijdende speeltechniek.

Door een ontmoeting met Rex Stewart, die de jonge Pepper voorstelde aan Harry Carney en andere Ellington bandleden, kreeg Pepper Adams de gelegenheid om lessen te nemen bij tenorsaxofonist Skippy Williams uit deze band. Door zijn verdiensten via baantjes als pakketjesopener in de postkamer van een jazzwinkel en werk in een bioscoop, kon Adams een tenorsaxofoon kopen. Ook kon hij in die jazzwinkel naar de nieuwste jazzplaten luisteren, vooral die van Don Byas en Coleman Hawkins, welke laatste hij ook in 1945 had zien optreden. Pepper Adams eerste betaalde optreden vond in 1946 plaats als lid van het door Ben Smith geleide sextet, wat ertoe leidde dat hij van school gestuurd werd als gevolg van het gedurende zes avonden per week werken. Op 16 jarige leeftijd verhuisde Pepper Adams met zijn moeder naar Detroit waar hij in verschillende groepen ging spelen. Door ook daar te gaan werken in een muziekwinkel, stelde dit Adams in de gelegenheid om zijn uiteindelijke hoofdinstrument de baritonsaxofoon te kopen, een gebruikte Bundy en in 1948 een nieuwe Selmer B-flat baritonsax, die hij 30 jaar lang heeft bespeeld.

Pepper Adams speelstijl was in veel opzichten de tegenpool van die van de baritonbespelers Gerry Mulligan en Serge Chaloff met hun melodische voorkeur van spelen van de jazz. Adams is erin geslaagd om door zijn speeltechniek, het toch tamelijk logge bariton instrument, met razende snelheden in de hardbop-stijl te bespelen. En dat zodanig, dat dit door geen andere bariton-bespeler eerder voor mogelijk was gehouden. Pepper Adams overleed op 10 september 1986 ten gevolge van pleuritus en longkanker. Zijn laatste optreden vond plaats op 2 juli 1986 in ‘The Spectrum’ in Montreal. Voor het aftellen van het eerste nummer tijdens het Montreal Jazz Festival, ontving de zieke Art Pepper een staande ovatie van het publiek.     

Erik van der Luit 22 januari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Erik van der Luijt (Den Haag, 22 augustus 1970) is een Nederlandse jazzpianist, arrangeur, componist, bandleider en producer. Hij begeleidt talloze Nederlandse artiesten en treedt ook met zijn eigen composities veelvuldig op in binnen- en buitenland.
Van der Luijt groeide op in het Westlandse Monster en Katwijk aan Zee. Erik begon op vierjarige leeftijd voor het eerst piano te spelen. Zijn passie voor jazz werd gewekt in de Leidse jazz-scene, waarin jazzcafé ‘The Duke’ een prominente rol speelde. Van der Luijt studeerde jazz piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij onder meer Rob van Kreeveld en Rob van Bavel. Ook nam hij deel aan workshops met musici als Michel Petrucciani en Barry Harris.

Erik van der Luijt trad op in Zweden, Frankrijk, België, Indonesië, Duitsland en Engeland. In augustus 2004 was hij één van de finalisten voor de Deloitte Jazz Award in het Bimhuis in Amsterdam. In datzelfde jaar 2004 produceerde hij onder eigen beheer het album ‘Express Yourself’, dat volledig uit eigen composities is samengesteld en waarop hij wordt begeleid door bassist Branko Teuwen en drummer Victor de Boo. Op uitnodiging van het Rotterdams Conservatorium, leidde Erik een aantal pianoworkshops in Indonesië.

In september 2005 verzorgde Erik van der Luijt met zijn trio een jamsessie tijdens het benefietconcert Dutch Jazz for New Orleans in het Amsterdams Concertgebouw. Aan dit concert werd ook deelgenomen door The Dutch Swing College Band, Hans Dulfer, Laura Fygi, Greetje Kauffeld, Trijntje Oosterhuis, Ramses Shaffy en Louis van Dijk.
Erik van der Luijt heeft als pianist bijgedragen aan zes albums van zijn echtgenote, de jazz-zangeres Ilse Huizinga. Het album ‘The Sweestest Sounds - Ilse Huizinga Sings the Songs of Richard Rodgers’ uit 2001, waaraan hij als arrangeur, producent en pianist een grote bijdrage gaf, leverde Ilse Huizinga haar eerste Edison-nominatie op.

Erik begeleidt en deelde veelvuldig het podium met vocalisten met een heel brede muzikale achtergrond, zoals Rita Reys, Madeline Bell, Joke Bruijs, Joke de Kruijf, Pia Beck, Denise Jannah, Greetje Kauffeld, Heddy Lester, Gerrie van der Klei, Marjol Flore en Edwin Rutten. Ook droeg Erik van der Luijt als pianist, arrangeur en producer bij aan diverse projecten, waaronder het Metropole Orkest, het jazzorkest van het Koninklijk Concertgebouw Orkest, The Ramblers, Ferdinand Povel, Piet Noordijk, Ruud Jacobs, Frits Landesbergen, Bernard Berkhouts Swingmates, de Koninklijke Militaire Kapel, de Dutch Swing College Band, musicals en cabaretproducties, cd-opnamen, radio en televisieoptredens. Een mooi moment dus, om dit keer een JazzProfiel te maken van deze buitengewoon sympathieke musicus.

 

Herbie Hancock 15 januari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

 Herbert Jeffrey Hancock werd in 1940 in Chicago geboren en beweegt zich sinds het begin van de jaren zeventig als een soort kameleon op veel terreinen: zoals de hard-bop, jazz-rock, disco, funk en allerlei combinaties daarvan. Op het pure jazzterrein is hij als improvisator, begeleider van andere solisten en als componist één van de origineelste en creatiefste geesten van de in de jaren zestig opgekomen generatie.

Als kind studeerde Herbie Hancock klassieke piano en als middelbaar scholier was hij een soort wonderkind dat ook een pianoconcert van Mozart heeft gespeeld met begeleiding van het Symfonie Orkest van Chicago.

De eerste zwarte muzieksoorten waarmee hij van huis uit in aanraking kwam, waren de Chicago-blues en de rhythm & blues. Via de radio maakte Herbie kennis met de jazzmuziek.

 

Zijn technische opleiding ging Hancock volgen aan het Iowa Grinell College en haast onvermijdelijk leidde hij daar ook een big band, waarvoor hij componeerde en arrangeerde.

In Chicago, waar hij als los-vast pianist werkte, nam trompettist Donald Byrd hem op in zijn groep. Ook zorgde diezelfde Donald Byrd ervoor dat Herbie Hancock in 1962 zijn eerste LP “Takin’ Off” op kon laten nemen bij Blue Note, met trompettist Freddie Hubbard en tenorsaxofonist Dexter Gordon.

 

Van 1963 tot en met 1968 maakte Herbie Hancock deel uit van het Miles Davis Kwintet, met tenorsaxofonist George Coleman, later opgevolgd door Wayne Shorter, bassist Ron Carter en drummer Tony Williams. Na de periode bij Davis, voor wie hij een aantal composities schreef en met wie hij in 1964 en 1967 in Nederland optrad, richtte Hancock een sextet op met Johnny Coles op bugel, trombonist Garnett Brown, tenorsaxofonist Joe Henderson, Ron Carter contrabas en drummer Albert Heath.

 

Met steeds wisselende bezettingen begaf Herbie Hancock zich in de jaren zeventig richting jazzrock. Een van de succesvolste LP’s uit deze periode is: “Headhunters”, waarop Hancock’s compositie “Chameleon” voorkomt. Deze plaat werd gevolgd door steeds gestroomlijndere producties als “Sextant”, “Thrust”, “Sunlight”, ”Feets Don’t Fall Me Now” en “Monster”, waarvan de laatsten duidelijk op dansbaarheid voor een jong, niet met jazz opgegroeid publiek waren afgestemd.

 

Op sommige van Hancock’s LP’s uit het begin van de jaren zeventig komen ook aan de free jazz verwante groepsimprovisaties voor, terwijl het instrumentarium en zijn medemusici steeds meer werd ‘geëlektrificeerd’. En in 1981 maakte hij een tournee met de beroemde voormalige ritmesectie van Miles Davis.

Solist was trompettist Wynton Marsalis. Met Marsalis, diens broer Branford op tenorsaxofoon, bassist Ron Carter en drummer Tony Williams vormde Herbie Hancock in 1983 het tweede V.S.O.P. Kwintet.

Jazzconcerten en opnamen met akoestische formaties, zoals een kwartet met saxofonist Michael Brecker en een groep musici rond tenorsaxofonist Dexter Gordon voor de film ‘Round Midnight’, werden in de jaren tachtig afgewisseld met commerciële platenproducties als ‘Perfect Machine’. Op beide terreinen toonde de zowel van elektronica als van jazz bezeten Herbie Hancock zich voortdurend een grootmeester.

 

 

Michel Petrucciani 8 januari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer presenteer ik met veel genoegen, naast veel muziek, het carriereverhaal van de Franse pianist Michel Petrucciani, die op 28 december 1962 in het Franse Orange werd geboren. Petrucciani kwam uit een Frans-Italiaanse familie met een muzikale achtergrond. Zijn vader Tony (Antoine Petrucciani) was jazzgitarist en zijn broer Louis speelde contrabas. Samen met moeder Anne en zijn oudere broer Philipe maakte hij als peuter al muziek met het hele gezin op een speelgoeddrumstel.

Een concert van Duke Ellington op televisie wekte als vierjarige zijn interesse en besloot hij om ook pianist te worden, net zoals Ellington. De speelgoedpiano die zijn vader daarop voor hem kocht vond hij maar nep en sloopte hij met een hamer. Een verwaarloosde, afgedankte piano van een militaire kazerne in de buurt, was het instrument waarop hij daarna serieus aan het oefenen ging. Toen hij zeven was en het pianospel echt in de vingers kreeg, kocht zijn vader alsnog een goede piano voor hem.

Michel werd geboren met osteogenesis imperfecta, wat een erfelijke aandoening is die broze botten veroorzaakt en in zijn geval een uiterst klein postuur. Michel was nog geen meter lang en woog slechts ruim dertig kilo. Ook gaat deze aandoening vaak gepaard met longaandoeningen.  Aan het begin van zijn carrière droegen zijn vader en zijn broer hem vaak, omdat hij niet uit zichzelf zover kon lopen. In zeker opzicht vond hij zijn handicap wel een voordeel omdat het hem niet afleidde door b.v. sportbeoefening, zoals andere jongens dat hadden.

Hoewel hij zich jarenlang heeft geoefend in de klassieke muziek, bleef jazzmuziek voor Petrucciani het belangrijkste. Hij gaf zijn eerste professionele concert op zijn dertiende op een jazzfestival in Cliousclat. In deze periode van zijn leven was hij vanwege zijn gezondheid nog heel kwetsbaar en moest worden vervoerd van en naar de piano. Zijn korte lengte bracht met zich mee dat hij hulpstukken nodig had (door zijn vader in elkaar geknutseld) om de pianopedalen te bereiken. Zijn handen waren wel van een gemiddelde lengte.

Op zijn zeventiende verhuisde Michel Petrucciani naar Parijs waar hij toen ook zijn eerste album ‘Flash’ opnam. Vanaf zijn achttiende maakte hij deel uit van een succesvol trio.  Hij verhuisde in 1982 naar de Verenigde Staten, waar hij met succes Charles Lloyd aanmoedigde om door te gaan met spelen. Met hem speelde hij op het Montreux International Jazz Festival en wonnen ze de Prix d'Excellence. In 1986 nam hij een live album op met Wayne Shorter en Jim Hall. Hij speelde met diverse personen uit de Amerikaanse jazz-scene waaronder ook Dizzy Gillespie.

Zijn eigen stijl werd oorspronkelijk beïnvloed door Bill Evans, hoewel sommigen hem vergelijken met Keith Jarrett. Hij wordt vaak, volgens mij terecht, geschaard onder de beste jazzpianisten uit Frankrijk. In 1994 werd hem een Légion D'Honneur toegekend in Parijs. Daarvoor was hij al onderscheiden met onder andere ‘Jazz Man of the Year’ en ‘Best European Jazz Musician’ (1983) en zijn album ‘100 Hearts’ won de Grand Prix du Disque (1984).

In zijn privéleven heeft hij een paar relaties gehad. Zijn eerste huwelijk met de Italiaanse pianiste Gilda Buttà eindigde in een scheiding. Hij was de vader van twee kinderen, van wie er één helaas ook zijn aandoening heeft geërfd. Hij had ook een stiefzoon, Rachid Roperch.

Michel Petrucciani overleed kort na zijn 36e verjaardag aan een longinfectie. Michel Petrucciani werd begraven op de bekende begraafplaats van Père-Lachaise in Parijs.

 

J.J Johnson 1 januari 2017 in ‘All That’s Jazz’.

Hij werd in 1924 in Indianapolis geboren als: James Louis Johnson en hij had al een lange praktische leerschool achter de rug voordat hij zijn solistische rol zou gaan spelen in het bebopmilieu in New York.
Want al op 17-jarige leeftijd werd J.J. Johnson beroepsmusicus en waren Dicky Wells en Trummy Young zijn absolute favorieten. J.J. Johnson zou een actieve rol binnen de third- stream, hard bop en de bebop gaan spelen gedurende de ‘40er tot in de de ‘90er jaren aan toe. Hij heeft onder eigen naam maar liefst 40 albums laten opnemen.

Van 1942 tot 1944 speelde J.J. Johnson in de band van Benny Carter. In 1945 stapte hij t/m 1946 over naar de band van Count Basie, en speelde hierin naast Dicky Wells, dus één van zijn grote voorbeelden uit zijn jeugd, en maakte in de 2e helft van de jaren '40 erg veel opnamen met o.a. baritonsaxofonist Cecil Payne, altsaxofonist Charlie Parker, de trompettisten Miles Davis en Kenny Dorham en tenorsaxofonist Sonny Rollins.
J.J. Johnson speelde ook in het Charlie Parker Sextet en in een aantal opnamen voor de LP: “Birth Of The Cool”, die een zekere invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van de moderne jazz.
Het spel van J.J. Johnson kenmerkt zich door een voorkeur voor het middenregister met een behoedzame, soms iets vlakke toon en een gelijkmatige vaak herhaalde frasering.

In 1948 en1949 maakte J.J. Johnson deel uit van de groep van tenorsaxofonist Illinois Jacquet, en speelde in de orkesten van Dizzy Gillespie en Woody Herman. Ook ging hij in 1951 met de groep van contrabassist Oscar Pettiford mee op tournee door Japan en Korea.

Vreemd genoeg trok J.J. Johnson na de, net door mij belichte, erg succesvolle periode, zich terug uit de actieve muziek en nam een baan op de administratieve afdeling van een fabriek in zijn geboortestad Indianapolis.
Wel deed hij in 1953 af en toe mee aan platensessies, zowel onder eigen naam als in de groepen van o.a. Miles Davis en Clifford Brown.
Producent Ozzie Cadena van het Savoy-label liet J.J. Johnson in 1954 opnamen maken met zijn collega Kai Winding, waarna gelukkig weer erg succesvolle tournees volgden van dit trombonistenduo Jay & Kai. Maar ook maakte Johnson opnamen met zijn collega trombonist Al Gray.

J.J. Johnson ging in het vervolg van zijn carrière zich steeds actiever manifesteren als componist van jazzoriginals zoals: ‘Turn Pike’, ‘Kelo’, ‘Mohawk’ en ‘Wee Dot’ en dat laatste nummer kennen we natuurlijk vooral in de uitvoering van The Jazz Messengers. Ook schreef J.J. grote werken op het terrein van de zogeheten third-stream, waaronder ‘Poem For Brass’, ‘Opus V’ en ‘El Camino Real’.

Met een kwintet, waarin de Belgische tenorsaxofonist en fluitist Bobby Jaspar, pianist Tommy Flanagan, bassist Wilbur Little en slagwerker Elvin Jones, gaf J.J. Johnson in 1957 ook concerten in Nederland.
Vanaf de jaren ’60 leidde J.J. Johnson in Los Angeles een winstgevend bestaan als componist en arrangeur voor films en tv-series.
Des te verrassender was zijn come back in 1984 op het North Sea Jazz Festival, waar hij zich naast trompettist Nat Adderley en tenorsaxofonist Harold Land manifesteerde als een dynamisch en uitbundig spelend trombonesolist.
J.J. Johnson stierf op 4 februari 2001 in zijn geboortestad Indianapolis op 77 jarige leeftijd
 

 25 december 2016 in ‘All That’s Jazz’.

ALL THAT’S JAZZ’

(17e jaargang, aflevering 875)

CHRISTMAS JAZZ SPECIAL

MET IN BEIDE UREN:

DE KLASSIEKE MUZIEKINVLOED

IN DE MODERNE JAZZ

Benny Goodman 17 december 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Mijn jazzvriend Hans Bebop, waarmee ik warme jazzcontacten onderhoud, stelde mij voor, om dit keer een JazzProfiel aan het terecht als het meest belangrijke concert in de jazzgeschiedenis te gaan wijden. Het werd door het Benny Goodman orkest op 16 januari 1938 in de Carnegie Hall gehouden. Dit concert was niet alleen een ongekende coup voor de jazz, maar ook een doorbraak voor de gangbare raciaal geïntegreerde openbare uitvoering, zoals dat zo vaak wordt beweerd.

Het totaal uit blanken bestaande publiek, kreeg tijdens dit concert in 1938, voor het eerst een uit zwarte en blanke musici samengesteld orkest van Benny Goodman te zien en vooral te horen. Dit concert opende ook de deuren van deze prestigieuze Carnegie Hall-locatie voor gebeurtenissen als de concerten van platenbaas, producer en mensenrechtenactivist John Hammond in 1938 en 1939, van spirituals tot All-Star concerten van Benny Goodman’s Swing, dat opnieuw in 1978 voor zijn 40e verjaardag hier in de Carnegie Hall werd gevierd.

Benny Goodman was er niet van op de hoogte dat het concert werd opgenomen. Het werd pas uitgegeven, nadat zijn dochter de oorspronkelijke tapes aan Columbia Records had overhandigd, die er in 1950 een dubbel-LP van uitgebracht. Zo werd dit concert, als een bijna vergeten document, dus toch uitgebracht. Er werden miljoenen exemplaren van verkocht, waardoor deze historische gebeurtenis, voor Columbia Records de best verkochte jazz-releases aller tijden werd en zo werd dit belangrijke concert gelukkig behouden voor komende decennia.
 

Hoewel er wel geruchten onder verzamelaars tientallen jaren de ronde deden, had het grote publiek er geen notie van, dat er twee big band nummers uit de commerciële uitgave en alle daaropvolgende heruitgaven verdwenen waren. De technici van Columbia Records hadden ze gewist samen met een spannende, ongeplande derde solo chorus van trompettist Buck Clayton, evenals de gehele solo's Harry Carney en Freddie Green, elke liefst twee chorussen lang, terwijl de 17-minuten durende all-star gast jamsessie van ‘Honeysuckle Rose' vreemd genoeg werd afgekapt.

Andere solisten op deze maar ‘eens in je leven plaatsvindende’ jam session zijn Lester Young, in een van zijn meest glorieuze solopartij die ooit is opgenomen, Johnny Hodges en Count Basie en zijn ritmesectie, Benny Goodman (die met zijn optreden als het ware meer dan een paar tips gaf hoe te spelen bij dit soort sessies) en Harry James, die hier toonde wat de jazzwereld heeft verloren, na zijn beslissing zich te gaan wijden aan het leiden van een commerciële band.

Met de huidige beschikbare heruitgave, met de hele uitvoering van ‘Honeysuckle Rose’ en de niet eerder uitgegeven big band nummers: ‘Sometimes I‘m Happy’ en de Edgar Sampson’s compositie ‘If Dreams Come True’ samen met alle door Benny Goodman gemaakte aankondigingen, is de vaak chaotische klinkende registratie hersteld, dus op dezelfde wijze waarop het samengestroomde blanke publiek het in Carnegie Hall gehoord heeft, nu exact 77 jaar geleden.Terwijl Freddy Green's ritme gitaarsolo alleen onthullend klinkt, voor zover hij liet zich overhalen, is dat totaal niet het geval bij baritonsaxofonist Harry Carney, die tot onverwachte hoogten stijgt in zijn uitgebreide solo-improvisaties. Zijn uitzonderlijke talent is helaas nooit echt later uitgebuit op zijn vele opnames met de Duke Ellington band en slechts sporadisch op onafhankelijk van Duke gemaakte opnamen.


Uitstekende nummers in het programma, zijn o.a. de bekende Fletcher Henderson, Jimmy Mundy en Edgar Sampson composities: ‘Do Not Be That Way’, ‘One O'Clock Jump ',' Life Goes To A Party’ en ‘Blue Skies’. Maar er komen ook verhit spelende trio- en kwartetnummers voor met klarinettist Benny Goodman, pianist Teddy Wilson, vibrafonist Lionel Hampton en drummer Gene Krupa, zoals in ‘Body And Soul’ en het verhitte ‘I Got Rhythm’ De swingbeleving is hier zo intens, dat een verbale of textuele beschrijving niet mogelijk is.

Vroeg in de eerste helft van het concert, werd een gedeelte opgenomen, dat ‘Twenty Years Of Jazz’ werd genoemd', waarin Benny Goodman een hulde bracht aan een paar andere musici en bands. Gestart werd met de Original Dixieland Jazz Band’s: ‘Sensation Rag’, gespeeld door een vijfkoppig dixie-combo ‘waarschijnlijk’ samengesteld uit kornettist Bobby Hackett, klarinettist Benny Goodman, bassist Ray Brown, trombonist Jess Stacy en drummer Gene Krupa.

In tegenstelling tot de verwachtingen, was hun spelbenadering van deze ‘old-time tunes’, adequaat, pittig en helemaal niet opgesmukt. Maar het hoogtepunt van deze mini-set vormde de Ellington compositie: ‘Blue Reverie’ met Johnny Hodges ' in een meesterlijke hoofdrol, in een op Sydney Bechet geïnspireerde sopraansaxsolo, de breedtonige bariton van Harry Carney en Cootie Williams’ gedempte trompet.
 

Hoewel dit concert eigenlijk thuis hoort in de collectie van elke historisch-georiënteerde jazz fan, moet m.i. de koper er wel op gewezen worden, dat zelfs met de meest geavanceerde remastering technieken die vandaag beschikbaar zijn, het volledige verwijderen van tikken, klikken, ploffen, rumoer en soms onverwacht wegvallend geluid van de originele opnamen weliswaar gecompromitteerd is, maar de weergaloze akoestiek van de Carnegie Hall zaal zelf, met zijn briljante geluid niet heeft weten te benaderen.

 

Ray Bryant 11 december 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Pianist Ray Bryant werd op 24 december 1931 als Raphael Homer Bryant in Philadelphia geboren. Ray is naast pianist én componist ook de broer van Tommy Bryant, de bekende bassist.Op zijn 14e begon Ray Bryant in zijn geboortestad piano te spelen en hij maakte naam in de roerige jazzperiode vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Samen met broer Tommy ging Ray Bryant spelen in het huisorkest van ‘The Blue Note Club’ in Philadelphia. In deze band kwamen veel musici spelen uit New York, zoals o.a. Charlie Parker, Miles Davis, Lester Young, Sonny Rollins en vele anderen. Het duurde niet lang dat Ray Bryant veel werk als prominent sideman kreeg, dit zowel samen met als zonder zijn muzikale broer.

Een belangrijk moment in Ray Bryant’s carrière was de opname in 1955 van zijn album ‘Meet Betty Carter And Ray Bryant’ voor het Columbia-label. Het was een spetterende start voor zowel Ray Bryant als voor deze begaafde zangeres Betty Carter. Dit album werd al snel gevolgd door de plaat ‘The Ray Bryant Trio’ voor Prestige, waarop zijn eigen nummer ‘Blues Changes’ ook werd vastgelegd. ‘Blues Changes’ werd een evergreen in de jazzwereld, maar ‘Cubano Chant’ had nog meer succes, met zijn lekkere Afro-Cubaanse setting. Ray Bryant nam dit nummer op onder eigen naam, maar ook als onderdeel van het repertoire van groepen geleid door drummers als Art Blakey, Jo Jones en Art Taylor. Eigenlijk heeft Ray Bryant tijdens zijn muzikale carrière verschillende jazzhits geschreven, zoals ‘Little Susie’, een origineel bluesnummer.

In 1960 bereikte Ray Bryant de 30e plaats op een hitlijst met een nieuwe song, die hij ‘The Madison Time’ noemde. Dit nummer is ook gebruikt in de film ‘Hairspray’ dat in 1988 verscheen en ook als Broadway productie. In 1967 bereikte Ray Bryant de Top 100 met een uitvoering van Bobbie Gentry’s nummer ‘Ode To Billie Joe’.  Maar Ray Bryant rustte niet uit door dit succes, want binnen zijn zeer omvangrijke discografie zit behoorlijk veel werk als begeleider van zangers als Carmen McRae en Jimmy Rushing en ook werkte Ray Bryant b.v. mee aan albums als ‘Sonny Side Up’ van Dizzy Gillespie.

In 1956 en 1957 ging Ray Bryant toeren met Carmen McRae en Jo Jones en maakte hij met Coleman Hawkins opnamen op het Newport Jazz Festival.

In 1959 verhuisde Ray Bryant naar New York en speelde daar o.a. met Sonny Rollins, Charlie Shavers en Curtis Fuller.In de jaren ’60 werkte hij met zijn eigen trio of als solopianist, maar ook maakte hij een enorm aantal platen samen met o.a. Ella Fitzgerald, Miles Davis en Dizzy Gillespie.

Regelmatig maakte Ray Bryant in de jaren ’70 tournees in Europa en bleef haast continue platen opnemen met blazers als Zoot Sims en Benny Carter. Ray Bryant’s zuster is Vera Eubanks en zij is de moeder van de vooraanstaande jazzmusici: trombonist Robin Eubanks, gitarist Kevin Eubanks en trompettist Duane Eubanks.

Op 2 juni 2011 maakte Claude Bryant, de echtgenote van Ray, bekend dat haar echtgenoot, na een lange ziekteperiode, was overleden in het ziekenhuis in Queens op 79-jarige leeftijd. Ray Bryant, de pianist met de ferme aanslag en een geweldig gevoel voor timing, vooral met zijn linker hand, heeft in de bebop-periode, de gospelmuziek en de blues in zijn spel met een prachtige melodieuze instelling weten te verwerken, waarbij hij zodanig de techniek beheerste dat hij in duidelijk diverse stijlen wist te excelleren.

 

Sonny Clark 4 december 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Sonny Clark werd in juli 1931 in New York als Conrad Yeatis Clark geboren en was een Amerikaanse hardbop-pianist.

Sonny Clark leefde kort, maar is desondanks op veel platen als leider te horen, maar vooral als sideman van hardbopmusici als Donald Byrd, Kenny Burrell, John Coltrane en Dexter Gordon.

 

Sonny Clark werd geboren in een mijnstadje en groeide daar ook op.

Toen hij twaalf jaar oud was, verhuisde hij naar Pittsburgh en in 1951 naar San Francisco, waar hij met de tenorsaxofonist Wardell Gray speelde.

In 1953 nam hij met Gray en vibrafonist Teddy Charles zijn eerste plaat op.

Dat jaar speelde Sonny Clark met veel zogeheten Westcoast-musici, zoals Art Pepper.

 

In de periode 1953 – 1956 werkte Sonny Clark samen met klarinettist Buddy DeFranco, waarmee hij in 1954 ook in Europa optrad. Zijn opnamen met DeFranco verschenen op het Verve-label.

In 1956 speelde Clark met de Lighthouse All Stars van Howard Rumsey.

Verder speelde hij in die tijd met Serge Chaloff en Sonny Criss en begeleidde hij in 1957 zangeres Dinah Washington.

 

In New York werd Sonny Clark een van de meest opgenomen jazzmusici.

Als leider nam hij onder andere de albums: ‘Sonny Clark Trio’, ‘Cool Struttin’ en ‘Sonny’s Crib’ op, deze platen worden als zijn beste albums beschouwd.

En dat laatste album bevat ook zijn laatste opnames uit 1959 met John Coltrane.

 

Het spel van Sonny Clark was sterk beïnvloed door dat van Bud Powell, echter met een eigen sound vol harmonische gevoeligheid.

Als sideman werd Sonny Clark bekend op platen van hardbop-musici, die vooral opnamen voor het Blue Note-label, waaronder Kenny Burrell, Donald Byrd, Jackie McLean, Art Farmer, Hank Mobley, Art Taylor, Dexter Gordon en Clifford Jordan.

Ook nam Sonny Clark deel aan opnamesessies van o.a. Charles Mingus, Sonny Rollins, Billie Holiday en Lee Morgan.

 

Sonny Clark was verslaafd aan heroine en stierf in 1963, op 31 jarige leeftijd aan een overdosis.

Clark heeft nooit één slechte opname gemaakt, maar werd tijdens zijn leven nooit echt op waarde geschat. Pas na zijn dood werd zijn werk door veel jazzliefhebbers (vooral in Japan) echt meer gewaardeerd, dan tijdens zijn leven.

 

Steve Swallow 27  November 2016 in ‘All That’s Jazz’.

De Amerikaanse bassist én componist Steve Swallow werd op 4 oktober 1940 in Fair Lawn, New Jersey, geboren en is bekend geworden door zijn vele samenwerkingen met andere aansprekende musici. Steve Swallow is zelf ook een toonaangevende en daardoor veel gevraagde jazzbassist, vooral door zijn samenspel met rietblazer Jimmy Giuffre, vibrafonist Gary Burton en pianiste Carla Bley, met wie hij sinds de jaren ’80 een relatie onderhoudt.

Steve Swallow was één van de eerste bassisten, die zijn contrabas inruilde voor de elektrisch versterkte basgitaar, die hij op een elegante gedistingeerde wijze bespeelt.Als jongetje leerde hij allereerst de piano en de trompet bespelen, maar hij schakelde op 14-jarige leeftijd over naar de contrabas. Zittend nog op de lagere school, begon de jonge Steve met het improviseren op jazzmuziek.Toen Steve Swallow 20 jaar oud was, verliet hij de Yale Universiteit, waarop hij compositieleer studeerde en hij verhuisde hij naar New York City.

Hier ging hij spelen in het Jimmy Giuffre Trio en ook werkte hij samen met pianist Paul Bley. Na een samenwerkingsperiode in de groep van trompettist Art Farmer, begon Steve Swallow zich op het componeren te richten. In diezelfde periode startte Swallow een langdurige samenwerking met vibrafonist Gary Burton, overigens in verschillend samengestelde groepen.Begin jaren ’70 switchte Swallow definitief over op de elektrisch versterkte basgitaar, die hij met zijn 5 snaren ging prefereren boven de contrabas. Eigenlijk was Swallow, samen met Monk Montgomery en Bob Cranshaw, de eerste bassist die, mede door de aanmoediging van drummer Roy Haynes, binnen de jazz overstapte.

Steve Swallow speelt met een speciaal plectrum en in zijn stijl van spelen heeft hij solo’s in het hoge register opgenomen. Hij was een van de eersten die de hoge C-snaar op zijn basgitaar ging gebruiken.In de jaren 1974 tot 1976 doceerde Steve Swallow aan het beroemde Berklee College Of Music. Vaak is er gespeculeerd dat Steve Swallow beïnvloed zou zijn door het zogeheten ‘Real Book’, dat overigens een behoorlijk aantal eigen composities bevat. Leuk is te melden dat in december 1993  Steve Swallow ook een album onder diezelfde naam bij ECM Records heeft uitgebracht.Vanaf 1978 vormt Steve Swallow een essentieel lid en constante factor in de Carla Bley band.  Daarnaast toerde Steve Swallow, in diezelfde periode, regelmatig samen met gitarist John Scofield.

In de jaarlijkse Down Beat Polls heeft Steve Swallow in de categorie ‘elektrische bas’, sinds midden jaren ’80, deze jaarlijks gewonnen. Zowel door de jazzcritici als door de lezers van dit toonaangevende jazzblad gekozen! Veel van Steve Swallow’s composities zijn ook gespeeld én opgenomen door musici als gitarist Jim Hall, de pianisten Bill Evans en Chick Corea, tenorsaxofonist Stan Getz en de eerder genoemde vibrafonist Gary Burton.  

Dit keer dus een mooie gelegenheid, om een JazzProfiel aan deze bescheiden ogende en vaak buitengewoon ingetogen en origineel spelende Steve Swallow in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden.

 

 

 

Brad Mehldau 20  November 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Brad Mehldau werd in 1970 in Jacksonville (Florida) geboren en groeide op in West Hartford en rondde zijn Hall High School af op 18 jarige leeftijd. Zoals meestal gebruikelijk met succesvolle musici, begon Brad Mehldau dan ook al op jeugdige leeftijd met pianospelen en kwam op zijn 12e in aanraking met de jazzmuziek toen een vriend hem een live opgenomen plaat van John Coltrane liet horen. Ook de solopartij van pianist Keith Jarrett op zijn album: “Solo Concerts Bremen & Lausanne” was een andere belangrijke vroege invloed, net als van Bud Powell, Thelonious Monk en Charlie Parker. Op school trad Brad Mehldau toe tot de daar spelende schoolband en de eerste plaat die hij kocht was, volgens eigen zeggen, het geweldige Coltrane album: “Blue Train”, die u ook ongetwijfeld zal bezitten.

In 1988 verhuisde Brad Mehldau naar New York om jazz te gaan studeren aan de daar gevestigde New School en kreeg o.a. les van Fred Hersch, Junior Mance en Kenny Werner en speelde daar ook samen met altist Jackie McLean en drummer Jimmy Cobb.

Uiteraard speelde Brad Mehldau in New York als sideman met een grote variëteit aan musici, waarvan de belangrijkste samenwerking die was met het Joshua Redman Quartet, voordat hij in 1994 zijn eerste eigen trio formeerde. Als musicus speelt Brad Mehldau voornamelijk eigen composities, jazzstandards en populaire muziek die hij zelf voorziet van de nodige jazzarrangementen. Brad Mehldau houdt als we het hier hebben over populaire muziek het meest van Radiohead, Paul Simon, Nick Drake, The Beatles en Elliott Smith. Hij heeft een uitgesproken talent om deze, laat ik zeggen “rocksongs”, te transformeren tot muziek die klinkt alsof we luisteren naar Jazz-standards. Maar toch is hij vooral bekend geworden als leider van het Brad Mehldau Trio met bassist Larry Grenadier en drummer Jorge Rossy, die in 2005 opgevolgd werd door drummer Jeff Ballard.

Brad Mehldau wordt soms vergeleken met zijn helaas overleden grote voorganger pianist Bill Evans, die een enorme invloed heeft uitgeoefend op het pianospel in de moderne jazzmuziek. Maar ook wordt hij vergeleken met pianist Keith Jarrett, waarvan hij zelf zegt dat deze grote pianist hem vooral inspiratie heeft bezorgd en minder zijn beïnvloeding in zijn spel.Maar anderen menen weer beïnvloedingen te bespeuren van Miles Davis, Larry Goldings, Kurt Rosenwinkel, Jesse Davis, David Sanchez en Oscar Peterson.

Het is aan u als luisteraar om zelf te ontdekken aan wie u het meest moest denken bij de muziek die ik zal gaan draaien. In ieder geval aan Brad Mehldau zelf, want hij zal in het JazzProfiel excelleren en met dank aan zijn klassieke piano-opleiding, speelt hij met elke hand vaak een verschillende melodie in ook vaak ongebruikelijke ritmische tempi als 5/4 en 7/4 maat.   

 

 

Cannonball Adderley 13  November 2016 in ‘All That’s Jazz’.

De in 1928 in Tampa (Florida) geboren Julian Edwin Adderley, stond bekend als één van de temperamentvolste hardbop-musici, wiens spel een mengeling vertoonde van lyrische opvattingen uit de swingperiode, pure bebop en zuidelijk blues- en gospelgevoel.
Cannonball Adderley was naast altsaxofonist ook muziekdocent in Florida toen zijn drie jaar jongere broer Nat, die trompet en cornet speelde, hem in 1955 uitnodigde om in New York te komen spelen.
De gebroeders Adderley traden in ‘Café Bohemia’ in New York en in ‘The Jazz Workshop’ in San Francisco in eerste instantie op met de begeleiding van onder andere de bassisten Oscar Pettiford en Paul Chambers, de pianisten Hank Jones en Horace Silver en Kenny Clarke op drums.
Nat en Cannonball Adderley zorgden in dit muzikantenmilieu voor een enorme sensatie. Men stond letterlijk op straat in de rij om toegelaten te worden voor deze spectaculaire optredens.

De uitbundige, met “soul” geladen solo’s van Julian Cannonball Adderley, schijnbaar moeiteloos getimed tot in de hoogste en laagste tempi toe, werden ondergaan als een werkelijke verademing, na de tijdelijke bloei van de veel getemperde west coast jazz. Het eerste Adderley Kwintet bestond naast Cannonball en Nat uit pianist Junior Mance, bassist Sam Jones en slagwerker Jimmy Cobb.

In de periode 1957-1959 heeft Cannonball Adderley ook deel uitgemaakt van het Miles Davis Quintet en Sextet. Cannonball Adderley’s eigen groepen, afwisselend een kwintet en sextet, door toevoeging van de veelzijdige en fantastische musicus Yusef Lateef en later met Charles Lloyd op tenorsaxofoon en fluit, werd een van de succesvolste jazzgroepen uit de jaren zestig en zeventig. Overal ter wereld sprak de goedgemutste Cannonball Adderley tijdens concerten zijn publiek toe als een soort “preacher”, die de Blijde Boodschap kwam verkondigen.

De Adderley’s bespeelden hun publiek met hits als ‘Worksong’, ‘This Here’ en ‘Dat Dere’. Ook hebben de pianisten Joe Zawinul, Victor Feldman, Junior Mance en George Duke enige tijd als pianist in de Adderley-groepen gewerkt.
Het sterkste ritmeteam van alle formaties bestond indertijd uit de combinatie van: Sam Jones op contrabas, pianist Bobby Timmons en slagwerker Louis Hayes. Door het aanstekelijke, funky karakter van Julian Cannonball Adderley’s muziek kreeg zij in de tweede helft van de jaren zestig terecht het etiket ‘soul jazz’ opgeplakt.
Cannonball Adderley stierf in 1975 op slechts 47 jarige leeftijd
 

 

Gil Evans 6 November 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer ga ik een JazzProfiel presenteren van de Amerikaanse pianist en orkestleider Gil Evans.

Hij is in 1912 in Toronto, oorspronkelijk als Ian Ernest Gilmore Green geboren en is, ondanks een aantal grammofoonplaten, die als echte mijlpalen in de jazzontwikkeling worden gezien, toch altijd min of meer een achtergrondfiguur gebleven.

 

Gil Evans, een begaafd en origineel arrangeur, schijnt geen enkele muzikale scholing gehad te hebben. Pas in de jaren vijftig is Gil Evans serieus piano gaan spelen.

De inspiratie voor zijn bijzondere klankkleuren en orkestraties deed hij naar eigen zeggen voortdurend op ‘bij alles wat hem ter ore kwam’, variërend van romantische en modern-klassieke muziek tot hardrock.

 

Deze orkestleider Gil Evans, werd als componist en als arrangeur, beïnvloed door onder meer Don Redman en de combinatie Duke Ellington & Billy Strayhorn. Evans manifesteerde zich in de jaren veertig allereerst in het dansorkest van Claude Thornhill. In deze formatie werden aan de traditionele bezetting instrumenten toegevoegd als fluit, hoorn en tuba. In zijn werk voor Thornhill maakte Gil Evans ook gebruik van meerdere klarinetten en van de gitaar en de piano als melodiestem.

Beroemd werden zijn bewerkingen voor dit orkest van ‘Yardbird Suite’, ‘Donna Lee’, composities van Charlie Parker en ‘Antropology’, geschreven door Dizzy Gillespie.

 

Aan het einde van de jaren veertig werkte Gil Evans mee aan het repertoire van de legendarische negenmansformatie van trompettist Miles Davis, te beluisteren op het album: ‘Birth Of The Cool’. Met de onorthodoxe bezetting van: trompet, altsax, trombone, baritonsax, hoorn, tuba, piano, contrabas en slagwerk. Van dit toen revolutionaire album draai ik in dit JazzProfiel uiteraard muziek voor u.

Pas een kleine 10 jaar later, na het gereed komen van het ‘Birth Of The Cool’-album, kwam Gil Evans opnieuw in de schijnwerpers te staan. Nu als arrangeur én leider van de big-band die de met hem bevriende en hem als een goeroe vererende trompettist Miles Davis.

Super klinkende albums verschenen, zoals: ‘Miles Ahead’, ‘Porgy And Bess’, ‘Sketches Of Spain’, ‘At Carnegie Hall’ en ‘Quiet Nights’.

 

Onder zijn eigen naam maakte Gil Evans: ‘Pacific Standard Time’, een album met briljante orkestraties van klassieke jazzcomposities.

Ook leverde hij arrangementen voor LP’s van onder meer zangeres Astrud Gilberto en gitarist Kenny Burrell. Van het Kenny Burrell-album: ‘Guitar Forms’ ga ik ook muziek voor u draaien met gitarist Kenny Burrell samen met het orkest o.l.v. Gil Evans.

In de jaren zestig en zeventig ging orkestleider Gil Evans regelmatig met middelgrote bezettingen werken.

Concerten van zijn groepen waarvan altsaxofonist David Sanborn, tenorsaxofonist Billy Harper, trompettist Lew Soloff, gitarist Joe Beck, trompettist George Lewis, baritonsaxofonist en tubaspeler Howard Johnson en drummer Elvin Jones deel hebben uitgemaakt, hadden onder leiding van Gil Evans meer weg van rommelige workshops, of beter uitgedrukt van schijnbaar eerste repetities.

Filosofisch ingesteld als hij was, vond Gil Evans ‘het proces belangrijker dan het resultaat’

 

Steeds vaker ging pianist en orkestleider Gil Evans ook de synthesizer inschakelen voor het totaalgeluid van zijn groepen, die ook door de toepassing van elektrische gitaar en basgitaar rockachtiger gingen klinken.

Van de losse opdrachten die hij in de jaren 80 kreeg kon Gil Evans zich nauwelijks in leven houden. Zijn enige vaste inkomen bestond uit een sociale uitkering en een bescheiden jaarlijks bedrag van de Amerikaanse auteursrechtenorganisatie. Miles Davis streek egoïstisch ingesteld de grote geldstromen zelf op.

 

In de New Yorkse Jazzclub “Sweet Basil” leidde Gil Evans tot op hoge leeftijd een maandagavondorkest samengesteld uit een schilderachtige horde musici door wie hij blijvend op handen werd gedragen.

Tien jaar voor zijn dood zei Gil Evans tegen de Britse auteur Raymond Horricks: ‘Ik heb economisch gezien het leven geleid van een verliezer. Ik was arrangeur en je kunt als arrangeur geen royalty’s krijgen. De baas van Columbia vertelde me gisteren dat de albums die ik met Miles Davis maakte in de loop van de jaren allemaal ‘goud’ zijn geworden, en toch heb ik voor mijn arrangementen alleen maar de 500 dollar gekregen, daarna niets meer’.

 

Gil Evans stierf op 76 jarige leeftijd in 1988, maar we kunnen gelukkig tot op de dag van vandaag nog steeds genieten van deze geweldige pianist en vooral een briljante arrangeur én orkestleider.

 

Ben Webster 30 oktober 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Het JazzProfiel’ dit keer de in 1909 in Kansas City geboren Benjamin Francis Webster.

Hij is één van de grote persoonlijkheden geweest op dit bij uitstek voor de jazz geschikte instrument: de tenorsaxofoon.

Dat hij echter ook lange periodes als een betrekkelijk obscure figuur heeft doorgebracht, is eerder te wijten aan zijn grillige en kwetsbare persoonlijkheid dan aan de kwaliteit van zijn spel. Ben Webster combineerde een bijtende, agressieve speeltrant in snelle stukken met een bijna kinderlijk tedere ontwapenende lyriek in langzame nummers, die zijn grote specialiteit werden.

 

Ben Webster speelde eerst in de bands van Bennie Moten, Benny Carter, Fletcher Henderson en Cab Calloway, voordat hij zelf één van de grote solisten werd in het toporkest dat Duke Ellington in het begin van de jaren veertig had.

Bekende features voor Ben Webster uit die periode 1940 – 1942 waren: ‘Our Love Is Here To Stay’, ‘Cotton Tail’, ‘Caravan’, ‘Blue Serge’, ‘Just a-Sittin’ And a-Rockin’ ‘, ‘Chelsea Bridge’ en ‘Perdido’.

 

Na een periode met eigen groepen en engagementen met orkesten als die van John Kirby, violist Stuff Smith en Henry Allen, keerde Ben Webster voor één seizoen terug bij Duke Ellington, namelijk in de periode 1948-1949.

Met tussenpozen zegde hij het rondreizen op, om rust te zoeken in het huis van zijn moeder in Californië. Daar liet hij zich ook af en toe zien voor een concert of een platenopname.

In 1953 maakte hij deel uit van de band van Count Basie, waarna heeft Ben Webster, door collega’s “Frog” genoemd, jarenlang deel uitgemaakt heeft van de door impresario Norman Granz samengestelde sterrenformatie: ‘Jazz At The Philharmonic’.

 

In het begin van de jaren zestig trok Ben Webster naar Europa als gevolg van de slechte werkomstandigheden in de V.S. en gefrustreerd door gevoelens van minderwaardigheid ten opzichte van generatiegenoten als Coleman Hawkins.

Van deze laatste zei hij altijd dat hij “nooit tegen hem had opgekund”.

Eerst woonde Ben Webster in Kopenhagen, waar hij vaak optrad met pianist Kenny Drew en contrabassist Niels Henning Ørsted Pedersen, vervolgens van 1966 tot 1970 in Amsterdam en ten slotte weer in de Deense hoofdstad.

 

Onvergetelijk zijn de duetten geworden met de toen ook in Amsterdam wonende Don Byas, begeleid door Nederlandse ritmesecties. Pianist Cees Slinger, die veel met Webster heeft opgetreden zei over hem: ‘Ben Webster was een zeer gecompliceerde en moeilijke man. Maar wie eenmaal zijn vertrouwen had, kon rekenen op een sterke band met hem. Ik geloof dat hij zich in Nederland min of meer veilig heeft gevoeld’. 

 

Overigens werd het leven van Ben Webster ook beheerst door overmatig drankgebruik.

Ook in Amsterdam was hij soms niet in staat om tijdens een concert met de nodige concentratie te werk te gaan. Een optreden in een Leids jazzcafé met pianist Irv Rochlin, contrabassist Henk Haverhoek en drummer Peter Ypma werd Ben Webster’s laatste.

In een Amsterdams ziekenhuis overleed Ben Webster in 1973 aan een hersentrombose.

De cineast Johan van der Keuken heeft in 1967 in opdracht van de VPRO een 32 minuten durende film van hem gemaakt met als titel: “Big Ben”.

Een uitgebreide documentaire van Channel Four laat als dramatisch hoogtepunt ook een eenmalige reünie met de Duke Ellington gelederen uit 1971 zien, 2 jaar voor zijn dood op 64 jarige leeftijd.

 

 

Jimmy Giuffre 23 oktober 2016 in ‘All That’s Jazz’.

De in 1921 in Dallas (Texas) als James Peter Giuffre geboren musicus is in de eerste plaats bekend geworden door, zijn voor het orkest van Woody Herman geschreven compositie: “Four Brothers” uit 1947, waarin hij het thema in close-harmony arrangeerde voor drie tenorsaxen en ook voor een baritonsaxofoon.

Als rietblazer maakte Jimmy Giuffre o.a. deel uit van de orkesten van Boyd Raeburn, Gene Roland, Jimmy Dorsey, Buddy Rich en Woody Herman.

Hij studeerde compositieleer bij dr. Wesley La Violette in Los Angeles en speelde als componist, arrangeur en uitvoerend musicus een zeer belangrijke rol in de jazzstroming die we de West Coast Jazz zijn gaan noemen.

Groepen waarin Jimmy Giuffre meespeelde zijn zeer talrijk, zoals The Lighthoude All Stars van contrabassist Howard Rumsey, trompettist Shorty Rogers & His Giants, drummer Shelly Manne’s ‘The Three’, waarin o.a. ook Shorty Rogers meespeelde, Shelly Manne’s & His Men en diverse groepen rond saxofonist Lee Konitz.

Experimenten, in 1957 tijdens Jimmy Giuffre’s docentschap aan de universiteit van Lennox (Massachusetts), met het bekende Modern Jazz Quartet en met eigen groepen – waarin zijn fluisterende klarinetgeluid domineert – vertoonden een streven naar fusie met moderne Europese gecomponeerde muziek en met diverse stromingen van folkmuziek uit zijn eigen geboorteland.

 

Aan de andere kant streefde Jimmy Giuffre ernaar om als componist en improvisator los te komen van traditionele harmonische en ritmische kaders.

Door zijn werk als muziekdocent, ondermeer aan het New England Conservatorium, is Jimmy Giuffre voor lange periodes buiten de schijnwerpers gebleven.

Slechts af en toe vertoonde hij zich op de podia, onder meer met een experimentele vorm van jazzrock en vanaf  1989 in een hernieuwde samenwerking met pianist Paul Bley en bassist Steve Swallow.

 

Jimmy Giuffre heeft naast de klarinet en fuit ook de tenor-, sopraan en baritonsaxofoon gespeeld en is vooral te beluisteren geweest in de cool-jazz, west coast, folk jazz en de avant garde stromingen.

Op 24 april 2008 stierf hij in Pittsfield op 86 jarige leeftijd.

 

Dizzy Gillespie 16 oktober 2016 in ‘All That’s Jazz’.

De op 21 oktober 1917 in South California geboren John Birks Gillespie was een van de actiefste, creatiefste en invloedrijkste musici die de jazz heeft voortgebracht. Hij begon op zijn 13e de trompet te bespelen en was altijd de bijna altijd onvermoeibare gangmaker tijdens concerten in de Verenigde Staten en ver daar buiten. Na dienstverbanden bij de big bands van Teddy Hill, Cab Calloway, Earl Hines en Billy Eckstine werd Dizzy Gillespie rond de helft van de jaren veertig één van de kernfiguren in de nieuwe jazzmuziek van toen: ‘de bebop’.

Met een superieure blaastechniek, die tot de hoogste octaven reikte en met een groot harmonisch en ritmisch inzicht, speelde Dizzy Gillespie in 52nd Street in New York met muzikale geestverwanten als de saxofonisten Charlie Parker, Sonny Stitt en Don Byas, vibrafonist Milt Jackson, de pianisten Al Haig, Thelonious Monk, George Wallington, Bud Powell en Clyde Hart, de bassisten Ray Brown, Curley Russell en Oscar Pettiford en ook met drummer Max Roach. Zeker gedurende de hoogtijdagen van de bebop is Dizzy Gillespie een productief componist geweest. Op zijn naam staan ondermeer: ‘A Night In Tunesia’, ‘Antropology’,’Bebop’, ‘Birks Works’, ‘Con Alma’, ‘Groovin’ High’, ‘Salt Peanuts’ en vele andere creaties zoals ‘Woody’n You’.

In de tweede helft van de jaren veertig leidde Dizzy Gillespie met tussenpozen, zoals een verblijf in Californië in 1947, een eigen big band. Voor dit gedreven en opwindend spelende orkest, schreven velen waaronder: Walter Fuller, Tadd Dameron, John Lewis, Chico O’Farrill, George Russell en Dizzy Gillespie zelf de arrangementen.
Met het opnemen van percussionist Chano Pozo werd het ‘ cubop-idioom’ geïntroduceerd, een fusie tussen Afro-Cubaanse muziek en de bebop. In de jaren vijftig maakte Dizzy Gillespie opnamen met groepen waarin saxofonist John Coltrane was te horen en ook met vibrafonist Milt Jackson, gitarist Kenny Burrell en de tenorsaxofonisten Sonny Rollins en Sonny Stitt.

In 1952 kwam Dizzy Gillespie voor de eerste maal naar Nederland. Hij trad in Scheveningen op met een groep waarvan ook onze eigen pianist Rob Pronk deel van uitmaakte. In de loop van de jaren vijftig stond Dizzy Gillespie regelmatig op het programma van Norman Granz’ ‘Jazz At The Philharmonic’ en reisde als ‘Ambassador Of Jazz’, gesponsord door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, met een big band door Oost-Europa, het MiddDe op 21 oktober 1917 in South California geboren John Birks Gillespie was een van de actiefste, creatiefste en invloedrijkste musici die de jazz heeft voortgebracht. Hij begon op zijn 13e de trompet te bespelen en was altijd de bijna altijd onvermoeibare gangmaker tijdens concerten in de Verenigde Staten en ver daar buiten.

Na dienstverbanden bij de big bands van Teddy Hill, Cab Calloway, Earl Hines en Billy Eckstine werd Dizzy Gillespie rond de helft van de jaren veertig één van de kernfiguren in de nieuwe jazzmuziek van toen: ‘de bebop’.
Met een superieure blaastechniek, die tot de hoogste octaven reikte en met een groot harmonisch en ritmisch inzicht, speelde Dizzy Gillespie in 52nd Street in New York met muzikale geestverwanten als de saxofonisten Charlie Parker, Sonny Stitt en Don Byas, vibrafonist Milt Jackson, de pianisten Al Haig, Thelonious Monk, George Wallington, Bud Powell en Clyde Hart, de bassisten Ray Brown, Curley Russell en Oscar Pettiford en ook met drummer Max Roach. Zeker gen-Oosten, Azië en Afrika.
Mede door zijn grote talenten als scatzanger, showman en presentator werd Dizzy Gillespie één van de populairste moderne jazzmusici.

Dizzy Gillespies’ enorme gevoel voor humor kwam hem van pas tijdens een speelse campagne waarbij hij zich kandidaat stelde als president van de Verenigde Staten, met een voorkeur voor ministers als Duke Ellington voor Buitenlandse Zaken, Max Roach voor Defensie en Louis Armstrong als tegenkandidaat voor Defensie. Moeiteloos haakte Dizzy Gillespie in 1962, als groot liefhebber en kenner van het Latin genre, in op de rage van de Bossa Nova en Oosters getinte-muziek. In zijn groep speelden violist Stuff Smith, pianist Wynton Kelly, contrabassist Paul West en slagwerker J.C.Heard.

Dizzy Gillespie vierde zijn vijfenzeventigste verjaardag nog met een seizoen lang optredens in New York, maar niet veel later werd bij hem kanker vastgesteld. De leidinggevende theoreticus achter de bebopmuziek, trompetvirtuoos, leraar en visionair jazzmuzikant overleed op 6 januari 1993, dus op 75 jarige leeftijd

Lester Young 9 oktober 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Ik heb het genoegen om dit keer de carrière te belichten en de muziek te presenteren van tenorsaxofonist Lester Young die in augustus 1909 in Woodville (Mississipi) als Lester Willis Young werd geboren.

Lester Young is de geschiedenis in gegaan om zijn subtiele speelstijl vol lichte, soepele en soms zeer subtiele fraseringen, en hij heeft hiermee een grote invloed gehad op het spel van latere saxofonisten, onder wie veel blanken.

Hij groeide op in New Orleans als een zoon van een musicus die tournees maakte met minstreel shows, en nam op den duur zijn kinderen mee, onder wie Lester en diens broer drummer Lee Young.

 

De eerste voorbeelden voor Lester Young waren de blanke Chicago-saxofonisten Bud Freeman en Frankie Trumbauer, met een sterk onderkoelde toon en met nauwelijks een vibrato, die hij zoveel mogelijk trachtte te imiteren.

In het begin werd Lester Young door collega’s nogal argwanend bekeken, vooral door zijn lichte geluid, dat totaal niet paste in de “hot”-opvattingen van de zwarte tenoristen uit die tijd.

Daar kwam bij dat Lester Young een weinig spraakzame persoon was en zich wat deftig kleedde, kortom een musicus op wie niemand vat had.

 

Lester Young begon zijn carrière door te spelen in de orkesten van o.a. King Oliver, Walter Page (en dat waren de Blue Devils), Benny Moten, Fletcher Henderson, Andy Kirk en Count Basie. Lester Young werd overigens uit het orkest van Fletcher Henderson gezet omdat de andere musici het “heavy” geluid van bijvoorbeeld een Chu Berry prefereerden. Met een kleine formatie o.l.v. Count Basie maakte hij in 1936 zijn eerste, inmiddels beroemd geworden opnamen, waarop hij een rijkdom aan ideeën aan de dag legde. Ze kwamen met een weinig nadrukkelijke, bijna achteloze timing uit zijn instrument, dat hij soms bijna horizontaal voor zich hield.

In de daarop volgende 10 jaar heeft Lester Young een stempel gedrukt op de verdere ontwikkeling van de speelstijl met de tenorsaxofoon.

 

Voor velen viel vooral Lester Young’s lichttonige en transparant aandoende spel op met zijn melodieuze improvisatielijnen, waarin op vernuftige wijze periodes van stilte werden verweven.

Lange, elegante frasen werden afgewisseld door riff-achtige passages en ritmische variaties in verschillend timbre op één toon, die ook in zijn befaamde composities: “Jumping With Symphony Sid” en “Gigantic Blues” te vinden zijn.

 

Vergeleken met de barokke en extraverte voordracht van de erkende tenorkoning uit die tijd: Coleman Hawkins, was die van Lester Young het tegendeel van overdaad.

Het verschil in ritmische opvattingen tussen deze 2 is door Martin Schouten beschreven in zijn boek “Billie And The President”. De titel van dit boek verwijst naar de intieme vriendschap tussen Lester Young en zangeres Billie Holiday, die hem de bijnaam President gaf, afgekort tot Pres.

 

Coleman Hawinks accentueerde in zijn spel de eerste en derde tel, maar Lester Young verplaatste zijn accenten steeds met net het effect van de naald die een groef overspringt en vaak iets na de tel.

Dat luid trekken aan het metrum en het verspringen van het accent gaf een veel grotere ritmische spanning. Dat de stijl van Lester Young school heeft gemaakt, wordt bewezen door een legertje van blanke saxofonisten, dat rond 1950 opkwam: de tenorsaxofonisten Stan Getz, Al Cohn, Brew Moore, Alan Eager, Warne Marsh, Jimmy Giuffre en de altsaxofonisten Lee Konitz en Art Pepper.

Maar ook in het spel van zwarte collega’s als Dexter Gordon, Wardell Gray en James Moody valt zijn invloed te ontdekken.

 

Door drugs en alcoholgebruik vertoonde het spel van Lester Young in de jaren ’50 een kwalitatief sterk wisselend niveau dat blijkt uit opnamen met allerlei bezettingen, waaronder de sterrenformatie Jazz At The Philharmonic.

Tijdens zijn Nederlandse concerten in 1956, met Miles Davis trompet, pianist René Utreger, contrabassist Pierre Michelot en Christian Garros op drums was Young’s toch al spaarzame notenkeuze tot een bedroevend minimum gereduceerd.

Lester Young, onbereikbaar voor zijn omgeving en nog slechts een schaduw van de muzikale persoonlijkheid die hij jaren eerder was, overleed in augustus 1959 op slechts vijftigjarige leeftijd.  

 

 

Cedar Walton 2 oktober 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer presenteer ik ‘Het JazzProfiel’ van de op 17 januari 1934 in Dallas in de staat Texas geboren jazzmusicus Cedar Walton. Hij heeft zich gespecialiseerd in de hardbop-jazz.

In de levensloop van Cedar Walton, lees ik dat hij, net als Charlie Christian en Red Garland opgroeide in Dallas in de staat Texas. Hier kreeg hij van zijn moeder, die concertpianiste was, pianolessen. In 1955 verhuisde hij naar New York City. Daar sloot hij zich aan bij de jazzgemeenschap en speelde enkele malen in jazzclub Birdland. Hierna bracht hij gedurende 2 jaar zijn militaire diensttijd door in Duitsland. In het leger ontmoette en speelde hij met musici als Leo Wright, Eddie Harris en Don Ellis.

Niet verwonderlijk dat Cedar Walton, samen met onder meer de pianisten Barry Harris, Kenny Barron, Tommy Flanagan en Wynton Kelly wordt beschouwd als een erg belangrijke pianist binnen de hardbopstroming. In 1958 keerde Cedar Walton, na zijn diensttijd, terug naar New York en speelde tot en met 1961 in het ‘Jazztet’ van Art Farmer en Benny Golson.

Hierna ging Cedar Walton aan de slag in Art Blakey’s Jazz Messengers, waar op dat moment ook trompettist Freddie Hubbard en tenorist Wayne Shorter deel van uitmaakten. Cedar Walton’s kostje was inmiddels al gekocht. Maar midden jaren ’60 verlaat hij The Jazz Messengers en gaat als een soort huispianist aan de slag voor het Prestige-label. Hij begeleide hier talloze belangrijke jazzmusici, zoals Sonny Criss, Pat Martino, Eric Kloss, Charles McPherson en Houston Person.

Midden jaren ’70 gaat Cedar Walton de funkgroep Mobius leiden met saxofonisten Bob Berg, Frank Foster en Eddie Harris. Daarnaast was Walton echt een begenadigd componist. Sommige van zijn composities zijn echte jazzstandards geworden, zoals: ‘Firm Roots’, ‘Bolivia’ en ‘Cedar’s Blues’.

Niet te tellen zijn de platen die Cedar Walton heeft opgenomen, zowel als leider en als sideman. In de jaren ’60 met Art Blakey voor Blue Note, met het Jazztet natuurlijk ook voor het Prestige-label, met Eddie Harris voor Atlantic en met Clifford Jordan voor Jazzland. Deze jaren '60 waren topjaren voor Cedar Walton en in 1967 verscheen zijn eerste album onder eigen naam, meteen lekker getiteld: ‘The Cedar Walton Trio, Quartet and Quintet gevolgd door Cedar!, met een mooi uitroepteken erbij.

Na een langdurig ziekbed is Cedar Walton op 19 augustus 2013 in zijn huis in Brooklyn op 79 jarige leeftijd overleden.

Cedar Walton wordt m.i. terecht gezien als één van de laatste jazz-helden uit de klassieke jazzperiode. Gelukkig hebben wij zijn vele platen nog.

 

Donald Byrd 25 september 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Op maandag 4 februari 2013 is trompettist Donald Byrd op 80-jarige leeftijd overleden.
Tijdens zijn
highschool-periode was hij al een vaardig trompettist. Hij speelde toen met Lionel Hampton. Na de militaire dienst vertrok hij naar New York om af te studeren aan de Manhattan School of Music. Zijn muzikale carrière nam een aanvang in de groep van pianist George Wallington.

Al snel werd hij ontdekt door Art Blakey en verving hij, in diens vermaarde Jazz Messengers, trompettist Clifford Brown. In die periode (midden jaren vijftig) begon Byrd ook platen op te nemen onder eigen naam op het label Savoy en als sideman bij onder meer John Coltrane, Thelonious Monk en Sonny Rollins.

In 1958 tekende Donald Byrd een exclusief contract bij Blue Note, waar hij tot ver in de jaren zeventig voor zou blijven opnemen.
Dat resulteerde in een serie uitmuntende hardbop-platen: 'Off To The Races', 'At The Half Note Cafe', 'The Cat Walk', 'Free Form' en 'A New Perspective'.  Midden jaren zestig richtte Donald Byrd zich meer op educatieve bezigheden en raakte hij geïnteresseerd in de muzikale ontwikkeling van Miles Davis. Ook Byrd ging zich bezig houden met elektronische en rock-invloeden. Tegelijkertijd bestudeerde hij de Afrikaanse muziek. Die invloeden leverden de albums 'Electric Byrd' en 'Ethiopian Knights' op. Het in 1972 uitgebrachte 'Black Byrd', dat funk, jazz en R&B combineerde, werd een grote hit.

Hij werkte daarop voor het eerst samen met het producers- en componistenduo Larry en Fonce Mizell. Het album werd op dat moment de meest verkochte plaat van Blue Note, maar de puristen onder de jazzliefhebbers vonden de nieuwe richting van Byrd maar niets.

De volgende albums met de broers werden eveneens hits. De groep die Byrd in die tijd met enkele van zijn beste studenten begon, The Blackbyrds, was in commercieel en artistiek opzicht succesvol, met bijvoorbeeld de millionseller 'Walking In Rhythm' en hit-albums als 'Street Lady' en 'Places And Spaces'.

De muziek die Byrd in de jaren zeventig maakte vormde later een grote bron voor samples voor talloze hiphop-musici en -groepen, zoals Public Enemy en Us3. In 1978 verliet Byrd Blue Note en stapte over naar Elektra. Het succesvolle 'jazz, funk, R&B' concept begon wat te tanen en ook gelet op een niet al te beste gezondheid begonByrd weer meer les te geven. Er was nog een kortstondige muzikale opleving aan het begin van de jaren negentig, toen hij enkele albums uitbracht op het label Landmark en meespeelde op het succesvolle cross-over album 'Jazzmatazz' van rapper Guru.

In het laatste deel van zijn leven werd Byrds lespraktijk zijn belangrijkste bezigheid.

Horace Palan 18 september 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 19 januari 1931 in Pittsburgh Pennsylvania geboren jazzpianist Horace Parlan.

Als pianist en componist heeft Parlan, in zijn meer dan 50-jarige carrière, 30 albums als leider opgenomen en heeft als sideman met veel jazzgrootheden samengespeeld.

Horace Parlan startte zijn muzikale loopbaan door in zijn jeugd de piano te gaan bespelen en zijn eerste professionele optredens vonden plaats in het midden van de jaren ’50 in rhythm & blues bands.

 

In 1957 speelde hij in New York samen met contrabassist Charles Mingus en later met de blazers Lou Donaldson, Booker Ervin, Eddie Lockjaw Davis, Johnny Griffin, Roland Kirk en vele anderen. In 1973 vestigde Horace Parlan zich in Denemarken en ging met veel lokale musici samen spelen. Ook speelde hij met Dexter Gordon, Red Mitchell en in de jaren ’80 met Frank Foster en Michal Urbaniak.

 

Ten gevolge van polio in zijn jeugd, ondervond Horace Parlan hiervan beperkingen bij het gebruik van zijn rechter hand, die gedeeltelijk is uitgeschakeld. Door middel van een hectisch gebruik met zeer ritmische cadensen van de rechterhand, bepaalt Horace Parlan een karakteristieke stijl.

Ter compensatie van zijn handicap ontwikkelde Horace Parlan een krachtige linker hand met opvallend akkoordengebruik en evolueerde een gedistingeerde pianostijl met de invloeden van de hard bop met hierin ook veel blues invloeden. Regelmatig speelt Parlan met een wat somber geluid

Horace Parlan kreeg internationale erkenning voor een aantal prachtige albums. Parlan is dan ook altijd een interessante solist, die het beste tot zijn recht komt in de interactie met andere musici.

Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden op twee Steeplechase-albums die hij in duo-bezetting met Archie Shepp in 1977 en in 1980 opnam, De eerste met veel spirituals als bron en de ander sterk leunend op de blues.

 

Een groot deel van Horace Parlan’s vooraanstaande jazzcarrière wordt gekenmerkt door een intrigerende reeks van, je zou kunnen zeggen van ‘eb en vloed’. Op sommige momenten krijgt zijn kunstenaarschap de aandacht en lof die het verdient, terwijl hij bij anderen merkwaardigerwijs over het hoofd wordt gezien.

Des te interessanter dus dat in deze mengeling van opvattingen, Horace Parlan’s spel altijd op een erg hoog niveau is gebleven.

Horace Parlan, met zijn soulvolle, ritmisch en inventieve stijl en zijn geïnspireerde ‘stem’, is een unieke stylist, uitbundig en inventief en creëert daardoor een duidelijk verschil met al zijn andere jazzcollega’s.

Zelf noemt hij Ahmad Jamal en Bud Powell als zijn belangrijkste beinvloeders.    

 

Donald Patterson 11 september 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 22 juli 1936 in Columbus, Ohio geboren Amerikaanse Hammondorganist Donald Patterson.

Hij startte zijn muzikale loopbaan door eerst in zijn jeugd de piano te bespelen en werd hierbij sterk beïnvloed door het spel van Erroll Garner.

Maar hij besloot in 1956, dus op 20-jarige leeftijd, na het beluisteren van Jimmy Smith, over te schakelen naar het Hammondorgel.

 

In 1959 maakte Don Patterson zijn professionele debuut als organist.

Vanaf dat moment ging Patterson samen spelen met de saxofonisten Sonny Stitt van 1962 – 1969, Eddie ‘Lockjaw’ Davis in 1963 en Gene Ammons en met gitarist Wes Montgomery.

In 1962 begon hij met Gene Ammons platen te maken, met Sonny Stitt in 1964, 1968 en 1971 en met saxofonist Eric Kloss in 1965 en 1966.

 

Don Patterson speelde in de jaren ’60 ook vaak in duo-verband met Billy James en met Pat Martino.

Gedurende de jaren ’60 en ’70 maakte Don Patterson ook een groot aantal platen voor het Prestigelabel, nu als leider van diverse samengestelde groepen.

In 1981 speelde Don Patterson voor het eerst met Al Grey en dat werd ook zijn laatste samenwerkingsverband.

 

De stijl van spelen van Don Patterson is sterk individueel en zijn eerder opgedane pianovaardigheden zijn ook altijd toegepast in zijn Hammondspel.

 

Als leider nam hij o.a. de volgende platen op: ‘Four Dimensions’ in 1967, ‘The Return Of Don Patterson’ in 1972 en ‘Why Not?’ in 1978. Zijn meest commercieel succesvolste album was echter ‘Holiday Soul’ uit 1964.

 

Don Patterson’s problemen met drugsverslaving, hebben hem tijdens zijn carrière behoorlijk parten gespeeld, vooral in de jaren ’70 toen hij in Gary, Indiana woonde.

Tijdens de jaren ’80 verhuisde Don Patterson naar Philadelphia en maakte hier een kleine comeback, maar zijn gezondheid verslechterde en Don Patterson overleed op 51 jarige leeftijd in 1988 te Philadelphia.

Bobby Hutcherson 4 september 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 27 januari 1941 in Los Angeles geboren Bobby Hutcherson. Hij werd al op vroege leeftijd met jazzmuziek geconfronteerd, want zijn familie had connecties met musici uit de lokale muziekscene. Zo was zijn broer op de middelbare school bevriend met Dexter Gordon en zijn zuster kende Eric Dolphy.

Op 9-jarige leeftijd begon Bobby Hutcherson met een pianostudie, maar hij vond de lessen verstikkend. Hij schakelde tijdens zijn tienerjaren over op de vibrafoon, nadat hij een plaat van Milt Jackson had beuisterd. Samen met Dave Pike ging Hutcherson studeren, maar toch is hij voor het grootste deel autodidact op dit instrument.

Hutcherson’s muzikale carrière startte toen hij op lokale dansfestijnen begon te spelen, met zijn vriend en bassist Herbie Lewis.

 

Na zijn middelbare schoolopleiding, ging Bobby Hutcherson spelen met lokale musici als: pianist Les McCann, tenorsaxofonist en fluitist Charles Lloyd, pianist Paul Bley, bassist Scott LaFaro en saxofonist Curtis Amy.

Later, na zijn verhuizing naar San Francisco, trad Hutcherson toe tot een ensemble dat geleid werd door trombonist Al Grey en saxofonist Billy Mitchell. Met deze groep nam Hutcherson diverse platen als sideman mee op. In dit combo begon Bobby Hutcherson zijn akkoorden met de 4 mallat-techniek te spelen, mogelijk in navolging op vibrafonist Gary Burton en door het feit dat er geen pianist in de groep meespeelde. Deze 4-mallattechniek handhaafde Hutcherson, bijna als enige op dit instrument tot eind jaren ’60, gekoppeld aan lineair gespeelde muziek. In 1960 begon Hutcherson de opnamen voor een album voor het Pacific-label van Dick Bock, maar na 4 nummers stopte hij hiermee door niet bekend geworden redenen. Deze 4 tracks zijn ook nooit uitgebracht.

 

In 1961 kreeg Bobby Hutcherson met de Grey-Mitchell-groep een engagement in The Birdland club in New York en werd geprezen voor zijn volle en frisse sound, waardoor hij tot 1963 met deze groep platen bleef opnemen op zijn toentertijd nog wat vreemd gevonden instrument in de moderne jazz.

Ook begon hij met opnamen te maken met vernieuwers als rietblazer Eric Dolphy en altist Jackie McLean. Deze samenwerking met Jackie McLean leverde het door jazzfans en critici lovend ontvangen album: ‘One Step Beyond’ op, gespeeld door een kwintetbezetting.

De volgende jaren nam Hutcherson vele platen als sideman op o.a. met altist Jackie McLean, de tenorsaxofonisten Archie Shepp en Hank Mobley, trompettist Charles Tolliver, rietblazer Eric Dolphy en de pianisten Herbie Hancock, Andrew Hill en McCoy Tyner.

 

Tijdens de opnamen van: ‘One Step Beyond’ van het Jackie McLean Quintet, kreeg Bobby Hutcherson van Blue Note-baas Alfred Lion het aanbod voor een platencontract, dat uiteindelijk langer zou duren dan met welke jazzmusicus dan ook, behalve pianist Horace Silver, eindigend tot de ondergang van dit belangrijke platenlabel in 1977. De meeste jazzcritici beschouwen zijn album: ‘Dialogue’ als een van zijn beste platen, samen met: ‘Un Poco Loco’ en ‘The Kicker’, dat vreemd genoeg pas in 1999 uitgebracht werd. Eigenlijk vind ik alle platen van Bobby Hutcherson uit de jaren ’60 voor Blue Note van een hoog niveau met vele composities van pianist Joe Chambers, een van de belangrijkste musici tijdens deze periode.

 

Vanaf de jaren ’70 vestigde Bobby Hutcherson zich in San Francisco en begon ook daar, nu als leider, op te treden en platen op te nemen, tot in de jaren ’80 zowel spelend op vibrafoon als op de xylofoon, vaak samen met drummer Eddie Marshall.

Vanaf 1981 begon Bobby Hutcherson internationaal toeren als lid van het door het Nederlandse platenlabel Timeless geformeerde Timeless All-Stars samen met o.a. saxofonist Harold Land, trombonist Curtis Fuller, pianist Cedar Walton, bassist Buster Williams en drummer Billy Higgins.

In 1993 begon Bobby Hutcherson met een samenwerking met pianist McCoy Tyner en vanaf 1999 neemt hij platen op voor het Verve-label, o.a. het goed ontvangen album: ‘Skyline’.

 

Het spel van Bobby Hutcherson klinkt, in welk samenwerkingsverband dan ook, steeds volledig fris en overtuigend. Elke keer dat je hem hoort spelen, brengt hij iets bijzonders. In de afgelopen jaren is zijn spel vooral opvallend aanwezig, zowel als leider als ook als sideman. Wanneer hij niet meespeelt in een bepaalde opname, mis je hem. Veel jazzcritici vinden dat elke keer dat hij meespeelt het geheel stukken beter klinkt.

Vibrafonist Bobby Hutcherson overleed op 15 augustus 2016 in zijn woonplaats Montara, Californië. Hij leed al geruime tijd aan longemfyseem en werd 75 jaar.

       

Billie Holiday 29 augustus 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

De in 1915 in Baltimore, als Eleanora Fagan geboren Billie Holiday, was de verpersoonlijking van de vocale jazztraditie uit de jaren dertig en veertig.

Haar voordracht, tegelijkertijd verleidelijk en smartelijk, met een precieze aandacht voor de tekst van een song en met sombere versieringen van de melodie, hield gelijke tred met die van sommige grote instrumentalisten uit haar hoogtijdagen: namelijk de jaren 1935 tot 1950.

Billie Holiday begon haar loopbaan als zangeres in diverse clubs van de zwarte New Yorkse wijk Harlem. Ze werd daar ontdekt door jazzpromotor John Hammond en maakte haar eerste platenopnamen in 1933 met klarinettist Benny Goodman.

Billie Holliday’s grote faam begon vooral in de periode 1935 tot 1938, toen zij als zangeres optrad met de big bands van Jimmy Lunceford, Fletcher Henderson, Count Basie en Artie Shaw. Zij behaalde grote successen met haar uitvoeringen van ‘Strange Fruit’ (een gedicht van Lewis Allan op het thema rassendiscriminatie), ‘Lover Man’ en ‘God Bless The Child’.

 

Tijdens één van de vele sessies waaraan Billie Holiday deelnam, ontstond een ‘vriendschap voor het leven’ met tenorsaxofonist Lester Young, die lange tijd bij haar moeder heeft ingewoond, en met wie Billie Holiday een sterke geestelijke en muzikale band kreeg.

In haar biografie ‘Lady Sings The Blues’ (die ook is verfilmd met Diana Ross in de hoofdrol), heeft Billie, in samenwerking met William Dufty, geschreven: ‘Het was bij één van deze sessies dat ik voor het eerst Lester Young ontmoette.

Van toen af wist Lester hoe graag ik hem in de buurt had om mooie solo’s achter me te blazen. Ik begon Lester ‘president’ te noemen. Het werd afgekort tot ‘Prez’, maar betekent nog steeds hetzelfde als ik toen bedoelde: de eerste man in dit land.

Voor mij was Lester de beste ter wereld. Ik hield van zijn muziek en een paar van mijn favoriete platen zijn die, waar hij zijn mooiste solo’s op speelde’.

Op zijn beurt gaf Lester Young, wiens lichte timbre op de tenorsax op een natuurlijke wijze aansloot bij de stem van Billie Holiday, haar de bijnaam ‘Lady Day’.

Hun relatie is door Martin Schouten beschreven in zijn boek: ‘Billie en de President’.

 

In de jaren veertig werkte Billie Holiday voornamelijk als soloartieste in allerlei Amerikaanse clubs. In 1944 deed zij mee aan het Esquire Annual Concert, in gezelschap van onder meer trompettist Roy Eldridge, tenorsaxofonist Coleman Hawkins en pianist Art Tatum.

In 1946 speelde zij naast Louis Armstrong in de film: ‘New Orleans’.

Billie’s gezondheid en haar toch al zwakke geestelijke evenwicht hadden meer en meer te lijden onder overvloedig drank- en drugsgebruik.

Twee maal moest Billie Holiday voor enige tijd van het toneel verdwijnen voor het volgen van een verplichte ontwenningskuur.

 

In 1954 kwam Billie Holiday voor het eerst naar Europa, als vocaal onderdeel van het door journalist en platenproducent Leonard Feather samengestelde tourneepakket: ‘Jazzclub USA’. Billie Holiday’s optreden in de Scheveningse Kurzaal werd een mislukking, o.a. door haar onzekerheid en door een onbarmhartige ontvangst van het publiek.

In een uitermate slechte conditie, en tamelijk vereenzaamt, bracht Billie Holiday haar laatste jaren door. Sporadisch kon zij haar klasse als vocaliste nog tonen, zoals in 1957 in de tv-film ‘The Sound Of Jazz’. In 1959, slechts enkele maanden na de dood van Lester Young, overleed Billie Holiday. Erkenning als begenadigd kunstenares is haar pas veel later ten deel gevallen.

Haar naam leeft voort in een serie unieke platenopnamen, waarbij die van haar eigen song:

'Don’t Explain' een uiterst symbolische waarde bezit.

 

Ray Bryant 21 augustus 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Pianist Ray Bryant werd op 24 december 1931 als Raphael Homer Bryant in Philadelphia geboren. Ray is naast pianist én componist ook de broer van Tommy Bryant, de bekende bassist.Op zijn 14e begon Ray Bryant in zijn geboortestad piano te spelen en hij maakte naam in de roerige jazzperiode vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Samen met broer Tommy ging Ray Bryant spelen in het huisorkest van ‘The Blue Note Club’ in Philadelphia. In deze band kwamen veel musici spelen uit New York, zoals o.a. Charlie Parker, Miles Davis, Lester Young, Sonny Rollins en vele anderen. Het duurde niet lang dat Ray Bryant veel werk als prominent sideman kreeg, dit zowel samen met als zonder zijn muzikale broer.

Een belangrijk moment in Ray Bryant’s carrière was de opname in 1955 van zijn album ‘Meet Betty Carter And Ray Bryant’ voor het Columbia-label. Het was een spetterende start voor zowel Ray Bryant als voor deze begaafde zangeres Betty Carter. Dit album werd al snel gevolgd door de plaat ‘The Ray Bryant Trio’ voor Prestige, waarop zijn eigen nummer ‘Blues Changes’ ook werd vastgelegd. ‘Blues Changes’ werd een evergreen in de jazzwereld, maar ‘Cubano Chant’ had nog meer succes, met zijn lekkere Afro-Cubaanse setting. Ray Bryant nam dit nummer op onder eigen naam, maar ook als onderdeel van het repertoire van groepen geleid door drummers als Art Blakey, Jo Jones en Art Taylor. Eigenlijk heeft Ray Bryant tijdens zijn muzikale carrière verschillende jazzhits geschreven, zoals ‘Little Susie’, een origineel bluesnummer.

In 1960 bereikte Ray Bryant de 30e plaats op een hitlijst met een nieuwe song, die hij ‘The Madison Time’ noemde. Dit nummer is ook gebruikt in de film ‘Hairspray’ dat in 1988 verscheen en ook als Broadway productie. In 1967 bereikte Ray Bryant de Top 100 met een uitvoering van Bobbie Gentry’s nummer ‘Ode To Billie Joe’.  Maar Ray Bryant rustte niet uit door dit succes, want binnen zijn zeer omvangrijke discografie zit behoorlijk veel werk als begeleider van zangers als Carmen McRae en Jimmy Rushing en ook werkte Ray Bryant b.v. mee aan albums als ‘Sonny Side Up’ van Dizzy Gillespie.

In 1956 en 1957 ging Ray Bryant toeren met Carmen McRae en Jo Jones en maakte hij met Coleman Hawkins opnamen op het Newport Jazz Festival.

In 1959 verhuisde Ray Bryant naar New York en speelde daar o.a. met Sonny Rollins, Charlie Shavers en Curtis Fuller.In de jaren ’60 werkte hij met zijn eigen trio of als solopianist, maar ook maakte hij een enorm aantal platen samen met o.a. Ella Fitzgerald, Miles Davis en Dizzy Gillespie.

Regelmatig maakte Ray Bryant in de jaren ’70 tournees in Europa en bleef haast continue platen opnemen met blazers als Zoot Sims en Benny Carter. Ray Bryant’s zuster is Vera Eubanks en zij is de moeder van de vooraanstaande jazzmusici: trombonist Robin Eubanks, gitarist Kevin Eubanks en trompettist Duane Eubanks.

Op 2 juni 2011 maakte Claude Bryant, de echtgenote van Ray, bekend dat haar echtgenoot, na een lange ziekteperiode, was overleden in het ziekenhuis in Queens op 79-jarige leeftijd. Ray Bryant, de pianist met de ferme aanslag en een geweldig gevoel voor timing, vooral met zijn linker hand, heeft in de bebop-periode, de gospelmuziek en de blues in zijn spel met een prachtige melodieuze instelling weten te verwerken, waarbij hij zodanig de techniek beheerste dat hij in duidelijk diverse stijlen wist te excelleren.

 

Charles Mingus 14 augustus 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Dit keer ga ik in dit JazzProfiel de in 1922 in Nogales (Arizona) geboren Charles Mingus aan u presenteren.

Charles Mingus is als bassist, componist, arrangeur en muzikaal organisator, één van de kernfiguren geweest in de ontwikkeling van de moderne jazzmuziek sinds de jaren vijftig. Mingus studeerde tijdens zijn jeugd in het zwarte getto in de wijk Watts van Los Angeles, cello en trombone en koos daarna voor de contrabas. Zijn grote voorbeeld was Red Callender, ook zijn toenmalige leraar.

Charles Mingus heeft o.a. in de orkesten van Louis Armstrong, Alvino Rey en Lionel Hampton gewerkt en bekeerde zich daarna in New York tot de bebop-jazzstroming.

In het trio van vibrafonist Red Norvo met gitarist Tal Farlow, demonstreerde hij een fenomenale solotechniek, die later in diverse eigen groepen zijn grote specialiteit is gebleven.

 

Charles Mingus heeft ook deel uitgemaakt van het trio van pianist Billy Taylor en in  het kwartet van tenorsaxofonist Stan Getz. En ook in een in 1953, voor een slechts éénmalig legendarisch concert, samengesteld kwintet. In deze groep voor het concert in de Massey Hall in Toronto zaten trompettist Dizzy Gillespie, altist Charlie Parker, pianist Bud Powell en drummer Max Roach. Een illustere groep dus.

Charles Mingus ging daarna, vol muzikale experimenten, zijn eigen weg. Hij leidde diverse workshopgroepen, waarvan de gespeelde stukken tijdens de repetities en uitvoeringen op zijn aanwijzingen als het ware werden ingekleurd. Deze werkwijze, waarbij een natuurlijke integratie van compositie en improvisatie tot stand kwam, is te vergelijken met die van de door hem als een god vereerde Duke Ellington. Composities, die vaak uit meerdere delen waren opgebouwd, hadden ruwe schetsen als basis, waaraan al spelend klankkleuren werden toegevoegd. Ook werden vertragingen en versnellingen in het tempo, dynamische verschillen, stops en breaks toegepast, ter vermijding van gladde collectieven en heilloze improvisatie-shablones, zoals hij dat zelf indertijd mooi heeft uitgedrukt.

 

Gedurende de jaren ‘60 kreeg de muziek van Charles Mingus steeds meer een strijdbaar en politiek bewust karakter. Zijn concerten werden felle protesten tegen de Amerikaanse regering, de raciale opvattingen van sommige Amerikaanse gouverneurs, de sociale achterstand van grote gekleurde bevolkingsgroepen en de uitbuiting van jazzmusici door nachtclubeigenaren, organisators van concerten, platenmaatschappijen - kortom het hele manipulatiesysteem.

Over alles wat de rebelse en gefrustreerde Mingus bezighield publiceerde hij een boek: ‘Beneath the Underdog’, in de Nederlandse vertaling: ‘Minder dan een underdog’.

Als productief componist zette hij stukken op zijn naam als: ‘Bird Calls’, ‘Better Get It In Your Soul’, ‘Elogy for Rudy Williams’, ‘Fables Of Faubus’, ‘Goodbye Pork Pie Hat’ en ontelbare andere stukken. Mooie namen wist Mingus dus ook al te bedenken.

 

In 1964 gaf Charles Mingus een gedenkwaardig concert in het Amsterdamse Concertgebouw met trompettist Johnny Coles, rietblazer Eric Dolphy, tenorsaxofonist Clifford Jordan, Jaki Byard piano en drummer Dannie Richmond. Dit optreden, waarbij groepsimprovisatie, het gelijktijdig en gezamenlijk creëren van een totaalsound, centraal stond, werd een onvergetelijk feest door de goed gedoseerde woedeaanvallen van de leider.

 

Charles Mingus maakte, als gevolg van een verslechterende lichamelijke conditie een steeds mattere indruk. Ernstig ziek en aan het einde van zijn krachten overleed hij in 1979 op slechts 57 jarige leeftijd in Mexico. De rol van Charles Mingus, een onberekenbaar mens en een moeilijke leider voor zijn medemusici (die hij overigens stuk voor stuk tot uitzonderlijke prestaties wist op te zwepen), is te vergelijken met die van pianist en componist Thelonious Monk. Beiden waren baanbrekers naar nieuwe muzikale wegen.

 

Johnny Griffin 7 augustus 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Dit keer heb ik het genoegen om een JazzProfiel te presenteren van tenorsaxofonist Johnny Griffin, die als Johnny Arnold Griffin III op 24 april 1928 in Chicago werd geboren en op 80-jarige leeftijd op 25 juli 2008 in Availles-Limouzine in Frankrijk overleed.

Johnny Griffin debuteerde als tenorsaxofonist begin jaren ‘40 in Lionel Hampton’s orkest, na achtereenvolgens te hebben gespeeld bij Art Blakey’s Jazz Messengers, het Thelonious Monk Sextet, het Clark Terry en het Nat Adderley Quintet. In 1956 brak hij als solist door met de voor Blue Note opgenomen LP ‘Introducing Johnny Griffin’. Nog geen jaar later maakte hij voor hetzelfde label samen met John Coltrane de plaat ‘A Blowing Session’.

Gedurende de jaren ’50 en ’60, was Johnny Griffin vooral bekend als een technisch briljante musicus, die over een eindeloos repertoire aan originele chops beschikte en vaak in een razend tempo zijn soli perfect wist af te werken. In 1960 formeerde hij een zogeheten tough tenor band met Eddie Lockjaw Davis.
Johnny Griffin heeft erg veel platen gemaakt en dat voor diverse platenlabels, met hierop een enorme hoeveelheid aan zelf gecomponeerde nummers.
Nadat hij naar Europa was geëmigreerd, werd Griffin hier al snel een van de meest gevraagde Amerikaanse jazzmusici op o.a. de jazzpodia, zoals de Londense ‘Ronnie Scott’s Jazzclub’.
Zowel in Europa als in de VS vierde hij ook in de decennia daarna grote successen, en werkte hij met jazzgiganten van beide continenten, zoals Quincy Jones, Rita Reys, Slide Hampton, Stan Getz en Toots Thielemans.

Elk jaar keerde Johnny Griffin voor circa 2 weken terug naar de Verenigde Staten, zo zie je maar weer eens dat je eigen geboorteland altijd blijft trekken.
Ook maakte Griffin voor een poosje deel uit van de bekende Francy Boland - Kenny Clarke band, maar voornamelijk toerde Griffin alleen door Europa en speelde er met vooral lokale musici die hij zelf uitkoos. Veel heeft hij ook gespeeld met pianist Kenny Drew, totdat deze fijne speler in 1993 overleed.
Naast zijn vele optredens, werkte Johnny Griffin ook als componist voor het zware werk, inclusief stukken voor strijkorkesten. Maar daarnaast bleef hij gewoon spelen en deed dat op zijn karakteriserende manier, waardoor je hem altijd aan zijn stijl weet te herkennen.
In 2008 vierde Johnny Griffin zijn tachtigste verjaardag, en verscheen zijn officiële biografie ‘Little Giant: The Story of Johnny Griffin’. Niet lang daarna overleed hij in zijn huis in Availles-Limouzine in Frankrijk, waar hij 24 jaar lang gewoond heeft.

Bill Evans 31 juli 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Dit keer een JazzProfiel van de in Plainfield (New Jersey) geboren William John Evans.  

Onder zijn musicusnaam: Bill Evans, maakte hij in 1956, na een gedegen klassieke pianostudie, een trio-opname met contrabassist Teddy Kotick en drummer Paul Motion.

Op deze LP: ‘New Jazz Conceptions’ overschreed Bill Evans de grenzen van de strikt harmonische bebopstijl door de grondtonen van de akkoorden weg te laten en te werken met omkeringen en uitbreidingen. Daardoor ontstonden meer mogelijkheden voor vrijere, melodische improvisatie.

Volgens eigen zeggen, werd Bill Evans beïnvloed door pianisten als George Shearing, Ahmad Jamal, Billy Taylor, Erroll Garner en Phineas Newborn. Zijn grillige frasering (het achter de beatspelen’ en daarna via een avontuurlijke inhaalmanoeuvre op tijd uitkomen) vertoont ook sporen van Lennie Tristano. Op zijn beurt heeft deze, voor de moderne jazzmuziek, buitengewoon belangrijke Bill Evans, die vooral in ballads de Europees-klassieke pianotraditie volgde, maar ten onrechte als een ‘introverte musicus’ werd beschreven, vele andere pianisten de weg gewezen, onder wie Herbie Hancock, McCoy Tyner en Keith Jarrett.

Trompettist Miles Davis vond dat Bill Evans - veelvuldig werkend met blokakkoorden en romantisch-impressionistisch aandoende klankkleuren – ‘piano speelde zoals het hoort’. Miles Davis nam de blanke Bill Evans in 1958 (tegen de zin van een aantal zwarte musici in) op in zijn groep, waarmee onder andere de baanbrekende LP ‘Kind Of Blue’ werd opgenomen, waarvan er miljoenen exemplaren inmiddels zijn verkocht. Bill Evans vormde na zijn periode bij Miles Davis, een erg vernieuwend trio met naast drummer Paul Motion ook bassist Scott La Faro.

In plaats van louter Bill Evans begeleiden, gingen de andere 2 trioleden voortdurend een harmonische en melodische samenspraak aan met de pianist. Deze formule voor gezamenlijke improvisatie, ruimtelijk en minder verticaal gebonden, werd in alle verdere groepen van Bill Evans gehandhaafd. Bill Evans stierf in 1980 ten gevolge van veelvuldig drugsgebruik. Hij is helaas slechts 51 jaar oud geworden, maar laat gelukkig een enorme discografie na.

Clifford Brown 24 juli 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

 

Clifford Brown werd in 1930 in Wilmington Delaware geboren en is één van de belangrijkste uitvoerende musici in de naoorlogse jazzontwikkeling geweest. Clifford Brown wist in zijn korte carrière een fenomenale trompettechniek te combineren met een sterk melodische opbouw van zijn soli en dat alles op een haast jubelende toon.

In zijn dynamiek van spelen en zijn zangerige voordracht van ‘slows’ is Clifford Brown slechts te vergelijken met Louis Armstrong en Dizzy Gillespie. Clifford Brown speelde in 1952 in de rhythm & bluesgroep ‘The Blue Flames’ van pianist Chris Powell, met o.a. tenorsaxofonist Jimmy Heath en slagwerker Philly Joe Jones. Het jaar daarop werkte hij voor enige tijd in de groep van pianist en arrangeur Tadd Dameron, waarna hij op tournee ging als lid van de trompetsectie in het jazzshoworkest van vibrafonist Lionel Hampton. Ook de toen nog onbekende talenten als: de trompettisten Art Farmer en Quincy Jones, altsaxofonist Gigi Gryce, tenorsaxofonist Clifford Solomon en trombonist Jimmy Cleveland speelden in deze letterlijk geruchtmakende big band mee.

Tijdens de reis door Europa maakte Clifford Brown, die binnen de Hampton-gelederen voornamelijk voor spektakel diende te zorgen, in Stockholm en Parijs, ondanks een verbod van Lionel Hampton, een serie platenopnamen. Vanaf 1954 speelde Clifford Brown voor korte tijd in de groep ‘Art Blakey & His All Stars’, met pianist Horace Silver en bassist Curley Russell, die als voorloper van ‘The Jazz Messengers’ kan worden beschouwd.  Na de verbintenis met Art Blakey, maakte hij tot zijn erg vroege dood in 1956, deel uit van één van de bekendste hard-bop groepen uit de jaren vijftig: ’The Clifford Brown - Max Roach Quintet’.  Tenorsaxofonisten die in dit geraffineerde ensemble hebben meegespeeld zijn: Teddy Edwards, Harold Land en Sonny Rollins. De pianisten waren: Carl Perkins en Richie Powell, de jongere broer van pianist Bud Powell en de bassist op bijna alle opnamen was George Morrow

 Midden 1956 kwam Clifford Brown tragisch om het leven, doordat de auto waarin hij en pianist Richie Powell zaten, onderweg van Philadelphia naar Chicago over de kop sloeg. Clifford Brown was nog geen 26 jaar oud. Voor veel jazztrompettisten is Clifford Brown, tot op de dag van vandaag, een lichtend voorbeeld. De bekendste composities van Clifford Brown zijn:’Joy Spring’, ‘Daahoud’ en ‘Sandu’ en worden nog altijd gespeeld door veel jazzmusici.

Stanl Getz 17 juli 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Dit maal heb ik het genoegen om het JazzProfiel te gaan presenteren van de in Philadephia uit een Russisch - joodse familie geboren en in de New Yorkse volkswijk The Bronx opgegroeide Stanley Getz. Hij was één van de belangrijkste blanke musici uit de jazzgeschiedenis, die met een schijnbaar moeiteloze instrumentenbeheersing en vingervlugheid wist te spelen.Stan Getz bezat ook een uitgesproken talent voor lyrisch – melodische improvisatie, met Lester Young als eerste belangrijke inspirator.

Stan Getz werd al op zijn vijftiende jaar profmusicus in de band van trombonist Jack Teagarden, mede doordat tientallen oudere tenorsaxofonisten toen namelijk onder de wapenen waren geroepen. Op zijn zestiende speelde hij bij Stan Kenton, op zijn zeventiende bij Jimmy Dorsey, op zijn achttiende bij Benny Goodman enop zijn twintigste bij Woody Herman. In dit laatste orkest speelde Stan Getz, als lid van de saxgroep, met Zoot Sims, Herbie Steward eveneens tenorsax spelend, en Serge Chaloff baritonsaxofoon, waarmee de vierstemmige Four Brother-sound werd geïntroduceerd. Stan Getz werd in de periode bij de Woody Herman-band als een wonderkind beschouwd,  door zijn onberispelijke techniek, zijn tere, bijna onaardse geluid en de uitgebalanceerde vertolkingen van stukken in langzaam tempo. In 1949 richtte Stan Getz zijn eerste eigen kwartet op, waarin onder andere de pianisten Al Haig, Duke Jordan en Horace Silver hebben gespeeld.

Drummers uit deze periode waren: Roy Haynes, Walter Bolden en Frank Isola en de bassisten: Tommy Potter, Bill Crow en Joe Calloway. In 1952 speelde Stan Getz met nog steeds met een lichte toon en met een voorkeur voor het hoge register. In de loop van de jaren vijftig werd zijn spel krachtiger en agressiever.  Zijn verslaving aan harddrugs, overigens al vanaf zijn tienerjaren, wist Stan in deze periode te overwinnen.

Als solist maakte Stan Getz tournees met de sterren formatie van ‘Jazz At The Philharmonic’. Ook was hij te horen en te zien in de film The Benny Goodman Story. Tijdens het North Sea Jazz Festival van 1990 kreeg Stan Getz, wiens spel ondanks lichamelijke kwalen een onbetwistbaar hoog niveau had behouden, de Bird-prijs uitgereikt. In het juryrapport stond: ‘Hij geeft emoties glans, maar verliest zich er niet in’. In 1991 overleed Stan Getz op 62 jarige leeftijd aan leverkanker en laat ons gelukkig een geweldig imposant oeuvre na.

 Tina Brooks 10 juli 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

In dit JazzProfiel ga ik de muziek en het carriereverhaal belichten van de op 7 juni 1932 in Fayetteville (New York), als Harold Floyd Brooks geboren tenorsaxofonist Tina Brooks, belichten.

 

Wie Tina Brooks’ leven reconstrueert, op grond van het weinige dat over hem bekend is, zal ontdekken dat zijn achtergrond niet wezenlijk verschilt van de zes jaar voor hem in North Carolina geboren John Coltrane: Een jeugd doorgebracht in een groot muzikaal gezin met veel religie en gospel, vervolgens naar de grote stad verhuist en kennis gemaakt met rhythm and blues en jazz.

 

Het Blue Note platenlabel had veel opgenomen platen van Tina Brooks wel aangekondigd, maar was vervolgens ‘vergeten’ deze uit te brengen.

Producer Alfred Lion:

‘That wasn’t released? You know, I don’t remember why. He was such a wonderful player. But there was so much going on in those days, that things could slip by. Every day was dealing with something new. I just don’t remember’

De bescheiden Brooks was er de man niet naar om Alfred Lion aan deze opnamen te herinneren, maar het kan niet anders dan dat hij toentertijd diep gekwetst is geweest.

Van de vier sessies die Tina Brooks als leider had opgenomen, is alleen het album ‘True Blue’ tijdens zijn leven uitgebracht.

 

Deze plaat ‘True Blue’, klinkt net wat evenwichtiger dan ‘Minor Move’. Het ensemblewerk is preciezer en ook de thema’s (5 van de 6 zijn van de hand van Tina Brooks), zijn sterker.

Maar het belangrijkste volgens mij is, dat zijn medespelers zich wat minder op de voorgrond plaatsen. Freddie Hubbard is hier net 22 jaar oud en zou nog de veelbelovende opvolger van Clifford Brown kunnen worden. Maar eigenlijk steelt pianist Duke Jordan de show. Hij begeleidt aandachtig en zijn soli zijn, volgens mij, een toonbeeld van fijnzinnigheid.

 

Op het album  ‘Minor Move’ speelt Tina Brooks samen met trompettist Lee Morgan, Sonny Clark piano, contrabassist Doug Watkins en drummer Art Blakey.

Dit is straight-ahead hard-bop van hoog niveau. En als ik dan toch een kritische kanttekening wil maken, dan is het dat de ego’s van Morgan en Blakey Tina Brooks een beetje in de schaduw drukken.

 

Hoe goed de individuele bijdragen ook zijn, producer Alfred Lion besloot deze opnamen niet uit te brengen, omdat hij het ensemblewerk niet volkomen gelijk vond klinken. Hij moet dan wel erg goede oren gehad hebben. Maar gelukkig is dit album later dan toch nog uitgebracht, want het zou, volgens mij een schande zijn geweest, als deze prachtige 6 tracks bevattende schijf nooit zou zijn uitgebracht.

 

Het is eigenlijk overigens nog steeds onbegrijpelijk, dat Tina Brooks tijdens zijn leven nooit een echte erkenning gekregen heeft. Zijn platen werden wel opgenomen met uiteraard de bedoeling om ze in omloop te brengen, maar om de een of andere onopgehelderde reden kwam het er niet van.

Het moet een nog machtelozer gevoel gegeven hebben dan geweigerd of ontkend te worden.

 

Iedereen vond Tina Brooks goed en een geweldige saxofonist, maar hij verdween vreemd genoeg in ‘de onscherpte’ zou ik haast willen noemen.

 

Op 13 augustus 1974 overleed Tina Brooks, op slechts 42 jarige leeftijd in New York City.

 

Op basis van het bovenstaande, is er voor mij alle reden dus, om Tina Brooks breeduit in ‘the spotlights’ te plaatsen in zijn eigen JazzProfiel bij Rick FM

 Wes Montgomery 3 juli 2016 in de 850ste ‘All That’s Jazz’.

 

Jazzkenner en radiopresentator Rolf Polak presenteert zondag 3 Juli voor de  850ste (!) keer het radioprogramma 'All That's Jazz'.Vele liefhebbers van jazzmuziek weten hem al jaren op RICK FM te vinden: Rolf Polak.
Al vele jaren maakt hij iedere zondagavond tussen 21.:00 en 23:00 uur het radioprogramma 'All That's Jazz'.
Zondag 3 juli kunt u luisteren naar de 850ste(!) uitzending van dit radioprogramma.
In deze uitzending hoort u uiteraard voortreffelijke jazz, en in het  'JazzProfiel' aandacht voor Jazzgitarist
 Wes Montgomery.
 
 

Willis Jackson 26 juni 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Willis 'Gator' Jackson maakt eerst naam als R&B-tenorsaxofonist. Daarna verlegt hij zijn stijl naar de hardbop en soul-jazz. Jackson werd geboren in Florida, waar hij als tiener speelt met de beroemde trompettist Fats Navarro.
 

Herbie Nichols 19 juni 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 3 januari 1919 in Manhattan New York als Herbert Horatio geboren Amerikaanse jazzpianist én componist Herbie Nichols.

Hij is de zoon van immigranten uit Trinidad en St. Kitts. Hij groeide op in de wijk Manhattan San Juan Hill, een Afro-Amerikaanse wijk waar ook het Lincoln Center Kunstcomplex staat. De wijk is de thuisbasis van vele muzikale grootheden, met inbegrip van de stride-pianist James P. Johnson en later Thelonious Monk. Herbie Nichols begon zijn pianostudie op 9-jarige leeftijd.

 

Tijdens zijn leven heeft Herbie Nichols nooit de echte erkenning gekregen die hij verdiende.

Zijn bekendst geworden compositie is: ‘Lady Sings The Blues’.

Zoals het zo vaak gaat, kreeg Nichols pas na zijn dood in 1963, op 44-jarige leeftijd ten gevolge van leukemie, pas zijn muzikale erkenning en is hij tijdens zijn carrière altijd onderschat gebleven.

 

Sindsdien vormt hij voor vele generaties van musici en jazzliefhebbers over de gehele wereld een inspiratiebron door zijn hoekige manier van spelen en haast ritmisch-gebeeldhouwde harmonieën.

Bij het beluisteren van zijn haast elektrisch geladen spel, wordt het snel duidelijk dat Herbie Nichols als bijzondere originele pianostylist en componist beïnvloed is door piano-innovators als Bud Powell en Thelonious Monk.

 

Na zijn dienstperiode tijdens de Tweede Wereldoorlog, ging Herbie Nichols in een groot aantal verschillende groepen spelen, die zich allemaal met de toen opkomende bebopjazz bezig hielden.

Hoewel, om zijn rekeningen te kunnen blijven betalen, speelde hij ook in diverse Dixieland-bands.

 

De stijl van spelen van Herbie Nichols is een mix van swing, West Indische folkmuziek, Thelonious Monk, Bud Powell, Europeesche klassieke harmonieën van Satie en Bartók en onorthodoxe structuren, die voor het toenmalige jazzpubliek te complex en dus moeilijk plaatsbaar waren.

 

Pianiste Mary Lou Williams was de eerste die een compositie van Herbie Nichols op de plaat liet vastleggen, het was het nummer: ‘Stennell’, later in 1951 omgedoopt tot: ‘Opus Z’.

Voor zangeres Billie Holiday schreef Herbie Nichols het eerder genoemde: ‘Lady Sings The Blues’, maar eigenlijk kreeg geen van Nichol’s werk de aandacht die het verdiende.

 

Bij het Blue Note-platenlabel kreeg Herbie Nichols de mogelijkheid om een contract te tekenen, dat drie briljante pianoplaten in trioverband opleverde. In totaal 30 steengoede nummers en 18 zogeheten alternate takes die zoveel mogelijk in dit JazzProfiel aan bod zullen komen. Op deze 3 albums speelt Herbie Nichols met de bassisten Al McKibbon en Teddy Kotick en met de drummers Art Blakey en Max Roach. Ook bijzonder is, dat van de 30 nummers er 29 van Nichols zijn en 1 van George Gershwin.

 

Alle nummers zijn niet echt te classificeren qua stijl, dus uniek en straight-ahead. Voor de echte liefhebber van moderne jazzmuziek, durf ik dit dus essentiële muziek te noemen. Datzelfde jaar verschijnt ook nog bij Blue Note het album: ‘Herbie Nichols Trio’ met dezelfde bezetting.

In 1957 volgt dan nog voor het Bethlehem-label het album: ‘Love, Gloom, Cash, Love’ met contrabassist George Duvivier en drummer Danny Richmond.

 

Zelfs in 1982 waren er weinigen die de naam van Herbie Nichols kenden, laat staan zijn muziek speelden. De Nederlandse avant-gardepianist Misha Mengelberg bracht dat jaar een groep bijeen rondom trombonist Roswell Rudd geformeerd, om op het album ‘Regeneration’ o.a. 3 nummers van Nichols te laten vastleggen. Deze nummers werden gespeeld door musici als trombonist Roswell Rudd, sopraansaxofonist Steve Lacy, bassist Kent Carter, pianist Misha Mengelberg en drummer Han Bennink.

 

Na zijn platensessies, trok Herbie Nichols zich terug, en juist op het moment dat hij opnieuw verschillende avontuurlijke nieuwe dingen met opkomende musici begon uit te proberen, werd hij getroffen door leukemie en stierf hij hieraan op 12 april 1963 op 44-jarige leeftijd.

Cal Tjader 12 juni 2016 in ‘All That’s Jazz’.

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 16 juli 1925 in St. Louis (Missouri) geboren vibrafonist Callen Radcliffe (Cal) Tjader Jr.

Hij werd uit Zweeds-Amerikaanse ouders geboren. Zijn vader was tapdanser en zijn moeder speelde piano. Samen trokken ze van stad naar stad om geld te verdienen.

Toen Cal 2 jaar oud was, verhuisden zijn ouders naar San Mateo in Californië en openden ze een dansstudio. Van zijn moeder leerde Cal Tjader piano spelen en zijn vader leerde hem dansen.

In de regio trad de jonge Cal op als Tjader Junior en stond hij bekend als een getalenteerde tapdanser. Ook speelde Cal Tjader een kleine rol in de film ‘The White Of The Dark Cloud Of Joy’ met Bill Bojangles Robinson.

 

Op zijn 14e leerde Cal Tjader zichzelf drummen en zo ging het met vrijwel ieder instrument dat hij bespeelde, hij leerde het zichzelf namelijk aan. Alleen in het bespelen van piano en pauken kreeg hij enkele lessen, daarnaast bespeelde hij voornamelijk de vibrafoon.

Toen Cal Tjader 16 jaar oud was nam hij deel aan een drumwedstrijd van Gene Krupa. Hij behaalde de finale, maar wist niet te winnen. Zijn verlies werd echter overschaduwd door een tragische gebeurtenis, namelijk de Japanse aanval op Pearl Harbor.

 

In 1943 diende Cal Tjader tot 1946 als hospik in het Amerikaanse leger. Als ex-soldaat mocht hij studeren aan het San Jose State College en volgde hij een opleiding tot leraar. Later stapte hij over naar het San Francisco State College en volgde daar o.a. zijn eerste paukenlessen.

 

In San Francisco ontmoette Cal Tjader Dave Brubeck, die hem introduceerde aan Paul Desmond. Met z’n drieën gingen ze op zoek naar andere muzikanten en vormden zo het Dave Brubeck Octet, waarin Cal Tjader drums speelde. De band experimenteerde met jazz en maakte gebruik van niet-Westerse composities. Ondanks het feit dat ze maar één album opnamen, wordt door velen die periode gezien als de geboorte van een aantal jazzstandards.

Na het uiteenvallen van de band, begonnen Tjader en Brubeck een trio, in de hoop meer werk te vinden. Zij slaagden hierin en het trio werd een graag geziene gast in jazzclubs in San Francisco.

Cal Tjader leerde zichzelf in die tijd om de vibrafoon beter te bespelen en combineerde dat instrument met het drumstel, afhankelijk van het nummer dat werd gespeeld.

In 1951 werd het Dave Brubeck Trio gedwongen te stoppen, nadat Brubeck zwaargewond raakte bij een duikongeluk.

 

Tjader ging samenwerken met Alvino Rey en behaalde zijn diploma op San Francisco State. In die periode trad hij ook regelmatig op als bandleider van zijn eigen orkest.

In 1953 werd Cal Tjader gevraagd door pianist George Shearing in de hoop dat de sound van zijn band zou worden opgevijzeld door toevoeging van de vibrafoon. Shearing besloot later richting de Latinstijl te gaan, waarop Cal Tjader zichzelf ook leerde om de conga’s te bespelen. In datzelfde jaar werd Tjader genomineerd voor de prijs van ‘Best Star On The Drums’.

 

In New York City regelde bassist Al McKibbon een ontmoeting voor Tjader met een aantal Afro-Cubaanse big bands die werden geleid door Machito en Chico O’Farril. Ook ontmoette hij Mongo Santamaria en Willie Bobo. George Shearing nodigde beide muzikanten uit om mee te spelen in zijn nieuwe Latin-band.

Een misvatting die vaak heerst, is dat Cal Tjader in die tijd de vibrafoon in de Latinjazz heeft geïntroduceerd. Velen, waaronder John Storm Roberts menen echter dat die eer naar Tito Puente dient te gaan, gezien het feit dat hij jaren eerder al exotische melodieën op de vibrafoon speelde. In mei 1982 stierf Cal Tjader op 56-jarige leeftijd in het harnas: tijdens een toer kreeg hij een hartaanval.

Scott LaFaro 5 juni 2016 in ‘All That’s Jazz’.

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 3 april 1936 in Newark geboren contrabassist Scott La Faro. In zijn tragisch korte leven, is hij toch een belangrijke schakel geweest in de verdere ontwikkeling van het basspel, na het baanbrekende werk van Jimmy Blanton in het begin van de jaren ’40.

Vooral zijn functioneren in het trio van pianist Bill Evans in de periode 1959 t/m 1961, dient nu als standaardnorm voor volgende generaties van bassisten. Aanvankelijk speelde Scott La Faro klarinet en tenorsax, maar in 1953 werd de contrabas zijn hoofdinstrument. La Faro startte met spelen in diverse rhythm & bluesformaties en ook in de big band van Buddy Morrow, waarna hij zich in 1958 in Los Angeles vestigde. Daar maakte hij opnamen met o.a. pianist Victor Feldman en tenorsaxofonist Stan Getz. Ook toerde Scott La Faro met trompettist Chet Baker en werkte met musici als Ira Sullivan, Barney Kessel, Cal Tjader, Benny Goodman en vele anderen. De rotsvaste manier van begeleiden van Ray Brown en de vrijere en meer solistische spelopvatting van Gary Peacock, werden door Scott La Faro samengesmeed tot een ideale combinatie, die in het trio van Bill Evans, met drummer Paul Motion, volledig tot haar recht kwam. La Faro manifesteerde zich in deze drie-eenheid, vastgelegd in de studio en via live-reportages uit de New Yorkse jazzclub ‘The Village Vanguard’, eerder als inspirerend en stimulerende ‘gesprekspartner’ van de pianist, dan als dienend achtergrondfiguur. Harmonische onderbouw en melodische interrupties, wisselden elkaar bij Scott La Faro voortdurend af. Als medespeler vulde hij aan, gaf hij commentaar en droeg hij oplossingen aan. Als virtuoos solist in het hoge register toonde Scott La Faro zich een musicus die de traditionele grenzen van zijn instrument overschreed en ‘dacht’ als een pianist, gitarist of blazer.

Opnamen met altsaxofonist Ornette Coleman tonen aan dat Scott La Faro’s rol in de free jazz van de jaren ’60 minstens zo belangrijk had kunnen worden als die van ondermeer Gary Peacock, Charles Mingus en Charlie Haden. Een tragisch auto-ongeluk maakte echter op 6 juli 1961 een vroegtijdig einde aan zijn leven. Scott La Faro is slechts 25 jaar oud geworden.

 Christian Escoudé 29 mei 2016 in ‘All That’s Jazz’.

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de in 1947 in Angoulême in het Franse departement Charente geboren Christian Escoudé.

Zijn vader is zigeuner en hoe kan het ook anders tevens gitarist, met een grote passie voor de muziekstijl die is vormgegeven door Django Reinhardt. Deze muzikaliteit heeft vader Escoudé doorgegeven aan zijn zoon Christian, die op 10-jarige leeftijd startte met het gitaarspel.

Vijf jaar later begon de nog kleine Christian aan een muzikale professionele carrière.

Christian is dus onderdeel van een kleine jazz-gitaarfamilie die onderdeel uitmaakt van de Manouche gemeenschap.

Christian Escoudé bouwde een unieke stijl op, een mix van bebop vermengd met zigeunerinvloeden. In zijn spel geeft Christian blijk van een groot melodisch gevoel, gebruik makend van de swingende ‘gipsysound’, dus met veel vibrato en portamento en dat alles geeft een warm diep geluid.

Ook onderscheidt Escoudé zich door zijn persoonlijke manier van spelen, waarbij hij gebruik maakt van arpeggio’s op de halve tonen.

Christian Escoudé’s carrière krijgt in 1972 een wending wanneer hij in de ‘Jazz Inn’ samen speelt met Hammondorganist Eddy Louiss, Bernard Lubat en Aldo Romano. Later zal hij zich aansluiten bij Didier Levallet’s ‘Swing String System’ en ook bij Michel Portal’s ‘Michel Unit’.

In 1976 ontvangt Christian Escoudé uit handen van de L’Academie du Jazz de prestigieuze ‘Prix Django Reinhardt’.

In diezelfde periode vormt hij zijn eigen kwartet met Michel Graillier, Aldo Romano en Alby Cullaz, welke laatste al snel vervangen wordt door Jean-François Jenny-Clark.

Maar ook heeft Escoudé gespeeld met Michel Portal, Slide Hampton, Martial Solal en Jean-Claude Fohrenbach.

Tijdens het Festival van Nice in 1978, wordt Christian Escoudé de mogelijkheid geboden om platenopnames te realiseren met het kwartet van de grote pianist John Lewis. Maar ook gaat hij op dit festival samen spelen met de jazziconen: tenorsaxofonist Stan Getz, pianist Bill Evans, trompettist Freddie Hubbard, altist Lee Konitz en drummers als Philly Joe Jones, Shelly Manne en Elvin Jones.

Vanaf 1978 neemt Christian Escoudé elk jaar deel aan het Festival van Samois, georganiseerd als eerbetoon aan Django Reinhardt.

Christian Escoudé is dus een erg drukbezette musicus, die al erg veel albums op zijn naam heeft staan en is op veel festivals en tijdens concerten te bewonderen.

 

Mal Waldron 22 mei 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Malcolm Earl Waldron, alias Mal Waldron, werd op 16 augustus 1926 in New York City geboren. Waarschijnlijk omdat hij in deze stad werd geboren, hield hij zich vooral als pianist bezig met hard-bop en free-jazz. Hierbij werd Mal Waldron vooral geïnspireerd door Thelonious Monk.

 

Nadat hij in 1950 een kleine prijs mocht ontvangen, ging Mal Waldron samenwerken met

Ike Quebec, Big Nick Nicholas en in verschillende blues- & rhythm-groepen.

Ook werkte hij meerdere malen in 1954 bij bassist Charles Mingus.

 

Van 1957 tot 1959 was Mal Waldron de begeleidende pianist van zangeres Billie Holiday totdat zij overleed.

Na de dood van deze grootse zangeres Billie Holiday, begon Mal Waldron eigen groepen samen te stellen en te leiden en nam hij meerdere albums op voor het Prestige-label.

In deze periode schreef hij ook de jazzstandard: ‘Soul Eyes’, een nummer dat vooral bekendheid kreeg door de versie van saxofonist John Coltrane.

 

Mal Waldron’s manier van spelen was uniek, hij speelde zijn baspartij met de linker hand een geheel octaaf lager en zijn solopartijen zijn vooral te vergelijken met die van Red Garland.

 

Mal Waldron is niet alleen als leider te beluisteren op diverse albums, maar ook als sideman bij John Coltrane, Eric Dolphy, Clifford Jordan, Archie Shepp, David Murray en Booker Little.

 

In 1963 raakte Mal Waldron enorm overspannen en moest hierna zijn techniek weer onder controle krijgen, vermoedelijk door het opnieuw beluisteren van zijn eigen opnamen.

 

Na 1965 verhuisde Waldron naar München en daarna naar Brussel. Uiteraard keerde hij soms terug naar de VS om daar opnieuw op te treden.

In de jaren ’80 en ’90 werkte hij veel met Steve Lacy en Embryo.

 

Mal Waldrons gezondheid ging geleidelijk achteruit en in 2002 overleed hij op 76 jarige leeftijd in Brussel.  

Houston Person 15 mei 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Ditmaal een JazzProfiel van de op 10 november 1934 in Florence, South Carolina geboren tenorsaxofonist Houston Person. Deze saxofonist komt voort uit de Gene Ammons-school. Allemaal saxofonisten met een breed geluid en een stijl die gebaseerd is op de blues en de ballads; de boss-tenors. Op het befaamde Prestige-label, later op Muse en recentelijk HighNote heeft Person talloze swingende groovy platen gemaakt met o.a. Sonny Philips, Cedar Walton, Cecil Bridgewater, Grant Green, Boogaloo Joe Jones en Joey DeFrancesco

Maar in zijn jeugd dacht Houston’s moeder dat de piano, voor hem als kind, het juiste instrument voor hem zou kunnen zijn.

 

Eigenlijk had Houston Person weinig interesse in muziek, totdat hij jazzplaten begon te verzamelen. Op 17-jarige jarige leeftijd, startte Person met het bespelen van de tenorsaxofoon. Tijdens het vervullen van zijn militaire dienstplicht in Duitsland, speelde hij in groepen, waarin ook tenorsaxofonist Eddie Harris, de altisten Lanny Morgan en Leo Wright, pianist Cedar Walton en drummer Lex Humphries in mee speelden. Houston Person startte zijn studie allereerst aan de Hartt School Of Music, voordat hij ging toeren met Johnny Hammond, een Amerikaanse soul-jazz en hardbop Hammondorganist.

Na zijn dienstverband met Johnny Hammond, volgden meer samenwerkingsverbanden, ook weer met andere Hammondorganisten. Maar eerst formeerde Houston Person zijn eigen groep, die met wisselende bezettingen, een aantal albums liet opnemen. In de periode 1968 tot 1973, ging Houston Person regelmatig werken met zangeres Etta Jones in nachtclubs en ook in concertverband. Tussendoor ging Houston Person door met het maken als leider van grammofoonplaten.

 

Ook ging hij als sideman werken in het kwintet van Hammondorganist Richard Groove Holmes, met  organist Charles Earland en in duo-verband met Ran Blake. In 1984 trad Houston Person op tijdens ‘Le Grande Parade Du Jazz’ in het Franse Nice. De invloed van de rhythm and blues is duidelijk te horen in Person’s swingende stijl van spelen. In dat alles met een volle tenorsound, dat vooral in bluesnummers en in ballads met een persoonlijke stijl in dit JazzProfiel te beluisteren zal zijn.

Ted Curson 8 mei 2016 in ‘All That’s Jazz’.

In dit nieuwe ‘JazzProfiel’ presenteer ik het carrièreverhaal en laat veel muziek horen van de op 3 juli 1935 als Theodore Curson in Philadelphia geboren trompettist Ted Curson.

Op 4 november 2012 overleed hij in zijn woonplaats Montclair, New Jersey op 77-jarige leeftijd. Hij begon muziek te studeren aan de High School, samen met de broers Albert, Percy en Jimmy Heath, die ook zijn buren waren.

Ted Curson werd op jonge leeftijd voornamelijk beïnvloed door de muziek gespeeld door de trompettisten Clifford Brown en Johnny Splawn.

 

Ted Curson begon in de zomer van 1953 zijn carrière door te gaan samenwerken met tenorsaxofonist Charlie Ventura, totdat hij, o.m. door de aansporingen van Miles Davis, in 1956 naar New York verhuisde. Hij startte daar in ‘Birdland’ met het samenwerken met pianist Red Garland en vibrafoniste / accordeoniste Vera Auer.

Na deze samenwerkingsperiode, ging Ted Curson zich in 1959 meer en meer bewegen in de toen ontstane free jazz stroming en werkte o.a. met de vooruitstrevende pianist Cecil Taylor. Ted Curson’s platendebuut was dan ook met diezelfde Cecil Taylor met het album: ‘Love For Sale’

Na deze onstuimige periode kreeg Ted Curson het aanbod om in de jaren zestig te komen spelen in de groep van bassist Charles Mingus.

In deze groep speelde ook de saxofonisten Eric Dolphy en Booker Ervin.

 

Vermeldenswaard is, dat Ted Curson met de Mingus band een behoorlijk aantal platen heeft opgenomen, waarna hij in 1961 zijn eigen plaat: ‘Plenty Of Horn’ opnam.

Sindsdien verschenen er maar liefst 16 albums onder eigen naam, waarvan de bekendste:  ‘Tears For Dolphy’ werd, dat in 1964 in Parijs werd opgenomen. Deze albumtitel is vernoemd naar het gebruik hiervan in Pasolini’s film ‘Teorama’.

 

Ook neemt Ted Curson deel aan opnames van Archie Shepp, Andrew Hill en Bill Barron.

Als sideman is Ted Curson te beluisteren op meer dan 300 albums.

Ondanks deze geweldige productie, is Ted Curson nooit echt doorgebroken. Wel toerde hij regelmatig door Europa, vestigde zich in Denemarken en werd vooral in Finland bekend. Hier is hij altijd een gevierde muzikant geweest en verscheen daar jaarlijks op het ‘Pori Jazz Festival’.

 

Pierre Courbois 1 mei 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Op 6 november 1957 had Pierre Courbois zijn eerste live optreden achter het drumstel en dat is dus deze week exact 58 jaar geleden. Een mooie gelegenheid dus om in All That’s Jazz bij dit heugelijke feit stil te staan!

Als Rick FM presentator, wil ik Pierre Courbois hier van harte mee gelukwensen en spreek de hoop uit dat hij nog lang en vitaal onder ons Nederlandse jazzliefhebbers mag blijven verkeren en excelleren.

 

Als ik het carrièreverhaal van Pierre Courbois begin te presenteren, dan realiseer ik mij bijzonder goed, dat ik het hier zal hebben over één van de weinige nog levende legenden van de Nederlandse Jazzwereld. Daarnaast beschikt Pierre over een sterke warme persoonlijkheid en heeft door een jarenlange intensieve werkervaring een solide reputatie weten op te bouwen in en ver buiten Nederland.

Pierre is als zoon van een juwelier op 23 april 1940 in Nijmegen geboren.

Hij studeerde drums en percussie, compositieleer en piano aan de Hogeschool der Kunsten in Arnhem en rondde zijn studie in 1960 af, dus al op 20 jarige leeftijd.

 

Aan interviewer Tom Beetz heeft Pierre Courbois in ‘Jazz Nu’ nummer 141 in augustus 1990 een uitgebreid interview afgegeven met als kop:

“Ik schijn het stempel van freak op mijn voorhoofd te hebben”.

Hoe kan je het zeggen, als je zo’n uitermate originele musicus en componist bent.

Maar het was een zodanig boeiend stuk dat ik het als liefhebber van Pierre’s muziek altijd heb bewaard. Hij onthult b.v. in dit artikel dat hij in 1990 al vanaf april uitgeschakeld is geweest door een zeldzame ziekte, die van Klippel-Trénauney, een aangeboren afwijking aan de bloedvaten die tot gevolg heeft dat Courbois aan chronische pijn lijdt.

Maar verder niets van een treurnis in dit artikel, maar juist positivisme. Zo verteld Pierre dat hij zich al op jonge leeftijd aangetrokken heeft gevoeld tot het drumstel.

 

Ja, over die drums, dat boeit mij bijzonder, want Pierre Courbois legde aan interviewer Tom Beetz uit dat doordat hij altijd problemen had met zijn benen, hij de pedalen steeds verder is gaan verbeteren. Zo ontdekte hij dat je veel meer met de pedalen kunt doen dan de gemiddelde drummer doet.

Het resultaat was zodanig bijzonder dat op een tournee door Japan allerlei fotografen op hem afkwamen, en dat speciaal om die verbeterde pedalen te komen fotograferen. Pierre heeft helaas geen patenten voor deze speciaal ontwikkelde pedalen aangevraagd, anders zou hij indertijd misschien wat beter in zijn slappe was gezeten hebben. Het bijzondere was dat Pierre nl. een dubbel pedaal gebouwd had, waarmee je met 2 voeten op 1 basdrum kunt spelen en omdat Pierre veel met het vliegtuig reist, is het vervoer van een uitgebreid drumstel vreselijk duur en door die dubbele pedaal spaarde Pierre een complete basdrum uit. Zo is Pierre constant aan verbeteringen blijven werken. Ik vind dit een buitengewoon boeiend verhaal, want Pierre blijkt naast de drummer en componist ook nog uitvinder te zijn.

 

Ook las ik dat Pierre ontdekte dat er een merkwaardig verschijnsel is dat vaak niet samengaat, nl. het fenomeen drummer en slagwerker. Veel presentatoren kondigen de drummer nl. nog steeds aan als slagwerker. Zelf gebruikt Pierre altijd drummer en dus geen slagwerker en als je hem hiernaar vraagt antwoord hij consequent met: “Dat komt omdat een drummer wel een slagwerker is, maar lang niet iedere slagwerker ook een drummer is”. Pierre is tot de conclusie gekomen dat je een drummer bent als je begeleidt en een slagwerker als je soleert en goed begeleiden en goed soleren gaan niet samen volgens Pierre.

 

Nadat Pierre Courbois in 1960 zijn studie beëindigde vertrok hij naar Parijs waar hij in de legendarische Blue Note Jazzclub met veel jazzgroten heeft samengewerkt.

Hierna heeft Pierre in veel internationale groepen gewerkt en over de hele wereld gezworven.

Pierre Courbois behoort tot één van de eerste musici in Europa die experimenteerde met geïmproviseerde muziek. In 1961 werd hij de leider van The Original Dutch Free Jazz Quartet en in 1965 startte hij een andere groep The Free Music Quintet, dat op het ESP-label te beluisteren is.

 

In 1992 startte Pierre onder eigen naam een kwintet en voor het eerst in zijn carrière liet hij eigen compositie horen, met goede recensies van critici en publiek, want Pierre was naar de Charles Mingus traditie teruggekeerd, dus met een thema, melodieuze ensemble-jazz en experimenten met improvisaties.

Tijdens het North Sea Jazz Festival van 1994 ontving Pierre Courbois de hoogste erkenning door de Bird Award in ontvangst te mogen nemen, vernoemd uiteraard naar jazzgigant Charlie ‘Bird’ Parker en in 2008 de VPRO/Boy Edgar Prijs.

Diederik Rijpstra 24 april 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Ja, dit wordt een uitzending met bijzondere en originele muziek van de veelzijdige Nederlandse trompettist Diederik Rijpstra. Rijpstra woont momenteel in New York en hij is een veelbelovende en originele ‘New Kid on the Block’. Een onconventionele, intuïtieve en emotionele speler met een warme en subtiele klank. Een intrigerende componist die zich laat inspireren door onder meer Radiohead, Philip Glass en geluiden uit zijn dagelijks leven. De unieke karakters van zijn bandleden klinken diep door in de muziek.

Zijn huidige groep, Diederik Rijpstra’s WAMPUM, met Joost Lijbaart (winnaar Dutch Jazz Competition 2002 en o.a. lid van het Yuri Honing Trio), Clemens van der Feen (o.a. semi-finalist van The Thelonious Monk Competition), en Dimitar Bodurov (winnaar Young Pianist Foundation Jazz Competition 2007) is op speelse en verrassende wijze op zoek naar diversiteit in de muziek.

De groep speelt moderne composities waarin lyriek en heftige interactiviteit elkaar aanvullen. Onlangs bracht Diederik zijn nieuwe album ‘Wampum’ uit, met onder andere unieke duo-improvisaties met Eric Vloeimans. Onlangs nam hij in New York op met Andy Milne, Greg Ritchie, Zack Lober en Keisuke Matsuno voor zijn nieuwe album.

In het voorjaar van 2012 werkte Diederik samen met Ayanna Witter Johnson. Ayanna is een begenadigde zangeres, celliste en componiste. Ze won vorig jaar The Apollo Amateur Night in New York, waar ook Michael Jackson en Ella Fitzgerald bekend zijn geworden. Het project heet ‘The Open Song Project’ en het duo werd voor enkele concerten begeleid door het Amsterdamse piano trio Tin Men And The Telephone.

Sinds kort is Diederik ook werkzaam als componist buiten de akoestische jazz.  Hij componeerde muziek op gedichten van Leo Vroman voor het festival van diens 90e verjaardag, onder andere uitgevoerd door Bernlef (schrijver boekenweekgeschenk 2008) Tevens componeerde hij een aantal stukken voor het Holland Festival in 2009 en 2011. Ook schreef en bewerkte hij muziek voor de dansvoorstelling ChoreOBJECTograhy (choreografie Keeley Walsh, New York). Op 16 september was de première van zijn eerste arrangement voor big band en strijkers, de Oncofonie, te horen in Koninklijk Theater Carré in Amsterdam.

Diederik gaf jaren geleden de aanzet tot de oprichting van QUINCEY, wat nu een van de meest innovatieve jazzkwintetten van Nederland is. Momenteel is QUINCEY al bezig aan haar vierde album. In 2004 maakte Diederik een 10-daagse tournee met het Gideon van Gelder Kwartet in Amman, Jordanië, waarbij de koninklijke familie meerdere malen aanwezig was. 

Twee jaar later behaalde hij met QUINCEY de finale van de Dutch Jazz Competition en speelde met deze band op het North Sea Jazz festival. In datzelfde jaar trad hij op als gastsolist bij Room Eleven (momenteel de meest populaire pop/jazzband van Nederland, in 2008 o.a. genomineerd voor een Edison Award), ook op North Sea Jazz. In september 2007 won Diederik de Dutch Trust Carnegie Award en gaf een concert in de Carnegie Hall, New York, met Jonathan Batiste, bekend als pianist van Wynton Marsalis.

Verder maakte hij drie cd's met QUINCEY die zeer goed ontvangen werden door de pers. Diederik Rijpstra speelde onder andere met Benjamin Herman, Harmen Fraanje en Jesse van Ruller en op podia als het Bimhuis, Sjuhuis, Beauforthuis en Regentenkamer.

Iman Spaargaren 17 april 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Deze nieuwe aflevering van: ‘Het JazzProfiel’ wordt een uitzending met zéér bijzondere  en originele muziek van de veelzijdige Nederlandse rietblazer Iman Spaargaren. Ik ben blij om hem voor het eerst in het programma te halen. Als ik start met zijn carrièreverhaal, dan valt direct op dat Iman zijn studie begonnen is bij niet de minste leermeesters: Benjamin Herman, Simon Rigter en Ben van den Dungen.  Op het Rotterdamse Conservatorium Codaerts behaalde Iman Spaargaren vervolgens zijn Masters Degree. En voor zijn bachelors studeerde Spaargaren bij Ferdinand Povel en Dick Oatts aan het Conservatorium van Amsterdam. In 2006 formeerde Iman Spaargaren de groep ‘Captain Hook’ en won met hen dat jaar de prestigieuze Dutch Jazzcompetition. In deze groep spelen ook gitarist Santen Sulkunen, Sebastian Gampert op Fender Rhodes, bassist Dave Sahanaja en ook drummer Pieter-Jan Nijessen.

In 2007 kreeg Iman Spaargaren de gelegenheid om mee te dingen naar de Erasmus Jazzprijs en speelde met de ‘New Generation Bigband’. In datzelfde jaar 2007 verscheen het 2e album ‘F.ex’ van Captain Hook, gevolgd door een serie concerten met het Moderne Klassieke Saxofoon Quartet ‘Esquire’. Met de groep ‘Thelonious 4’ produceerde Iman Spaargaren in 2008 zijn eerste album en met het ‘European Union Quartet het album: ‘The Dark Peak’ met 4 van de 9 nummers, gecomponeerd door, u raadt het al, door Iman Spaargaren zelf.  U hebt ongetwijfeld al in de gaten dat onze hoofdpersoon vanavond, een druk bezette musicus is, want geheel 2009 stond in het teken van allerlei optredens van zijn groep ‘Capatain Hook’, zowel in het Bimhuis, tijdens 'De Parade' en in allerlei radio-  en televisieprogramma’s.

In de jaren 2008 t/m 2010 ging Iman Spaargaren met het European Union Quartet toeren door Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk en door Ierland.  Ook trad Iman Spaargaren op in diverse televisieshows, dit keer als lid van de New Generation Big Band. 2010 was weer een erg succesvol jaar voor Iman Spaargaren, want toen bracht hij met zijn eigen Quartet en Sextet het album ‘Flow’ uit, waarop hij met erg aansprekende Nederlandse musici op samen speelt, zoals fluitist Mark Lotz, gitarist Marzio Scholten, bassist Cord Heineking, drummer Klaas van Donkersgoed, trompettist Gerard Kleijn, altiste Marike van Dijk, Santeri Sulkunen gitaar en drummer Mark Coehoorn. 

Armando Cairo 10 april 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Armando Cairo Ç Tenor saxophone, Soprano saxophone and Drums. Armando Cairo was born in Amsterdam the 21st of March in 1953. He studied painting and portrait painting and graduated at the Rietveld Academy of Arts in 1976. At age twenty-four he started playing the tenor saxophone. He took lessons, for two years from be-bop alto player, Ron Rem. Armando moved on to the workshops of Nedly Elstak (Trumpetplayer, Composer and Arranger). After the beginners-workshop he attended Nedly's Composer- and Arrangingclasses.

In 1982 he won the Meervaart Jazz Concours and the VPRO Aanmoedigings award with the Armando Cairo Quintet. He played in several Dutch Jazzgroups: amongst others, Fra Fra Sound, the Frank Grasso Big band, Rockin' the Reeds, Fonk, Quartet Tritonus and still with the Billy Brooks Big Band. Armando toured with the Dutch Connection (direction by Butch Morris) and the South African Joe Malinga Septet. Armando fronted a group for two years with Jeldrik IJland - Alto saxophone, Essiet 'Okun' Essiet - Double Bass and Don Mumford - Drums. In 1987 he formed the Armando Cairo Sextet, featuring Martin van Duynhoven - Drums, Wilbert de Joode - Double Bass, Joost Buis - Trombone, Jos Driessen - Trumpet and Jeldrik IJland - Alto saxophone. This group played originals and arrangements by Armando only.
Armando Cairo appeared four times at the North Sea Jazz Festival, once with the Frank Grasso Big Band and three times with his own groups.
Armando also played tenor- and soprano saxophone, for two years, in the 'Harlem Orchestra', the band that accompanied the very succesfull musical A night at the Cotton Club.

He toured in Europe; through Belgium, France, Germany, Switzerland and Austria and in 2001 he performed for the first time in the United States, in Hartford CT.
Since 1994 he is leading the 'Armando Cairo Quartet', featuring Clarence Becton - Drums, Eric Barkman - Double Bass and Cajan Witmer - Piano. This group recorded two cd's: Redheaded Sirens in 1996 and Tenor Brutality! in 1999. Since 1999 Johnny Tevreden replaces Eric Barkman.
Armando Cairo admires tenors with The Big Sound like Don Byas, Coleman Hawkins, Dexter Gordon, Eddie ‘Lockjaw’ Davis, Clifford Jordan, Paul Gonsalves, Gene Ammons, John Gilmore, Red Prysock, Arnett Cobb, Bennie Wallace, Archie Shepp, Big Jay McNeely, Stanley Turrentine, Lucky Thompson, Ben Webster, Charlie Rouse, Ike Quebec, Lew Tabackin and especially Sonny Rollins.
In the past Armando also organized jazz-concerts in Amsterdam venues like: Odeon Jazzkelder, Bourbon Street, The Bulldog and Arti et Amicitae. At this time he organises the fridaynight jamsessions at the notorious jazzcafe 't Geveltje. In 1985 Armando Cairo started to teach jazz improvisation at Crea, the Cultural Department of the University of Amsterdam. In 1986 he also became the musical director of the Crea Big band, for which he also arranges and composes.

The ‘Crea Big band’ appears regularly with versatile Dutch jazz soloists. In alphabetical order: Joost Buis - Trombone, Candy Dulfer - Alto saxophone, Hans Dulfer - Tenor saxophone, Anton Goudsmit - Guitar, Maarten van der Grinten - Guitar, Rinus Groeneveld - Tenor saxophone, Benjamin Herman - Alto saxophone, Piet Kuiters - Piano, David Kweksilber- Reeds, Saskia Laroo - Trumpet, Loet van der Lee - Trumpet, Boris van der Lek - Tenor saxophone, Miguel Martinez - Alto saxophone, Jan Menu-Baritone saxophone, Luluk Purwanto - Violin, Joost van Schaik - Drums, Ben Schröder - Drums, Dmitry Shapko- tenor, Efraim Trujillo - Tenor saxophone, Eric Vloeimans- Trumpet, Wolter Wierbos – Trombone, and many others.
 

Bron: http://www.armandocairo.com/

Teddy Charles 3 april 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer een JazzProfiel van de op 13 april 1928 in Chicopee Falls geboren vibrafonist Theodore Charles Cohen.

Teddy Charles, zoals zijn artiestennaam luidt, is mag je gerust stellen een nog levende legende. Tot november 2008 was hij vreemd genoeg nog nooit eerder naar Nederland gekomen.

 

Die maand kwam Teddy Charles dus voor het eerst naar Nederland ter gelegenheid van de presentatie van het boek ‘Leidse Jazz Geschiedenis’ van Cees Mentink en ook verzorgde Teddy Charles een eenmalig optreden met een tentet voor de uitvoering van zijn bekendste compositie: ‘Word From Bird’.

 

Teddy Charles oogde nog kwiek voor zijn gevorderde leeftijd. Er zijn weliswaar lange periodes geweest waarin hij niets met de muziekbusiness te maken wilde hebben, maar sinds kort staat muziek in zijn leven weer centraal. Hij heet dus eigenlijk Teddy Charles Cohen, maar het was nota bene een joodse clubeigenaar in Chicago die hem vertelde dat een dergelijke naam niet lekker in het gehoor lag voor een musicus, zodat zijn tweede naam hierop gepromoveerd werd tot achternaam.

 

Aan saaie, fantasieloze muziek heeft Teddy Charles een hekel. Hij wilde in zijn jonge jaren eigenlijk drummer worden en ook studeerde hij piano aan The Juilliard School Of Music. Devibrafoon kwam er pas later bij, toen Teddy Charles pianist wilde worden met als tweede instrument de vibrafoon. Gelukkig maar want als vibrafonist viel Teddy Charles meer op.

 

Tijdens een tournee met Benny Goodman in 1948 deed hij als jonge musicus veel ervaring op, maar ook heeft zijn ervaring op piano ervoor gezorgd dat Teddy Charles een geheel eigen stijl kon ontwikkelen, zoals het harmonische spel met de 4 stokken, bij vibrafoon mallets genoemd. Eigenlijk raar vindt Teddy Charles dat de vibrafoon zo’n grote rol in de jazz ging spelen, want we waren maar met een handje vol: Lionel Hampton, Red Norvo, Milt Jackson en ikzelf. 

 

Midden jaren zestig stapte Teddy Charles uit de muziek, temeer de rockmuziek alles ging domineren en het als jazzmuzikant steeds vervelender in de muziek werd. Door toeval is hij af en toe teruggekeerd op de muziekscene, eerst in 1983 met pianist Harold Danko en nu lijkt Teddy Charles voorgoed te zijn teruggekeerd. Mede doordat Martin Rhode hem in contact heeft gebracht met het Walter Wolff Trio, waarmee hij in het Amsterdamse Bimhuis heeft opgetreden.

 

 

Erik van der Luijt 27 maart 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Erik van der Luijt (Den Haag, 22 augustus 1970) is een Nederlandse jazz-pianist, arrangeur, componist, bandleider en producer. Hij begeleidt talloze Nederlandse artiesten en treedt ook met zijn eigen composities veelvuldig op in binnen- en buitenland.
Van der Luijt groeide op in het Westlandse Monster en Katwijk aan Zee. Hij begon op vierjarige leeftijd voor het eerst piano te spelen. Zijn passie voor jazz werd gewekt in de Leidse jazz-scene, waarin jazz-café The Duke een prominente rol speelde. Hij studeerde jazz-piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij onder meer Rob van Kreeveld en Rob van Bavel en nam deel aan workshops met onder meer Michael Petrucciani en Barry Harris.

Hij trad onder meer op in Zweden, Frankrijk, België, Indonesië, Duitsland en Engeland. In augustus 2004 was hij één van de finalisten voor de Deloitte Jazz Award 2004 in het Bimhuis in Amsterdam. Eveneens in 2004 produceerde hij in eigen beheer het album Express Yourself, dat volledig uit eigen composities bestond en waarop hij wordt begeleid door bassist Branko Teuwen en drummer Victor de Boo. In 2004 leidde hij op uitnodiging van het Rotterdams Conservatorium een aantal pianoworkshops in Indonesië.
In september 2005 verzorgde Erik van der Luijt met zijn trio een jamsessie tijdens het benefietconcert Dutch Jazz for New Orleans in het Amsterdams Concertgebouw. Aan dit concert werd tevens deelgenomen door The Dutch Swing College Band, Hans Dulfer, Laura Fygi, Greetje Kauffeld, Trijntje Oosterhuis, Ramses Shaffy en Louis van Dijk.

Erik van der Luijt heeft als pianist, arrangeur en producer bijgedragen aan zes albums van zijn echtgenote, de jazz-zangeres Ilse Huizinga. Het album The Sweestest Sounds - Ilse Huizinga Sings the Songs of Richard Rodgers (2001, waaraan hij als arrangeur, producent en pianist een grote bijdrage leverde, werd leverde Huizinga haar eerste Edison-nominatie op. Hij begeleidt en deelt veelvuldig het podium met vocalisten met een heel brede muzikale achtergrond, zoals Rita Reys, Madeline Bell, Joke Bruijs, Joke de Kruijf, Pia Beck, Denise Jannah, Greetje Kauffeld, Heddy Lester, Gerrie van der Klei, Marjol Flore en Edwin Rutten. Verder droeg hij als pianist, arrangeur en producer bij aan diverse projekten, waaronder het Metropole Orkest, het jazzorkest van het Koninklijk Concertgebouw Orkest, The Ramblers, Ferdinand Povel, Piet Noordijk, Ruud Jacobs, Frits Landesbergen, Bernard Berkhouts Swingmates, de Koninklijke Militaire Kapel, de Dutch Swing College Band, musicals en cabaretproducties, cd-opnamen, radio en televisieoptredens.

Yusef Lateef 20 maart 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

William Evans, alias Yusef Lateef, werd op 9 oktober 1920 in Chattanooga, en dat ligt in de staat Tennesee, geboren. Hij is in eerste instantie te kenmerken als saxofonist én componist van enorm veel muziekstukken. Toen Yusef Lateef vijf jaar oud was verhuisde hij met zijn familie naar Detroit en in 1938, dus op achttienjarige leeftijd, koos hij voor de tenorsaxofoon tijdens zijn studie die hij samen volgde met Teddy Buckner.
Yusef Lateef speelde in 1946 in het orkest van Lucky Millinder, op aanraden van tenorsaxofonist Lucky Thompson, en van 1946 tot 1948 speelde hij ook samen met Hot Lips Page, Roy Eldridge en Herbie Fields.

In 1948 verhuisde Yusef Lateef naar Chicago en speelde daar gedurende 10 maanden met trompettist Dizzy Gillespie.
Nadat dezelfde Dizzy Gillespie in 1950 zijn band ophief keerde Yusef Lateef terug naar Detroit om zich aan de Wayne State University verder te bekwamen op de dwarsfluit en in de compositieleer. Midden van de jaren '50 veranderde de, als William Evans geborene, zijn naam in die van Yusef Lateef, als moslimnaam nadat hij tot dit geloof toetrad.
Van 1955 tot 1959 leidde hij kwintetten en grotere formaties met onder andere trombonist Curtis Fuller.

Gelukkig heeft gitarist Kenny Burrell Yusef Lateef indertijd aangeraden om ook als fluitist te gaan optreden en dat doet hij sinds 1958.
Het jaar daarop verhuisde Yusef Lateef opnieuw en dit keer naar New York waar hij samen speelde met contrabassist Charles Mingus, waarmee hij in 1960 platenopnamen maakte.
Yusef Lateef heeft ook gespeeld met trompettist Donald Byrd, gitarist Grant Green en vooral met Julian Cannonball Adderley.
Van 1962 tot 1964 oogstte hij zeer grote successen met het Cannonball Adderley Sextet.

Na zijn zeer succesvolle periode bij Cannonball Adderley vervolgde de rusteloze Yusef Lateef zijn carrière met optredens als leider van diverse groepsverbanden, maar ook als sideman gedurende een periode in de jaren ‘80 in Nigeria. Hij verkondigde in deze periode: “Ik wil blijven groeien in elke nieuwe muzikale context, soms moet ik wat ik wil leren van verre halen, in dit geval dus Nigeria”.

 

Horace Silver 13 maart 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Hij werd geboren in 1928 in Norwalk (Connecticut) en is één van de leidende figuren  in de hard bop-stroming die rond de helft van de jaren vijftig in New York en enkele andere Oost-Amerikaanse steden opkwam.

Het bijzondere aan pianist Horace Silver is, dat hij zich In korte tijd ontwikkelde, anders dan bij Bud Powell, tot een pianist met een puntige, duidelijk herkenbare eigen stijl. In deze manier van spelen werden bebopopvattingen vermengd met invloeden uit de zwarte muziektradities als de gospel en de blues, maar ook die uit de Zuid-Amerikaanse en Oosterse muziek. Horace Silver, zoon van een negerpredikant van Portugese afkomst en een Ierse moeder, was aanvankelijk een weinig bekende sideman in de groepen van onder andere tenorsaxofonist Stan Getz, vibrafonist Terry Gibbs, en de tenoristen Lester Young en Coleman Hawkins.

Maar in 1953 en 1954 maakte hij historische opnamen met Miles Davis en kort daarna kreeg hij grote faam als de pianist van de Jazz Messengers, het collectief onder leiding van drummer Art Blakey en ook mentor van zeer vele jonge jazzmuzikanten. Voor deze “Jazz Messengers” schreef Horace Silver vele bekende composities.

In 1959 kon ook het Nederlandse publiek in levende lijve kennis maken met Silver’s gedreven, staccatoachtige pianospel en de funky opvattingen in zijn composities en improvisaties. In 1962 kwam hij, als erkend sleutelfiguur in de hard-bop, hier opnieuw concerten geven. Net als in Art Blakey’s Jazz Messengers, volgden de nieuwe lichtingen van hard-bop musici elkaar in de groepen van Horace Silver zich steeds weer op, waardoor er platen zijn met zeer verschillende bezettingen en dus met contrasterende instrumentale inzichten en invullingen.

 

In de jaren 1976 en 1977 trad Horace Silver, als de verbinder van bebop en blues, tijdens het North Sea Jazz Festival in Den Haag op met voor het jazzpubliek vertrouwde kwintetbezettingen.

 

 

Zoot Sims 6 maart 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Zoot Sims of John Haley "Zoot" Sims (Inglewood, 29 oktober 1925 – New York, 23 maart 1985) was een Amerikaans tenor- en sopraansaxofonist.
Samen met Stan Getz en Al Cohn behoort Zoot Sims tot de saxofonisten die beschouwd kunnen worden als de meest succesrijke volgelingen van de saxofoonstijl van Lester Young. In de loop van zijn carrière speelde hij met heel wat beroemde bands, waaronder die van Benny Goodman, Artie Shaw, Stan Kenton en Buddy Rich. Sms was ook een van Woody Hermans "Four Brothers" (zo genoemd vanwege het saxofoonkwartet met 3 tenors en een bariton), en hij stond bekend onder zijn collega's als een van de sterkste swingers. Hij leidde regelmatig zijn eigen combo's en toerde soms met het sextet van zijn vriend, de baritonsaxofonist Gerry Mulligan, en later met Mulligans Concert Jazz Band. Sims verwierf de bijnaam "Zoot" aan het begin van zijn loopbaan in Californië, toen hij in de band van trompettist Kenny
Baker speelde.
Zijn muzikale opvoeding begon al op zesjarige leeftijd toen hij pianolessen moest nemen die hij niet zo leuk vond. Op school speelde hij korte tijd drums, vooraleer hij daar - toen hij ongeveer 12 jaar was - een oude metalen klarinet kreeg. Zoot begon dan naar bands te luisteren. Hij was vooral een fan van Benny Goodman, maar luisterde ook naar andere bands zoals die van Count Basie en Duke Ellington. Toen hij 14 was, hoorde hij Lester Young en besloot onmiddellijk om een saxofonist te worden. Zijn vader gaf hem zijn zin, kocht een saxofoon en liet hem enkele lessen volgen bij zijn klarinetleraar, die Zoot echter niet veel kon bijleren over dit instrument. Met wat hij als een 'trial and error'-methode omschreef speelde Zoot in de school-band op 15-jarige leeftijd zowat alle platen na die hij te pakken kreeg. Zoot noemt Sam Donahue (bij Gene Kruppa's band) als een van zijn grootste invloeden en hij luisterde ook veel naar tenorsaxofonist Ben Webster. Een andere, bijna onvermijdelijke invloed op een jonge tenorsaxofonist uit die tijd, was uiteraard Lester Young. Met de Bobby Sherwood band, die hij op 16-jarige leeftijd vervoegde, maakte hij zijn eerste grote tournee door het land.
Zoot Sims persoonlijkheid wordt door zijn vrienden beschreven als een ongecompliceerd iemand die graag jamde, dronk en rookte en zeker geen grote prater was. Hij hield er niet van om zijn muziek te analyseren en te bespreken en gaf ook weinig interviews. Het interview dat de Engelse journalist, nachtclubeigenaar en jazzzanger Les Tomkins in 1965 in de Londense Ronnie Scott’s club van hem afnam is daarop een uitzondering. Vanavond dus in het Jazzprofiel Zoot Sims.

 

 

Milt Jackson 28 februari 2016 in ‘All That’s Jazz’.

 

Dit keer ga ik met veel genoegen het Jazzprofiel van de in Detroit geboren Milton Jackson voor u presenteren. Hij heeft als eerste musicus de technische en harmonische verworvenheden van de bebop op de vibrafoon toegepast.

Jackson begon op 7-jarige leeftijd als zanger. Hij zong gospelduetten met zijn broer Alvin. Later speelde hij ook nog piano en ontwikkelde hij zijn muzikaliteit op de middelbare school. Uiteindelijk kwam hij uit bij de vibrafoon, vanwege de gelijkenissen die het instrument toont met de menselijke stem. Zijn muzikale opvattingen zijn daarnaast ook diep geworteld in de blues- en gospeltraditie, die hij naar eigen zeggen vanuit ‘de kerk’ heeft meegekregen. Deze combinatie van blues en gospel geeft het spel van Milt Jackson een dimensie die hem onmiddellijk herkenbaar maakt.

Bekend is dat Milt Jackson werd opgeleid aan het Michigan State College in de vakken theorie, piano en vibrafoon. Waarna hij in een aantal plaatselijke orkesten ging spelen, voordat hij in 1945, net als veel van zijn jazzcollega’s, naar New York vertrok. Met de leden van de ritmesectie uit de Dizzy Gillespie Big Band: pianist John Lewis, bassist Ray Brown en drummer Kenny Clarke maakte Milt Jackson in 1951 een aantal opnamen. De naam van deze groep was in eerste instantie: Milt Jackson And His Modern Jazz Quartet, en werd het jaar daarop al veranderd in The Modern Jazz Quartet. In de bezetting: Milt Jackson vibrafoon, pianist en muzikaal leider John Lewis, Percy Heath contrabas en Connie Kay op slagwerk. Dit Modern Jazz Quartet werd een van de langst bij elkaar gebleven formaties uit de moderne jazzgeschiedenis. Ooit zijn ze weliswaar 7 jaar uit elkaar geweest, maar in 1981 werd in Budokan Japan een erg succesvol reünieconcert gegeven. 

In 1974 stapte Milt Jackson uit het Modern Jazz Quartet, omdat hij naar eigen zeggen ‘genoeg had van het keurslijf’, wat het spelen in een vaste groep met zich mee bracht, waarna de groep uiteen viel. Maar werd na een aantal geslaagde reünieconcerten definitief in 1983 heropgericht. Als solist heeft Milt Jackson naast zijn werk bij het Modern Jazz Quartet en zijn eigen groepen, ook opnamen gemaakt met een legertje andere jazzmusici.

De meningen zijn verdeeld, maar toch heerst er het veel gehoorde standpunt dat het met soul geladen spel van vibrafonist Milt Jackson soms in andere groepen vrijer tot zijn recht kwam dan binnen het kader van het Modern Jazz Quartet. Sinds de jaren zeventig heeft Milt Jackson een aandeel gehad in tal van formaties en die zal ik ook in dit JazzProfiel aan bod laten komen. Milt Jackson is bijna 60 jaar lang actief geweest in de muziek en heeft samengewerkt met pioniers als: Miles Davis, Dizzy Gillespie, Charlie Parker, Thelonious Monk en Coleman Hawkins. Tijdens zijn carrière won hij onder andere de ‘National Music Award’, ‘de French Bicentennial Award’ en een eredoctoraat van de Berklee College of Music in Boston. Bovendien heeft hij plaatsen verworven in ‘de Percussion Hall Of Fame’ en Downbeat Magazine's ‘Hall Of Fame’. Milt Jackson stierf op 76 jarige leeftijd op 9 oktober 1999 in Manhattan New York.

 

Andrew Hill 21 februari 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Andrew Hill werd op 30 juni 1931 geboren in Chicago. Als jong pianist werd hij door pianist Earl Hines opgemerkt. Jazzcomponist Bill Russo introduceerde Hill bij componist Paul Hindemith. Vanaf 1950 tot 1952 studeerde Andrew Hill bij deze moderne klassieke componist. Gedurende de jaren '50 speelde hij in rhythm & blues-groepen in en rondom Chicago. Eén van zijn vroegste plaatopnamen vond plaats met bassist Malachi Favors.

In 1961 vestigde Andrew Hill zich in New York. Voor het label Blue Note maakte hij plaatopnamen onder eigen naam en als
sideman. Hoewel zijn albums geen grote verkoopsuccessen waren, werd zijn pianistisch en compositorisch talent door Blue Note-eigenaar Alfred Lion – terecht – op zijn waarde geschat; niet voor niets noemde hij hem "my last great protégé". Het gevolg was de uitgave van een tiental bijzondere albums, waaronder 'Black Fire', 'Smokestack', 'Judgement', 'Compulsion' en in het bijzonder 'Point Of Departure'. Op die platen spelen prominente musici mee als Joe Henderson, Roy Haynes, Bobby Hutcherson, Eric Dolphy, Kenny Dorham, Freddie Hubbard en John Gilmore.

Andrew Hill’s composities zijn origineel, hebben een enorme harmonieuze vrijheid en ritmische variëteit, zonder de bebop-roots te verloochenen. Als pianist werd hij vooral beïnvloed door Thelonious Monk. Zijn fraseringen zijn echter eleganter, melodieuzer en technischer dan die van Monk. Vooral Monk’s timing en spaarzame manier van spelen had Hill in zijn speelwijze verwerkt. Zijn melodieën zijn vaak van een donkere, beklemmende schoonheid.

Net als veel musici, manifesteerde Hill zich als leraar. In de jaren zeventig en tachtig gaf hij les op universiteiten en
high schools in Californië. Hij gaf concerten en maakte platen voor labels als Arista/Freedom en Black Saint/Soul Note. In 1989 was hij weer even terug bij Blue Note, met als resultaat de cd's 'Eternal Spirit' en 'But Not Farewell'. Midden jaren negentig keerde Hill weer terug naar New York. Met trompettist Ron Horton, rietblazers Marty Ehrlich en Greg Tardy, bassist Scott Colley en drummer Billy Drummond formeerde de pianist het Point Of Departure Sextet, waarmee hij op het Palmetto-label de plaat 'Dusk' maakte, door de jazzmagazines Down Beat en Jazz Times uitgeroepen tot het beste album in 2001. Daarna kwamen nog de albums 'A Beautiful Day' (met een big band), en een serie Blue Note-reïssues uit, waaronder 'Passing Ships' en 'Dance With Death'.

De cirkel werd rond toen Andrew Hill in 2005 voor de derde maal tekende voor Blue Note Records, 42 jaar na zijn debuut-lp voor datzelfde label. Zijn eerste release daar was het intrigerende en opnieuw alom gelauwerde 'Time Lines', dat hij opnam met een nieuw kwintet, met naast bassist John Hebert, drummer Eric McPherson en de net als Hill bij leven ietwat ondergewaarde trompettist Charles Tolliver. Het zou helaas zijn laatste plaatopname zijn. Hills laatste concert was op 29 maart 2007 in de Trinity Church in Manhattan.

Op 12 mei 2007 zou de pianist een eredoctoraat in muziek worden toegekend door het Berklee College of Music, maar op vrijdag 20 april 2007 overleed pianist Andrew Hill. In 2004 werd bij hem longkanker geconstateerd. Hij is 75 jaar geworden.

 

Ron Carter 14 februari 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer ga ik een JazzProfiel verzorgen van de op 4 mei 1937 in Ferndale geboren Ronald Levin Carter.

Ik had bijna alle kasten met mijn platencollectie kunnen raadplegen bij het voorbereiden van dit JazzProfiel, want wát een oeuvre aan platen heeft deze Ron Carter op zijn naam staan: als leider en ook als sideman in enorm veel diverse groepen. En dat is niet verwonderlijk, want Ron Carter is een bassist van wereldklasse met een toonbeeld aan elegantie in zijn spel en dus beslist niet benauwd klinkend. Sinds de jaren ’60 bespeelt hij ook de cello, een niet zo alledaags instrument in de moderne jazz.

 

Eigenlijk is Ron Carter één van de beste begeleiders aller tijden en zijn albums exploderen als het ware door zijn wonderlijke speeltechniek. Naast begeleiden is Ron Carter ook een ritmische en melodieuze speler, die alles gebruikt wat maar te vinden is in zijn basarsenaal: lopende lijnen, dik aangezette volle prominent klinkende noten en toonzettingen, tokkeleffecten en niet te vergeten mooie melodische fragmenten. Zijn opgebouwde solo’s zijn bijna net zo indrukwekkend als zijn vingerzettingen. In zijn outfit, zijn instrument en zijn inzet is hij bijna een equivalent van Duke Ellington, met een mix van extra-muzikale interesses.

 

Op tienjarige leeftijd begon de kleine Ron Carter cello te spelen, maar toen zijn familie van Ferndale naar Detroit verhuisde, stapte Carter over op de contrabas. Zoals het vaak gaat, startte hij met spelen in de schoolband en behaalde zijn diploma in 1959. Hierop trok Ron Carter naar New York om te gaan samenspelen met het Chico Hamilton Quintet, met o.a. Eric Dolphy in haar gelederen.

In datzelfde New York ging Ron Carter studeren aan de Manhattan School Of Music, waar hij in 1961, dus op 24 jarige leeftijd, zijn masters degree behaalde.

 

Eigenlijk heeft Ron Carter met zo ongelooflijk veel musici in de jaren ’60 samengewerkt: o.a. met: Chico Hamilton, Eric Dolphy, Don Ellis, Randy Westen, Thelonious Monk en Jaki Byard. Daarnaast heeft Carter getoerd en opgenomen met Bobby Timmons en speelde hij bij Cannonball Adderley. In 1963 trad hij voor een korte periode toe tot Art Farmer’s groep, om daarna toe te treden tot groepen o.l.v. trompettist Miles Davis.

Ron Carter bleef tot 1968 werken bij Miles Davis. Deze periode is cruciaal geweest, want het samenspelen met Herbie Hancock en Tony Williams bood een nieuwe vrijere vorm van spelen als ritmesectie.

ongekend aantal opnamen. Beweerd wordt dat het er 500 zijn geweest, anderen durven een inschatting aan van 1.000.

 

Carter speelde overigens ook mee in de film ‘Round Midnight’ die in 1986 uitgebracht werd.

Sinds 1972 begon Ron Carter ook met eigen groepen te werken. Hierbij werkte hij als leider soms met een tweede bassist om zodoende tijd vrij te houden voor het tot stand brengen van harmonie en soloruimte. Ook schijnt Ron Carter zijn eigen instrument: de piccolobas ontwikkeld te hebben.

 

Naast zijn enorme muzikale invloed in de moderne jazz heeft Ron Carter ook ruimschoots zijn sporen verdiend met bijdragen voor vele arrangementen en eigen composities, zowel voor zijn eigen groepen als voor andere bands.

James Carter 7 februari 2016 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer presenteer ik het JazzProfiel van een groot jazzmusicus, namelijk van de op 3 januari 1969 in Detroit geboren James Carter, die naast de baritonsaxofoon ook de sopraan-, alt en tenorsaxofoon bespeelt en ook de basklarinet. Deze dertiger trad onlangs nog op in het Amsterdamse Bimhuis en gaf daar samen met ‘De Nazaten’ een magistraal concert. James Carter is een alleskunner en persoonlijk vind ik hem het meest aansprekend op zijn baritonsaxofoon.

Het van zichzelf logge instrument, deze baritonsaxofoon, weet James Carter buitengewoon behendig te bespelen en hij schuwt het hoge en lage register beslist niet.

De stijlen waarin James Carter speelt, zijn het best te omschrijven als de post-bop, contemporary jazz, avant-garde oftewel progressieve jazz en modern creative.

 

James Carter kent zijn jazzgeschiedenis behoorlijk goed en weet alles van saxofoons. Hij schijnt een enorme verzameling te bezitten met veel eigenhandig restaureerde zeldzame exemplaren. Tijdens het spel schakelt hij ook alle ratio uit en weet vaak achteraf niet meer wat hij heeft tentoongespreid, want spelen vanuit een theoretisch uitgangspunt vindt hij verraad aan de muziek.

Niet verwonderlijk dus, dat hij zich in allerlei stijlen en groepen als een vis in het water gedraagt.

Zoals eerder in ‘All That’s Jazz’ vertelt, toert James Carter diverse keren met de Nederlands-Surinaamse groep ‘De Nazaten’, voorheen ‘De Nazaten van Prins Hendrik’ genoemd.

Zonder sterallures tentoon te spreiden blaast James Carter zijn partij mee in deze grote formatie, met haar bijzonder goed op elkaar ingespeelde ritmegroep met hierin o.a. ook de mirdangam, een dubbelzijdige drum uit Zuid-India.

 

James Carter heeft wel eens gesteld dat hij zijn contact met de trompettist Lester Bowie, de oprichter van het ‘Art Ensemble Of Chicago’ van onschatbare waarde heeft gevonden. Hij zag deze Lester Bowie werkelijk als een mentor.

Hij kan echt emotioneel worden als hij verteld over deze in 1999 overleden voorvechter van onbevooroordeeld musiceren. Bowie nam James Carter mee op tournees en wees hem de wereld. ‘Wees niet bang voor je instrument’, zei hij. ‘Wees niet bang voor wat anderen van je zullen vinden. Je kunt niet wachten tot iedereen begrijpt wat je wilt vertellen’.

De unieke muziek van saxofonist James Carter, maakt op dit moment furore en hij levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de hedendaagse moderne jazzmuziek. Wij zullen nog veel van hem gaan vernemen, zowel in de muziekzalen als in dit programma, zodat u lekker ook thuis van zijn muziek kan blijven genieten. Want goede jazzmuziek op de radio is een zeldzaamheid geworden, behalve hier zondags en donderdag nachts bij Rick FM natuurlijk.

‘Jazz Behind The Dikes’ 31 januari 2016 in ‘All That’s Jazz’.

In deze speciale JazzProfiel uitzending wordt er door mij een uur lang aandacht besteed aan de legendarische albums van ‘Jazz Behind The Dikes’. In 1955 was het tien jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog ten einde kwam. Een nieuwe Amerikaanse jazzvorn ‘de bebop’, was al enige jaren bezig de wereld te veroveren. En Nederlandse jazzmusici bleven niet achter, de platenmaatschappijen echter wel. Via radio-uitzendingen deden mijn radio-collega’s Pete Felleman (VARA) en Michiel de Ruyter (AVRO) het nodige zendingswerk, dat ikzelf al vele jaren hierna voortzet. Beide presentatoren bewerkten ook de nalatige platenproducenten.

Het resultaat was dat in januari 1955 Bovema als eerste door de bocht ging met de 78 toerenserie ‘Jazz From Holland’. Philips volgde dezelfde maand nog met opnamen voor ‘Jazz Behind The Dikes’, een 25 cm. langspeelplaat. Enkele topmusici waren op beide series te horen: pianist Rob Madna, drummer Wessel Ilcken, trompettist Jerry van Rooyen en bassist Dick Bezemer. De oorspronkelijke ‘Jazz Behind The Dikes’ platen zijn echte collector’s items geworden.Een bloemlezing uit ‘Jazz Behind The Dikes’ werd in 1969 uitgebracht als dubbel-lp, die tegenwoordig ook al moeilijk te vinden is.

Twee cd’s met alle 40 stukken vullen nu deze lacune. Net als de oorspronkelijke platen, werden ze geproduceerd door Michiel de Ruyter. Hij schreef ook de hoesteksten en controleerdede opnamegegevens. Nu, na ruim 60 jaar, blijkt de muziek vrijwel niet door ‘de tand des tijds’ te zijn aangetast. Een buitengewoon mooie gelegenheid om aan deze opnamen een uur lang durende special te wijden!

Nog wat namen die u kunt gaan beluisteren?

Saxen: Toon van Vliet, Ruud Brink, Tony Vos, Herman Schoonderwalt en Carel Reys.

Pianisten: Pim Jacobs, Rob Madna, Frans Elsen en Rob Pronk.

Zangeres: Rita Reys.

Bassist: Børge Ring.

Allemaal toenmalige jonge jazzmusici die wel eens wat wilden betekenen op jazzgebied. Hebt u nog meer aanbeveling nodig om naar deze bijzondere uitzending te gaan luisteren?  Nee toch!      

Nat King Cole 24 januari 2016 in "All That's Jazz".

Dit keer ga ik een JazzProfiel presenteren van de Amerikaanse pianist, songwriter en jazzzanger Nat King Cole. Hij wordt algemeen beschouwd als één van de beste mannelijke vocale jazz- en balladvertolkers van de jaren vijftig en zestig. Het heldere, lichte en lenige pianospel van deze in 1919 in Montgomery (Alabama) geboren Nathaniel Adams Coles is geworteld in de late swingperiode, met kenmerken van de zich tijdens Nat King Cole’s leven ontwikkelende bebopstijl.

Op vierjarige leeftijd verhuisde het gezin naar Chicago. Nat’s vader was slager en diaken in de ‘True Light Baptist Church’. De jonge Nat werd door zijn moeder, die organiste was in de kerk, gestimuleerd om muziek te gaan studeren. Vanaf zijn twaalfde jaar bespeelde Nat het kerkorgel en zong hij kerkliederen. Maar zijn echte interesse ging al snel uit naar de jazzmuziek. Zijn ouders konden deze belangstelling voor de jazzmuziek maar matig waarderen, want jazz werd meestal in nachtclubs gespeeld. Eddie, de oudste broer van Nat, had toen al een bekende jazzband: de ‘Rogues of Rhythm’ en Freddie de jongste broer, werd later ook zanger. Een buitengewoon muzikale familie dus.
In het pianospel van Nat King Cole zijn invloeden te bespeuren van Earl Hines, Teddy Wilson en Art Tatum, die het klassieke stridepiano-spelen afwisselen met terloops door de linkerhand geplaatste akkoordaccenten, al of niet als inleiding van een break.

In 1936 vertrok Nat naar Los Angeles waar hij van 1936 tot 1945 zijn naam gaf aan het Nat King Cole Trio. In dit trioverband, speelde hij achtereenvolgens met de gitaristen Oscar Moore, Irving Ashby en de bassisten John Collins, Wesley Prince, Johnny Miller en Red Callender. Nat King Cole speelde bij voorkeur in lockedhands-stijl, waarbij de stemmen van het akkoord tussen de in octaven gespeelde melodielijn worden gelegd.
Het andere melodie-instrument, de elektrische gitaar, speelde in de arrangementen unisono mee, en ging tijdens de pianosoli synchroon met de bas tot begeleiden in vieren over.
In 1943 nam Nat King Cole het nummer: ‘Straighten Up And Fly Right’ op, dat zijn eerste nationale hitsong werd. Het nummer baseerde hij op één van zijn vaders preken en op een bekend zwart volksverhaal.


De compacte stijl van spelen van het Nat King Cole Trio, werd later in het kwintet van pianist George Shearing, met vibrafoon, gitaar, piano, bas en drums, verder uitgewerkt.
Ook met deze blinde pianist George Shearing heeft Nat King Cole diverse opnamen gemaakt. Cole werd door zijn trio-opnamen al snel als één der groten uit de jazzwereld beschouwd.
Nat King Cole wisselde de instrumentale uitvoeringen van zijn geraffineerd opererende trio (later met bongo’s en drums uitgebreid tot een kwartet) af met enorm veel populaire zangnummers. Vanaf 1945 besloot Nat zijn bijzondere zangstem ook buiten de jazz te laten horen. Begeleid door grote orkesten met week klinkende arrangementen scoorde Nat King Cole, niet alleen door zijn warme, zoete stemgeluid, maar ook door zijn uitgebalanceerde voordracht en frasering, vele hits voor Capitol Records, voornamelijk in het langzamere genre.

Zijn herkenbare baritonstem zorgde voor een miljoenenomzet en Cole was dan ook in de jaren vijftig een superstar en dat niet alleen in de Verenigde Staten. Zijn in 1956 uitgebrachte cover van ‘When I Fall In Love’ bezorgde hem het jaar erop een tweede plaats in de Britse hitlijsten. Maar persoonlijk prefereer ik Nat King Cole toch allereerst als instrumentalist.
Als pianist heeft Nat King Cole in de jaren veertig ook zijn aandeel gehad in de eerste edities van ‘Jazz At The Philharmonic’ en ook heeft hij opnamen gemaakt met o.a.: trompettist Harry Edison, tenorsaxofonist Lester Young en met Stuff Smith, die als eerste met een elektrisch versterkte viool speelde.

Als erkend jazzpianist en zangvedette, trad Nat King Cole in 1954 ook op in ons eigen Concertgebouw in Amsterdam.
Nat King Cole’s talent als entertainer en zijn erg commerciële uitstraling, werden ook door collega-muzikanten enorm geprezen. Maar het jazzpubliek had zich grotendeels van hem afgewend.

Gelukkig bij onze radiozender overigens beslist niet, want daarvoor is Nat King Cole een veel te groot musicus geweest!  Nat King Cole schijnt per dag 3 pakjes Kool-mentholsigaretten gerookt te hebben, want volgens hem droegen de sigaretten ertoe bij dat zijn stem voldoende laag bleef. In het najaar van 1964 merkte Cole dat hij gewicht begon te verliezen. In oktober van dat jaar werd bij hem longkanker geconstateerd. Speciale behandelingen sloegen helaas niet meer aan, waardoor hij in 1965 op slechts 45 jarige leeftijd in het St. John’s Hospital in Santa Monica overleed.

Nat was getrouwd met Maria Ellington en had vijf kinderen. Zijn dochter Natalie Cole werd een erg succesvolle zangeres. In 1985 werd Nat King Cole postuum opgenomen in de ‘Alabama Music Hall of Fame’, als één van de eerste drie die in deze erehal werden opgenomen.

Jim Hall  17 januari 2016 in "All That's Jazz".

James Stanley Hall werd in 1930 in Buffalo in de staat New York geboren en is als Jim Hall bekend als een musicus die de geoefende jazzluisteraar weet te verbluffen met harmonische diepgang, gecombineerd met een smaakvolle en intieme manier van spelen.
Deze introverte speeltrant van Jim Hall, die qua uiterlijk meer weg heeft van een vooraanstaande figuur uit de Europese kamermuziek dan van een Amerikaanse jazzmusicus, is gebaseerd op het wat onderkoelde intellectuele blanke jazzmilieu van de jaren vijftig.

Nadat Jim Hall zich in 1950 in Los Angeles had gevestigd, waar hij klassiek gitaar studeerde bij Vincente Gomez, ging hij deel uitmaken van het experimentele kwintet van drummer Chico Hamilton, met Buddy Colette op de tenorsax en fluit, cellist Fred Katz en contrabassist Carson Smith. Ook met klarinettist en saxofonist Jimmy Giuffre en contrabassist Ralph Pena begaf Jim Hall zich al in een vroeg stadium op het pad van de vrijere improvisatie.

Dit is onder andere ook te zien in de film “Jazz On A Summer Day”, een reportage van het Newport Jazz Festival uit 1958.
Jim Hall’s eerste Europese tournee maakte hij ook met het Jimmy Giuffre Trio en tegelijkertijd als lid van het kwartet dat zangeres Ella Fitzgerald begeleidde.

In 1962 ging Jim Hall spelen in het pianoloze kwartet van tenorsaxofonist Sonny Rollins, bijvoorbeeld te beluisteren op de LP’s “What’s New” en “The Bridge”.
Met het kwartet van trompettist Art Farmer, met bassist Steve Swallow en drummer Pete La Roca, kwam Jim Hall in 1964 opnieuw naar Europa.
Met diezelfde Art Farmer en ventieltrombonist Bob Brookmeyer speelde Jim Hall in 1965 in het sextet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan.

Sinds de jaren zeventig combineert Jim Hall studiowerk met optredens in superkleine bezettingen.
Vooral in duoverband komen zijn gevoel voor contrapunt en de orkestrale voicings van zijn begeleidingsakkoorden, in intense wisselwerking met zijn muzikale partner, tot hun recht.
En contrapunt betekent hier dus de meerstemmigheid waarbij elke melodische stem binnen het geheel een zelfstandig bestaan leidt, ook wel polyfonie genaamd.

Onder de vele jazzmusici met wie Jim Hall heeft samengewerkt zijn o.a. altsaxofonist Lee Konitz, ventieltrombonist Bob Brookmeyer, pianist Bill Evans en de contrabassisten Ron Carter en Red Mitchell te noemen.

Kenny Drew  10 januari 2016 in "All That's Jazz".

Pianist Kenny Drew werd op 28 augustus 1928 in New York City geboren.

Al op 5 jarige leeftijd begon hij klassiek piano te leren spelen onder leiding van een privé-leraar en al op zijn 8e gaf Kenny Drew zijn eerste concert.

Kenny Drew’s eerste professionele job was bij de Pearl Primus dansschool en in diezelfde vroege periode zette hij zijn eerste jazzstappen in de buurtband, waarin ook Walter Bishop Jr., Sonny Rollins, Jackie McLean en Art Taylor speelden.

Kenny Drew stond in deze periode bekend om zijn heftige boogie woogie-stijl, die hij hanteerde vlak voor het beëindigen van zijn studie aan de High School Of Music And Art.

 

Ook ging Kenny Drew vaak in de 52e straat luisteren naar Charlie Parker en Bud Powell en startte hij in verschillende jam sessies in en rond New York.

Recensent Ira Gitler was zeer verrast over zijn spel dat hij zich nog kan herinneren uit de zomer van 1949, tijdens een privé-sessie met Zoot Sims en met Gerry Mulligan. Vooral de invloed van pianist Bud Powell viel hem op in de vloeiende speelstijl van Kenny Drew en dat terwijl hij zelf verklaard heeft dat hij ook beïnvloed is door pianisten als Art Tatum en Teddy Wilson.

 

In januari 1950 maakte Kenny Drew zijn eerste platenopname bij Blue Note Records  als sideman bij Howard McGhee, samen met de solisten Brew Moore en J.J. Johnson op de plaat: ‘Howard McGhee All Stars – Introducing Kenny Drew’.

In 1953 volgde zijn eerste 10-inch album als leider van een trio met bassist Curly Russell en drummer Art Blakey met voornamelijk gespeelde standards.

In de jaren vijftig koos Kenny Drew ervoor om zich in Los Angeles te vestigen en in 1955 vormde hij daar een geweldig klinkend kwartet met Joe Mainie, Leroy Vinnegar en Lawrence Marable.

18 november 1955 maakten zij voor Pacific Records hun eerste plaat, die onder leiding stond van Jack Sheldon, gevolgd door een album bij Capitol Records ‘Talkin’ & Walkin’.

In februari 1956 ging de Kenny Drew band zangeres Jane Fielding begeleiden en een maand later volgde de Blue Note plaat ‘Chamber’s Music’ met tenorsaxofonist John Coltrane, bassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones.

 

Begin 1957 keerde Kenny Drew terug naar zijn geboortestad New York om de begeleiding te verzorgen van zangeres Dinah Washington en toen kwam daar ook één van de hoogtepunten uit de moderne jazzgeschiedenis, want Kenny Drew participeerde op John Coltrane’s monumentale album ‘Blue Train’. Deze plaat leverde Kenny ook een nieuw contract op bij Blue Note, tot 1960 toen hij zijn ‘Undercurrent’ album opnam en als sideman deelnam aan de albums als: ‘Bluesnik’ en ook ‘Jakie’s Bag’ van Jackie McLean, ‘Whistle Stop’ van Kenny Dorham, ‘Dexter Calling’ van Dexter Gordon, ‘Sunday Morning’ van Grant Green plus een aantal albums onder leiding van tenorsaxofonist Tina Brooks.

Verbazingwekkend is deze productie te noemen, want al die net genoemde albums werden in slechts 1 jaar opgenomen.

Kenny Drew bleef actief in de studio en bij de optredens in de clubscene en medewerking aan de succesvolle Broadway-productie van ‘The Connection’, voordat hij besloot om te gaan emigreren naar Europa, waar hij o.a. in 1964 in Parijs deel nam aan Dexter Gordon’s album ‘One Flight Up’.

Kenny Drew werd vooral in Europa en in Japan een echte jazzster, maar op zijn thuisbasis in The States verwaarloosde hij zijn optredens en platenopnamen.

 

Kenny Drew overleed op 4 augustus 1993 op bijna 65 jarige leeftijd en laat een imposante discografie achter dat een goed beeld geeft van de enorme muzikale en scheppende invloed die Kenny Drew heeft geleverd bij de ontwikkeling van de moderne jazzgeschiedenis.

Donald Byrd  3 januari 2016 in "All That's Jazz".

Op maandag 4 februari 2013 is trompettist Donald Byrd op 80-jarige leeftijd overleden.
Tijdens zijn
highschool-periode was hij al een vaardig trompettist. Hij speelde toen met Lionel Hampton. Na de militaire dienst vertrok hij naar New York om af te studeren aan de Manhattan School of Music. Zijn muzikale carrière nam een aanvang in de groep van pianist George Wallington.

Al snel werd hij ontdekt door Art Blakey en verving hij, in diens vermaarde Jazz Messengers, trompettist Clifford Brown. In die periode (midden jaren vijftig) begon Byrd ook platen op te nemen onder eigen naam op het label Savoy en als sideman bij onder meer John Coltrane, Thelonious Monk en Sonny Rollins.

In 1958 tekende Donald Byrd een exclusief contract bij Blue Note, waar hij tot ver in de jaren zeventig voor zou blijven opnemen.
Dat resulteerde in een serie uitmuntende hardbop-platen: 'Off To The Races', 'At The Half Note Cafe', 'The Cat Walk', 'Free Form' en 'A New Perspective'.

Midden jaren zestig richtte Donald Byrd zich meer op educatieve bezigheden en raakte hij geïnteresseerd in de muzikale ontwikkeling van Miles Davis. Ook Byrd ging zich bezig houden met elektronische en rock-invloeden. Tegelijkertijd bestudeerde hij de Afrikaanse muziek. Die invloeden leverden de albums 'Electric Byrd' en 'Ethiopian Knights' op.

Het in 1972 uitgebrachte 'Black Byrd', dat funk, jazz en R&B combineerde, werd een grote hit.

Hij werkte daarop voor het eerst samen met het producers- en componistenduo Larry en Fonce Mizell. Het album werd op dat moment de meest verkochte plaat van Blue Note, maar de puristen onder de jazzliefhebbers vonden de nieuwe richting van Byrd maar niets.

De volgende albums met de broers werden eveneens hits. De groep die Byrd in die tijd met enkele van zijn beste studenten begon, The Blackbyrds, was in commercieel en artistiek opzicht succesvol, met bijvoorbeeld de millionseller 'Walking In Rhythm' en hit-albums als 'Street Lady' en 'Places And Spaces'.

De muziek die Byrd in de jaren zeventig maakte vormde later een grote bron voor samples voor talloze hiphop-musici en -groepen, zoals Public Enemy en Us3. In 1978 verliet Byrd Blue Note en stapte over naar Elektra. Het succesvolle 'jazz, funk, R&B' concept begon wat te tanen en ook gelet op een niet al te beste gezondheid begonByrd weer meer les te geven. Er was nog een kortstondige muzikale opleving aan het begin van de jaren negentig, toen hij enkele albums uitbracht op het label Landmark en meespeelde op het succesvolle cross-over album 'Jazzmatazz' van rapper Guru.

In het laatste deel van zijn leven werd Byrds lespraktijk zijn belangrijkste bezigheid.

Don Byas  27 december 2015 in "All That's Jazz".

Ja, dames en heren, dit keer heb ik het genoegen om een JazzProfiel + de muziek van de in 1912 in Muskogee (Oklahoma), als Carlos Wesley Byas geboren, tenorsaxofonist Don Byas aan u te presenteren.

 

Het spel van Don Byas vertoont op al zijn platen een zeldzame combinatie van de felle speelstijl uit de swingperiode met o.a. Coleman Hawkins en Ben Webster en ook het behendig omgaan met akkoorden van de bebopstijl.

Don Byas beschikte over een rijkdom aan ideeën waardoor elke chorus, met steeds wisselende fraseringen en avontuurlijke excursies naar het hoge register, een verrassing oplevert.

 

In de specifieke speeltrant van Don Byas en ook door zijn wat hese geluid in het middenregister, was hij een voorbeeld voor nog dieper gravende onderzoekers van het harmonische idioom, zoals zijn jongere collega’s Lucky Thompson en Benny Golson.

Don Byas begon als altsaxofonist o.a. in het orkest van Bennie Moten en in ‘The Blue Devils’ van bassist Walter Page, voordat hij in Californië kwam spelen.

 

Later in zijn carrière ging Don Byas in New York spelen bij o.a. Don Redman, Lucky Millinder, Andy Kirk en Benny Carter, waarna hij in de periode 1941 – 1943 Lester Young verving in de saxsectie van de Count Basie Band.

Ook ging Don Byas in deze periode zijn stijl moderniseren tijdens bebop-sessions in ‘Minton’s Playhouse’ in Harlem in samenspel met o.a. trompettist Dizzy Gillespie, gitarist Charlie Christian, pianist Thelonious Monk en drummer Kenny Clarke.

 

Met de eerste bebopgroep van Dizzy Gillespie en met diverse eigen groepen trad Don Byas in 1944 op in 52nd Street, totdat hij zich kort na de Tweede Wereldoorlog in Parijs vestigde, waar hij, als lid van de Don Redman Band, naartoe was gekomen.

Daarmee is Don Byas één van de eerste Amerikaanse jazzmusici geweest die een leven in Europa verkoos boven de hectische en onstabiele scène in New York.

 

In 1950 voegde Don Byas zich bij het orkest van Duke Ellington voor een Europese tournee en twee jaar later maakte hij in Parijs platenopnamen met Dizzy Gillespie.

Ook heeft Don Byas, die ondanks zijn emigratie, blijvende erkenning genoot in de Amerikaanse jazzwereld, deel uitgemaakt van de tourneegroep ‘Jazz At The Philharmonic’.

Na zijn huwelijk met een Nederlandse vrouw werd Amsterdam zijn woonplaats en uitvalsbasis.

Hij leidde in Amsterdam een rustig leven en ging vaak op zijn brommertje naar zijn vaste visstek of vertoonde zich, wanneer hij een tijdje niets te doen had, als gastsolist in de toenmalige jazzclub ‘Sherazade’ in de Wagenstraat in Amsterdam vlakbij het Rembrandtplein. Veel luisteraars zullen nog erg aangename herinneringen hebben aan deze geweldige lokaliteit in het centrum van Amsterdam.

 

In 1970 was Don Byas nog één keer terug in zijn geboorteland en speelde daar o.a. als gastsolist op het welbekende Newport Jazz Festival.

Helaas maakte longkanker in 1972, op 60-jarige leeftijd, een einde aan zijn leven.

Sahib Shihab  20 december 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer presenteer ik met veel genoegen, naast veel muziek, het carrièreverhaal van de Amerikaanse jazzsaxofonist en fluitist Sahib Shihab, die op 23 juni 1925 als Edmund Gregory in Savannah (Georgia) werd geboren. Deze musicus draag ik, sinds mijn jeugd, een warm hart toe en hij is dan ook nooit uit mijn jazzaandacht verdwenen.

Shihab was in 1947 een van de eerste jazzmusici die, door zijn bekering tot de Islam, zijn geboortenaam veranderde in een Islamitische. Hij was dan ook lid van de Ahmadiyya Moslim gemeenschap. Sahib Shihab bespeelde de bariton- alt- en sopraansaxofoon plus de dwarsfluit en is vooral als baritonvirtuoos bekend geworden. Zijn actieve jazz-carrière liep van 1940 tot 1980.

Al op 13 jarige leeftijd begon hij professioneel op te treden bij de Luther Henderson Band en ging in de jaren 1941 t/m 1942 studeren aan het Conservatorium in Boston, samen met trompettist Roy Eldridge en gitarist Elmer Snowden. Bij het orkest van Fletcher Henderson speelde hij tot het midden van de jaren ’40 nog als Eddie Gregory.

Gedurende de jaren 1947 t/m 1951 speelde Sahib Shihab in groepen onder leiding van pianist Thelonious Monk en nam met hem voor Blue Note vele albums op. Ook speelde hij, als sideman, mee in de jaren 1949 t/m 1950 op vele opnamen met o.a. drummer Art Blakey, trompettist Kenny Dorham, tenorsaxofonist Benny Golson en in de Tadd Dameron Band.

Vooral de uitnodiging in de vroege jaren ’50 om te komen spelen in de Dizzy Gillespie Big Band, kreeg een belangrijke betekenis, want het markeerde Shihab’s overstap naar de baritonsaxofoon. Hierna speelde hij tot 1955 met Illinois Jacquet en in 1957 met de Oscar Pettiford Big Band. In 1958 was Sahib Shihab een van de vele poserende jazzmuzikanten voor de beroemde ‘A Great Day In Halem’-foto, gemaakt door fotograaf Art Kane.  

In 1959 toerde Sahib Shihab door Europa als lid van de Quincy Jones band. Hij was de raciale problemen in de Verenigde Staten, net als vele collega’s, volledig beu en vestigde zich uiteindelijk in Scandinavië, voornamelijk in Denemarken. Hier werkte hij voor Kopenhagen Polytechnic en schreef muziek voor televisie, films en ook voor theatervoorstellingen. In 1961 trad Sahib Shihab toe tot de Kenny Clarke – Francy Boland Big Band en bleef daarin, gedurende 12 jaren, een belangrijke steunpilaar in dit orkest.

Shihab trouwde met een Deense en stichtte met haar een gezin in Europa, maar hij bleef een zelfbewuste Afro-Amerikaan die nog steeds gevoelig bleef voor raciale kwesties. In het Eurovisie Song Festival van 1966, begeleidde Sahib Shihab Lill Lindfors en Svante Thuresson voor de Zweedse bijdrage ‘Nygammal Vals’.

In 1973 keerde Sahib Shihab, voor een periode van 3 jaar terug naar de Verenigde Staten om als sessiemuzikant te gaan werken met rock- en popartiesten. Onder eigen naam heeft Sahib Shihab slechts een handvol albums opgenomen voor de labels Savoy, Atlantic en Chess en in 1963, tijdens een live-optreden in Kopenhagen, uitgebracht op het Black Lion-label.

Zijn laatste deel van zijn leven, bracht Sahib Shihab door, pendelend tussen New York en Europa en speelde succesvol samen met trompettist Art Farmer. Sahib Shihab overleed op 24 oktober 1989 in Nashville (Tennessee) op 64-jarige leeftijd.

Lee Morgan 29 november 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het genoegen, om de geweldige trompettist Lee Morgan met zijn verschillende groepen aan u voor te stellen.

Hij werd op 10 juli 1938 in Philadelphia  geboren en werd door schrijver Fred van Doorn in 1986 één van de zogeheten ‘Lost Heroes’ genoemd.

En dat betekent dat we het hier over een musicus hebben, die tijdens zijn carrière altijd in de schaduw van een andere véél beroemdere tijdgenoot heeft gewerkt. In dit geval in de schaduw van zowel Miles Davis als ook van Clifford Brown.

 

Lee Morgan is tijdens zijn korte carrière een hoeksteen geweest voor het Blue Note platenlabel en is een van de grootste trompettisten in het hard-bop idioom geworden.

Een allround musicus op zijn instrument, vooral gevormd na het overlijden van Clifford Brown. Lee Morgan ontwikkelde een virtuoze techniek met een volle, soepele en krachtige toon vooral in het hogere register.

 

In zijn jonge jaren, eigenlijk nog als teenager, was Lee Morgan al een drukbezette solist met gracieuze lijnen, zoekend naar zijn persoonlijke stijl en kon die volledig gaan ontwikkelen in Art Blakey’s Jazz Messengers. En dat niet alleen als solist, maar steeds nadrukkelijker ook als componist, met elementen uit de blues en rhythm and blues.

Door gebruik te gaan maken van ruimte in zijn spel ontwikkelde Lee Morgan een aanstekelijk funky en ritmisch spel.

 

Edward Lee Morgan was, zoals eerder verteld, in 1938 geboren en groeide op als echte jazzliefhebber. Op zijn 14e gaf zijn zuster hem zijn eerste trompet cadeau, waarna hij privé-lessen ging volgen en boekte verrassend snelle vorderingen die hij voortzette op de Mastbaum High School. Al op 15 jarige leeftijd trad Lee professioneel tijdens de weekends op met o.a. bassist Spanky DeBrest en nam ook deel aan de wekelijkse workshops, dat hem de mogelijkheid boden om zijn voorbeelden Miles Davis en Dizzy Gillespie en zijn grote idool Clifford Brown te ontmoeten.

 

Na de tragische dood van Clifford Brown, als gevolg van een auto-ongeluk in juni 1956, bracht Lee Morgan plotseling in een positie dat hij een veelgevraagde musicus werd, vooral voor platenmaatschappij Blue Note. Voor dit label nam Lee Morgan in 1956 zijn eerste sessie op als leider en werkte nauw samen met Hank Mobley en Benny Golson.

Het jaar erop was Lee Morgan een van de medespelers op John Coltrane’s klassiek geworden album: ‘Blue Train’. Maar ook nam hij veel op met Jimmy Smith.

Zijn heroïneverslaving noodzaakte hem om in 1961 de Jazz Messengers te moeten verlaten.

 

Zijn verdere carrière laat zich in dit tijdsbestek van een uur niet samenvatten, dat doen we nog wel eens in een vervolg op deze uitzending. Maar uiteraard is wel vermeldenswaard op wat voor tragische wijze Lee Morgan aan zijn einde is gekomen.

 

Zijn veertien jaar oudere tweede echtgenote Helen schijnt nogal een jaloers type te zijn geweest. En niet verwonderlijk want Lee Morgan was echt een lieveling van de aanwezige dames en werd door Art Blakey ook vaak aangekondigd als “The Ladies Home Journal”.

Om een lang verhaal kort te maken, zonder  dat iemand de ware toedracht ooit heeft vernomen, ontstond er op 19 februari 1972 in de nachtclub ‘Slugs’ in New York een ruzie tussen Lee en zijn vrouw. Lee ging verder met spelen, maar zijn echtgenote kwam terug en schoot Lee met een pistool uit haar tas dood. Lee Morgan stierf op een leeftijd van slechts 33 jaar oud.

Curtis Fuller 22 november 2015 in "All That's Jazz".

Curtis Fuller werd op 15 december 1934, als Curtis Fuller DuBois geboren en is een Amerikaanse trombonist die vooral bekend is geworden als lid van Art Blakey’s Jazz Messengers en zijn bijdragen aan veel jazzopnamen.
Curtis Fullers' ouders waren uit Jamaica afkomstig en stierven jong, mede waardoor Curtis in een weeshuis opgroeide.

Zijn muzikale loopbaan startte hij met het bespelen van de baritonhoorn, waarna hij op de middelbare school, 16 jaar oud, definitief overstapte op de trombone.
In zijn geboorteplaats Detroit ontstond tijdens zijn jeugd een vruchtbare voedingsbodem voor enorm veel individueel jazztalent.
Schoolvrienden van Curtis Fuller waren pianist Tommy Flanagan, bassist Paul Chambers, trompettist Donald Byrd en vibrafonist Milt Jackson.

Na zijn diensttijd tussen 1953 en 1955, speelde Curtis Fuller in de band van de broers Adderley. Toen hij naar Detroit terugkeerde ging hij spelen in de groep van multi-instrumentalist Yusef Lateef, die zelf ook uit Detroit kwam en met gitarist Kenny Burrell.
In 1957 verhuisde het Yusef Lateef kwintet naar New York en daar zijn ook Fuller’s eerste twee sessies als leider opgenomen voor het Savoylabel en een derde, geproduceerd door Dizzy Gillespie voor Verve.

Dat Curtis Fuller over veel talent beschikte, verspreidde zich snel rond New York.
Ondanks het feit dat hij beïnvloed is door collega’s als J.J. Johnson, Jimmy Cleveland, Bob Brookmeyer en Urbie Green, ontwikkelde Curtis Fuller op 22 jarige leeftijd in New York een unieke eigen stijl en geluid. Deze stijl is te typeren met een vloeiend geluid, uitnodigend in plaats van lastig, met het vermogen om grote octaafsprongen te maken en met een ontspannen, ongedwongen manier van spelen.

In de jaren ’60 ging Curtis Fuller, als lid van de band van Dizzy Gillespie door Europa toeren en deed ook een aantal sessies in New York
In de jaren’70 experimenteerde Fuller een tijdje met elektronische muziek in een groep met gitarist Bill Washer en pianist Stanley Clarke. Ook toerde hij tussen 1975 en 1977 met de Count Basie band.

Maar erg belangrijk is vooral de ontdekking van Curtis Fuller geweest door Alfred Lion, de grote baas van het Blue Notelabel, die hem in ‘Café Bohemia’ had horen spelen in het sextet van trompettist Miles Davis. Hij nodigde Curtis Fuller uit om deel te gaan uitmaken van de Blue Note ‘familie’, waar hij opnamen ging maken met tenorist Hank Mobley, o.a. op diens album ‘The Opener’ en Alfred Lion bracht hem in contact met organist Jimmy Smith en pianist Bud Powell.

En dan was daar plotseling het album ‘Blue Train’ met John Coltrane, dat een regelrechte jazzhit werd. In totaal maakte Curtis Fuller al na 8 maanden New York, zes eigen albums en speelde op 15 albums mee als sideman, en dat is indrukwekkend voor een nieuw aankomende trombonist.
Ook werd Curtis Fuller door tenorsaxofonist Benny Golson uitgenodigd om voor het Riversidelabel mee te werken aan diens album ‘The Other Side Of Benny Golson’ en er ontstond een zodanige chemie tussen die twee sounds van tenor en trombone dat Curtis Fuller ook een van de mede-oprichters werd van ‘The Jazztet’ met Benny Golson en Art Farmer. Een sextet dat een erg succesvolle eenheid werd, met Curtis Fuller als trombonesolist. Pianist McCoy Tyner maakte er zijn debuut.

In de zomer van 1961 ging Curtis Fuller bij Art Blakey’s Jazz Messengers spelen met talenten als trompettist Freddie Hubbard, saxofonist Wayne Shorter, bassist Jymie Meritt (later Reggie Workman) en die gedreven drummer Art Blakey.
Zij maakten The Jazz Messengers tot één van de meest onderscheidende bands in de geschiedenis van de hardbop jazz.
Curtis Fuller bleef tot februari 1965 bij The Jazz Messengers en ging daarna freelancen, vooral rond New York.
Voor Blue Note werkte hij opnieuw mee met albums, zoals Lee Morgan’s ‘Tom Cat’, Hank Mobley’s ‘A Caddy For Daddy’, Joe Henderson’s ‘Mode For Joe’ en Wayne Shorter’s ‘Schizofrenie’.

Na wat gezondheidsproblemen, werd Curtis Fuller weer actief met zijn lyrische improvisaties en ingenieuze composities. Of hij nu op het podium staat of in de studio bezig is, hij werkt altijd ontspannen met een professionele instelling, vol humor en met een natuurlijke glans.

Miles Davis 15 november 2015 in "All That's Jazz".

In ‘Het JazzProfiel’, dit keer de muziek en het carrièreverhaal van de, als zoon van een tandarts in 1926 in Alton (Illinois) geboren en in East St. Louis opgegroeide, Miles Dewey Davis.

Door zijn trompetspel, de samenstelling van zijn groepen en de voortdurende vernieuwingen in zijn muziek is hij één van de invloedrijkste jazzmusici uit de periode na de Tweede Wereldoorlog geweest. Miles stond voor een specifiek geluid, een sfeer en de daar onverbrekelijk mee verbonden sterke uitstraling van zijn persoonlijkheid.

De Nederlandse trompettist Ack van Rooyen schreef in het boek ‘Miles Davis Dichterbij’: ‘Miles Davis creëerde voortdurend een atmosfeer en is dat blijven doen. Ik zie hem niet zozeer als trompettist. Als ik naar hem luister, denk ik niet in de eerste plaats aan een trompet. Clifford Brown was instrumentalistisch zo gaaf, dan moest je wel. Bij Miles gaat het er niet om of hij nu zo voorbeeldig op dat instrument staat te spelen. Hij heeft wat ik wil noemen een ander soort beheersing. Het gaat er niet zozeer om of een dergelijke hoge noot precies raak getroffen wordt of niet. Het komt ergens uit voort’. Tot zover Ack van Rooyen over Miles Davis.
De geschiedenis van Miles Davis vermeld dat hij op zijn dertiende verjaardag een trompet van zijn vader kreeg. Hij studeerde in zijn woonplaats bij Elwood Buchanan, voormalig trompettist in de band van Andy Kirk, en onderging, zoals hij meermalen heeft gezegd, als speler de invloed van Clark Terry, vooral wegens diens melodieuze manier van spelen. Zijn eerste ervaringen als professioneel speler deed hij onder meer op in een plaatselijke rhythm & bluesgroep die ‘Eddie Randall’s Blue Devils’ heette en ook in de big band van zanger Billy Eckstine. In deze band speelden ook altsaxofonist Charlie Parker en trompettist Dizzy Gillespie. Met de bedoeling hun spoor te volgen, trok Miles Davis eind 1944 naar New York, waar hij ook klassiek trompet studeerde aan de Juilliard School of Music.
 

Al snel na zijn muziekopleiding wijdde Miles Davis zich geheel aan de nieuwe muziekstroming: de bebop. In deze uiterst belangrijke beginperiode van deze jazzstijl: 1945 t/m 1948, in het kwintet van Charlie Parker, ontwikkelde Miles Davis al snel een eigen trompetstijl met een sterk melodisch karakter. Zijn spel gaf blijk van een voorkeur voor het middenregister, met soms een spaarzaam notengebruik, waarbij stiltes, tegen de achtergrond van een lekkere doorwerkende ritmesectie, een spanningverhogende functie kregen.

Het Europese debuut van Miles Davis vond plaats tijdens het Jazzfestival Parijs in 1949. Hij werd er, zoals later ook op andere plekken in Europa, als een echte kunstenaar vereerd. Terug in New York leidde Miles Davis, ernstig verslaafd aan harddrugs, een tamelijk obscuur leven. Wel maakte hij af en toe platen, die het tijdperk van de hard-bop inluidden en allemaal van historisch belang zijn door de sterke ritmesecties met de pianisten Horace Silver, John Lewis en Thelonious Monk, de bassisten Oscar Pettiford, Charles Mingus en Percy Heath en de drummers Kenny Clarke, Art Blakey en Max Roach.

 

Pierre Courbois 8 november 2015 in "All That's Jazz".

Op 6 november 1957 had Pierre Courbois zijn eerste live optreden achter het drumstel en dat is dus deze week exact 58 jaar geleden. Een mooie gelegenheid dus om in All That’s Jazz bij dit heugelijke feit stil te staan!

Als Rick FM presentator, wil ik Pierre Courbois hier van harte mee gelukwensen en spreek de hoop uit dat hij nog lang en vitaal onder ons Nederlandse jazzliefhebbers mag blijven verkeren en excelleren.

 

Als ik het carrièreverhaal van Pierre Courbois begin te presenteren, dan realiseer ik mij bijzonder goed, dat ik het hier zal hebben over één van de weinige nog levende legenden van de Nederlandse Jazzwereld. Daarnaast beschikt Pierre over een sterke warme persoonlijkheid en heeft door een jarenlange intensieve werkervaring een solide reputatie weten op te bouwen in en ver buiten Nederland.

Pierre is als zoon van een juwelier op 23 april 1940 in Nijmegen geboren.

Hij studeerde drums en percussie, compositieleer en piano aan de Hogeschool der Kunsten in Arnhem en rondde zijn studie in 1960 af, dus al op 20 jarige leeftijd.

 

Aan interviewer Tom Beetz heeft Pierre Courbois in ‘Jazz Nu’ nummer 141 in augustus 1990 een uitgebreid interview afgegeven met als kop:

“Ik schijn het stempel van freak op mijn voorhoofd te hebben”.

Hoe kan je het zeggen, als je zo’n uitermate originele musicus en componist bent.

Maar het was een zodanig boeiend stuk dat ik het als liefhebber van Pierre’s muziek altijd heb bewaard. Hij onthult b.v. in dit artikel dat hij in 1990 al vanaf april uitgeschakeld is geweest door een zeldzame ziekte, die van Klippel-Trénauney, een aangeboren afwijking aan de bloedvaten die tot gevolg heeft dat Courbois aan chronische pijn lijdt.

Maar verder niets van een treurnis in dit artikel, maar juist positivisme. Zo verteld Pierre dat hij zich al op jonge leeftijd aangetrokken heeft gevoeld tot het drumstel.

 

Ja, over die drums, dat boeit mij bijzonder, want Pierre Courbois legde aan interviewer Tom Beetz uit dat doordat hij altijd problemen had met zijn benen, hij de pedalen steeds verder is gaan verbeteren. Zo ontdekte hij dat je veel meer met de pedalen kunt doen dan de gemiddelde drummer doet.

Het resultaat was zodanig bijzonder dat op een tournee door Japan allerlei fotografen op hem afkwamen, en dat speciaal om die verbeterde pedalen te komen fotograferen. Pierre heeft helaas geen patenten voor deze speciaal ontwikkelde pedalen aangevraagd, anders zou hij indertijd misschien wat beter in zijn slappe was gezeten hebben. Het bijzondere was dat Pierre nl. een dubbel pedaal gebouwd had, waarmee je met 2 voeten op 1 basdrum kunt spelen en omdat Pierre veel met het vliegtuig reist, is het vervoer van een uitgebreid drumstel vreselijk duur en door die dubbele pedaal spaarde Pierre een complete basdrum uit. Zo is Pierre constant aan verbeteringen blijven werken. Ik vind dit een buitengewoon boeiend verhaal, want Pierre blijkt naast de drummer en componist ook nog uitvinder te zijn.

 

Ook las ik dat Pierre ontdekte dat er een merkwaardig verschijnsel is dat vaak niet samengaat, nl. het fenomeen drummer en slagwerker. Veel presentatoren kondigen de drummer nl. nog steeds aan als slagwerker. Zelf gebruikt Pierre altijd drummer en dus geen slagwerker en als je hem hiernaar vraagt antwoord hij consequent met: “Dat komt omdat een drummer wel een slagwerker is, maar lang niet iedere slagwerker ook een drummer is”. Pierre is tot de conclusie gekomen dat je een drummer bent als je begeleidt en een slagwerker als je soleert en goed begeleiden en goed soleren gaan niet samen volgens Pierre.

 

Nadat Pierre Courbois in 1960 zijn studie beëindigde vertrok hij naar Parijs waar hij in de legendarische Blue Note Jazzclub met veel jazzgroten heeft samengewerkt.

Hierna heeft Pierre in veel internationale groepen gewerkt en over de hele wereld gezworven.

Pierre Courbois behoort tot één van de eerste musici in Europa die experimenteerde met geïmproviseerde muziek. In 1961 werd hij de leider van The Original Dutch Free Jazz Quartet en in 1965 startte hij een andere groep The Free Music Quintet, dat op het ESP-label te beluisteren is.

 

In 1992 startte Pierre onder eigen naam een kwintet en voor het eerst in zijn carrière liet hij eigen compositie horen, met goede recensies van critici en publiek, want Pierre was naar de Charles Mingus traditie teruggekeerd, dus met een thema, melodieuze ensemble-jazz en experimenten met improvisaties.

Tijdens het North Sea Jazz Festival van 1994 ontving Pierre Courbois de hoogste erkenning door de Bird Award in ontvangst te mogen nemen, vernoemd uiteraard naar jazzgigant Charlie ‘Bird’ Parker en in 2008 de VPRO/Boy Edgar Prijs.

Erik Robaard 1 november 2015 in "All That's Jazz".

 

Ik heb dit keer het grote genoegen om ‘Het JazzProfiel’ te presenteren van de in mei 1962 geboren toonaangevende Nederlandse contrabassist Erik Robaard.
Deze muzikant is zó druk bezig met de uitoefening van zijn beroep, dat hij nog nauwelijks tijd heeft kunnen vrijmaken voor de beschrijving van zijn biografie en carrièreverhaal. Maar gelukkig weten wij natuurlijk wel het nodige van deze musicus.
Robaard studeerde allereerst basgitaar aan het Hilversums Conservatorium en kreeg hier vakkundig les van o.a. de bassisten Viktor Kaihatu en Koos Serierse. Tijdens zijn studie ‘pikte’ Robaard ook de contrabas op, waarna hij In 1990 succesvol af studeerde aan dit Conservatorium.

Erik Robaard komt niet echt uit een uitgesproken muzikale familie, hoewel zijn zuster piano speelde, waardoor gezamenlijk thuis improviseren de gewoonste zaak van de wereld was.
Oorspronkelijk lagen Erik Robaard’s roots bij Jon Mitchell en de Amerikaanse jazz-fusion band ‘Weather Report’, maar omdat hij voor zijn opleiding aan het Conservatorium tevens de contrabas ging bespelen, werd er ook vereist om uitgebreid naar jazzmuziek te gaan luisteren.
De eerste jazzplaat die Erik Robaard van ‘de fonotheek’ leende, was er een van Wayne Shorter met Ron Carter op de contrabas. In eerste instantie was deze muziek volkomen nieuw voor Robaard, die zich toen nog niet realiseerde, dat Ron Carter later één van zijn grote muzikale helden zou worden.

Erik Robaard heeft naast Ron Carter echter nog meer inspiratiebronnen benoemd. Wat te denken van: Gary Peacock, Marc Johnsson, Miles Davis, Stan Getz, Keith Jarrett, Herbie Hancock en Jim Hall. Een illuster rijtje beïnvloedende musici!
Na zijn studie begon Erik Robaard als een soort ‘Mr. Sideman’ vanaf 1990 veel jazz freelancewerk te verrichten, o.a. met Ferdinand Povel, Wim Overgaauw, Rob Madna, Toon Roos, Peter Leitch, Denise Jannah, Lydia van Dam, Thijs van Leer, Woody Shaw, Michiel Borstlap, Ad Colen, Rob van Bavel, Ack van Rooyen, Rob van Kreeveld, Jan Huyds, Karel Boehlee, David Schnitter en vele anderen.

Naast zijn vele jazzwerkzaamheden, heeft Erik op een nog breder vlak muziek gemaakt, met o.a. zijstappen naar musicals, klassieke orkesten, popmuziek en muziektheater.
Tournees werden gemaakt met Thijs van Leer (Thailand), Ad Colen (Indonesië), Deep River Quartet (Europa), Denise Jannah (Frankrijk), Timeless Bigband (o.a. Scandinavië), Tim Amacost (Duitsland), Toon Roos (Cyprus), Holland Jazz Kwintet (Rusland), Niki Romijn (Zuid-Afrika) en Ack85 tour (Duitsland).

We zeiden het al: Erik Robaard is een bijzonder druk bezette en dus veelgevraagde contrabassist.
In zijn lijst met platenopnamen tellen we al 17 musici c.q. groepen waarmee Erik opnamen heeft gemaakt en zijn huidige groepen waarin hij actief is, omvatten maar liefst 10 stuks.
In deze uitzending met Erik Robaard zullen een behoorlijk aantal jazzstukken worden gedraaid, die elk een goede inkijk verschaffen in de professionaliteit en muzikale originaliteit van onze hoofdpersoon. Mede doordat hij aan alle muziekstijlen heeft ‘gesnoven’, wordt het ongetwijfeld een boeiend eigen JazzProfiel van hem.

Billie Holiday 25 oktober 2015 in "All That's Jazz".

 

De in 1915 in Baltimore, als Eleanora Fagan geboren Billie Holiday, was de verpersoonlijking van de vocale jazztraditie uit de jaren dertig en veertig.

Haar voordracht, tegelijkertijd verleidelijk en smartelijk, met een precieze aandacht voor de tekst van een song en met sombere versieringen van de melodie, hield gelijke tred met die van sommige grote instrumentalisten uit haar hoogtijdagen: namelijk de jaren 1935 tot 1950.

Billie Holiday begon haar loopbaan als zangeres in diverse clubs van de zwarte New Yorkse wijk Harlem. Ze werd daar ontdekt door jazzpromotor John Hammond en maakte haar eerste platenopnamen in 1933 met klarinettist Benny Goodman.

Billie Holliday’s grote faam begon vooral in de periode 1935 tot 1938, toen zij als zangeres optrad met de big bands van Jimmy Lunceford, Fletcher Henderson, Count Basie en Artie Shaw. Zij behaalde grote successen met haar uitvoeringen van ‘Strange Fruit’ (een gedicht van Lewis Allan op het thema rassendiscriminatie), ‘Lover Man’ en ‘God Bless The Child’.

 

Tijdens één van de vele sessies waaraan Billie Holiday deelnam, ontstond een ‘vriendschap voor het leven’ met tenorsaxofonist Lester Young, die lange tijd bij haar moeder heeft ingewoond, en met wie Billie Holiday een sterke geestelijke en muzikale band kreeg.

In haar biografie ‘Lady Sings The Blues’ (die ook is verfilmd met Diana Ross in de hoofdrol), heeft Billie, in samenwerking met William Dufty, geschreven: ‘Het was bij één van deze sessies dat ik voor het eerst Lester Young ontmoette.

Van toen af wist Lester hoe graag ik hem in de buurt had om mooie solo’s achter me te blazen. Ik begon Lester ‘president’ te noemen. Het werd afgekort tot ‘Prez’, maar betekent nog steeds hetzelfde als ik toen bedoelde: de eerste man in dit land.

Voor mij was Lester de beste ter wereld. Ik hield van zijn muziek en een paar van mijn favoriete platen zijn die, waar hij zijn mooiste solo’s op speelde’.

Op zijn beurt gaf Lester Young, wiens lichte timbre op de tenorsax op een natuurlijke wijze aansloot bij de stem van Billie Holiday, haar de bijnaam ‘Lady Day’.

Hun relatie is door Martin Schouten beschreven in zijn boek: ‘Billie en de President’.

 

In de jaren veertig werkte Billie Holiday voornamelijk als soloartieste in allerlei Amerikaanse clubs. In 1944 deed zij mee aan het Esquire Annual Concert, in gezelschap van onder meer trompettist Roy Eldridge, tenorsaxofonist Coleman Hawkins en pianist Art Tatum.

In 1946 speelde zij naast Louis Armstrong in de film: ‘New Orleans’.

Billie’s gezondheid en haar toch al zwakke geestelijke evenwicht hadden meer en meer te lijden onder overvloedig drank- en drugsgebruik.

Twee maal moest Billie Holiday voor enige tijd van het toneel verdwijnen voor het volgen van een verplichte ontwenningskuur.

 

In 1954 kwam Billie Holiday voor het eerst naar Europa, als vocaal onderdeel van het door journalist en platenproducent Leonard Feather samengestelde tourneepakket: ‘Jazzclub USA’. Billie Holiday’s optreden in de Scheveningse Kurzaal werd een mislukking, o.a. door haar onzekerheid en door een onbarmhartige ontvangst van het publiek.

In een uitermate slechte conditie, en tamelijk vereenzaamt, bracht Billie Holiday haar laatste jaren door. Sporadisch kon zij haar klasse als vocaliste nog tonen, zoals in 1957 in de tv-film ‘The Sound Of Jazz’. In 1959, slechts enkele maanden na de dood van Lester Young, overleed Billie Holiday. Erkenning als begenadigd kunstenares is haar pas veel later ten deel gevallen.

Haar naam leeft voort in een serie unieke platenopnamen, waarbij die van haar eigen song:

'Don’t Explain' een uiterst symbolische waarde bezit.

Dexter Gordon 18 oktober 2015 in "All That's Jazz".

 

Na op jeugdige leeftijd altsaxofoon te hebben gestudeerd, maakte de in 1923 in Los Angeles (Californië) geboren Dexter Keith Gordon zijn definitieve keuze: de tenorsaxofoon. Dit gebeurde in 1940, het eerste jaar van het decennium waarin, volgend op de swingstijl, de nieuwe jazz – de bebop- zou ontstaan. Van beide stijlen draagt het spel van Gordon elementen in zich.

 

In Dexter Gordon’s tenorspel is de lyrische betoogtrant van de jaren dertig vermengd met de nieuwe, harmonische verder ontwikkelde denkwijze.

Een en ander resulteerde bij Dexter Gordon in een nonchalante 'luie', achter de beat aan lopende timing, die zijn spel vooral in langzame stukken erg opwindend maakt maar in snelle tempi soms een irritant effect kan hebben.

Maar daar tegenover staat zijn uitbundige, sonore geluid dat hem onmiddellijk herkenbaar maakt.

 

In de eerste helft van de jaren veertig speelde Dexter Gordon in de big bands van Fletcher Henderson, Lionel Hampton en Billy Eckstine, een periode waarin hij de kans kreeg om geleidelijk aan een naam als jonge tenorheld op te bouwen.

Ook hij belandde in het New Yorkse bebopmilieu en maakte er opnamen met onder meer Tadd Dameron, Dizzy Gillespie, Fats Navarro, trombonist J.J.Johnson en met drummer Max Roach.

 

Tussen 1953 en 1960 moest de bon-vivant ‘Long Tall Dexter’, die naar Californië was teruggekeerd, wegens drugsgebruik twee maal voor lange tijd van het toneel verdwijnen.

Bovendien had een rechttoe rechtaan spelend en in de swingtraditie wortelend musicus als hij het moeilijk tijdens de bloeiperiode van de gestroomlijnde west coast jazz, in de eerste helft van de jaren vijftig. 

 

In 1960 kreeg Dexter Gordon de opdracht om muziek te schrijven en te vertolken bij Jack Gelber’s toneelstuk ‘The Connection’, dat de drugscene als onderwerp heeft.

Het tij bleef echter tegen zitten, zodat hij in 1962 naar Kopenhagen verhuisde.

Want Dexter Gordon had in de Deense hoofdstad regelmatig werk, met de jazzclub ‘Montmartre’ als uitvalsbasis naar festivals en clubs elders in Europa.

 

Met enig eerbetoon werd Dexter Gordon in New York teruggehaald, waar hij in korte tijd een aantal lp’s voor het Blue Note-label kon opnemen met leden van de jongere generatie, onder wie trompettist Freddie Hubbard en pianist Herbie Hancock.

Ook ging Dexter Gordon naast zijn tenorsax de sopraansaxofoon bespelen.

 

Een tweede comeback, in de jaren zeventig, leverde een aantal concerten op met tenorsaxofonist Johnny Griffin.

Drankgebruik en de tand des tijds maakten zijn steeds slomer getimede spel soms tot een ramp voor zijn medespelers.

Dit soort problemen valt ook te bespeuren in de film ‘Round Midnight’ uit 1986, waarin Dexter Gordon voortreffelijk acterend, maar moeizaam spelend, het leven uitbeeldt van een naar Parijs uitgeweken Amerikaanse jazzmusicus.

De hoofdpersoon houdt, met al zijn persoonlijke tragiek, het midden tussen pianist Bud Powell en tenorsaxofonist Lester Young.

 

Dexter Gordon stierf in april 1990 in Philadelphia op 67-jarige leeftijd.

Lionel Hampton 11 oktober 2015 in "All That's Jazz".

De in 1908 te Louisville Kentucky geboren Lionel Hampton is zijn carrière begonnen als drummer, maar heeft vooral door zijn werk op de vibrafoon, in 1930 bij Louis Armstrong en in 1936 bij Benny Goodman, dit instrument een volwaardige plaats in de moderne jazz gegeven.

De platenopnamen uit deze jaren dertig met het Benny Goodman Quartet, waarin Lionel Hampton als dynamisch spelend vibrafonist stevig partij gaf aan de klarinettist, zijn legendarisch geworden.

 

Lionel Hampton kreeg bij Benny Goodman zo’n grote naam dat hij vanaf 1940 met eigen formaties kon gaan werken.

Zijn eerste big-bandversie van het nummer dat onverbrekelijk verbonden is aan zijn muzikale opvattingen ‘Flying Home’, dateert van 1942.

 

Altijd heeft Lionel Hampton zijn eigen plaats in de moderne jazz weten te behouden, deels door briljante vertolkingen van een aantal slows, zoals: ‘Tenderly’, ‘Stardust’ en  eigen composities als: ‘Midnight Sun’, deels door zijn virtuositeit en zijn talent om een zaal vol mensen in verregaande staat van opwinding te brengen.

 

In Nederland gebeurde dit voor de eerste keer in 1953, toen talentvolle jonge musici als de trompettisten: Clifford Brown, Art Farmer en Quincy Jones, altsaxofonist Gigi Gryce, tenorist Clifford Solomon, trombonist Jimmy Cleveland en pianist George Wallington, deel uitmaakten van zijn big band.

Het jaar daarop ging het publiek in de Amsterdamse Apollohal tijdens Hampton’s show zó te keer dat het met vereende krachten door de vloer zakte.

 

In 1956 maakte de Lionel Hampton Band het onder aanvoering van de furieus spelende vibrafonist en drumsolist in het Amsterdamse Concertgebouw zó bont dat de politie ingreep en verder optreden verbood. Ik citeer uit een artikel in Het Parool: ‘Heren, die men ’s morgens met aktetas naar kantoor had zien gaan, grepen juffrouwen bij de schouders en hosten door de zaal, van de balkons klonken wilde kreten, het was die nacht waarlijk angstig en onwerkelijk’, tot zover dit artikel in Het Parool.

 

Tot op hoge leeftijd is de energieke Lionel Hampton, terend op oude roem, maar ook met een nieuw repertoire aan de weg blijven timmeren.

 

Zowel in de kleinere formatie ‘Jazz Inner Circle’, als in zijn big bands, zijn altijd solisten van naam blijven spelen en dat zegt natuurlijk alles over het hoge spelniveau van Lionel Hampton’s formaties.

Lionel Hampton overleed op 31 augustus 2002.

 

Lee Konitz 4 oktober 2015 in "All That's Jazz".

Lee Konitz die in 1927 in Chicago Illinois geborenen, maakte rond 1950, tijdens de korte periode van de cool jazz, naam als een van de musici rond pianist Lennie Tristano.
Het huidige spel van Lee Konitz, die zich al jaren geleden min of meer van Tristano’s invloed heeft losgemaakt, kan niet meer onder de noemer cool jazz worden samengevat.
De eerste big band waarin Lee Konitz, al op zestienjarige leeftijd zijn brood verdiende, was die van Jerry Wald.

Lee Konitz speelde gedurende de jaren 1947 en 1948 in het orkest van Claude Thornhill, waarvoor Gil Evans toen ook al als arrangeur werkte.
Door de lessen van Lennie Tristano kregen Lee Konitz’ virtuoze, sterk vertikaal-harmonisch gerichte improvisaties, vol avontuurlijke intervallen, een bijna abstract karakter. Timing en frasering van Lee Konitz, weken bovendien sterk af van het heersende Charlie Parker-idioom.

Misschien niet zo bekend is, dat Lee Konitz opnamen heeft gemaakt met de legendarische negenmansformatie van trompettist Miles Davis voor het album ‘Birth Of The Cool’ uit 1949-1950 en samen speelde met baritonsaxofonist Gerry Mulligan.

Met het orkest van Stan Kenton, door wie Lee Konitz sterk is gepousseerd, maakte hij in 1953 zijn Europese debuut.
Franse en Zweedse musici, die Charlie Parker al eerder binnen hun gelederen hadden gehad (tussen 1949 en 1951), vereerden Lee Konitz als de nieuwe blanke god en maakten in de korte periode van de Kenton-toernee reeksen platenopnamen met hem.
Drie jaar later was hij op ook de Nederlandse podia te horen, als lid van de ‘Birdland All Stars’, begeleid door contrabassist Oscar Pettiford en drummer Kenny Clarke.

Lee Konitz heeft zowel in de Verenigde Staten, waar hij ook actief is als docent, als op Europese festivals concerten gegeven.
De status van vedette van Lee Konitz nam af, gedeeltelijk door de opkomst van een nieuw legioen van donkergekleurde musici, maar ook door eigen bescheidenheid over zijn positie in de voortschrijdende jazzontwikkeling.

Over de rol van pianist Lennie Tristano in zijn muzikale leven heeft Lee Konitz zelf gezegd: ‘Ik vermeed de weggetjes die andere musici namen, omdat ze beïnvloed waren door Charlie Parker. Pas daarna realiseerde ik mij dat ik toch iets miste in mijn muzikale opvoeding: zowel de kennis van Parker’s muziek, als dat van al die anderen die ook schitterende muziek maakten’.

In het vervolg van Lee Konitz’ carrière, werd zijn spel aardser zou je haast kunnen stellen, en eenvoudiger, wat fans van het eerste uur helaas gewoner vonden. Zijn spel raakte dieper geworteld in de melodische traditie. Maar ondertussen kan hij natuurlijk nog steeds worden gezien als een van de allergrootse blanke persoonlijkheden op de altsaxofoon, actief in de moderne jazz.

De uitzending van Lee Konitz  wordt donderdagnacht 8 oktober om 01:00 uur herhaald.

Louis Armstrong 27 september 2015 in "All That's Jazz".

Louis Armstrong werd op 4 augustus 1901 in New Orleans Louisiana geboren als Louis Daniël Armstrong. Hij heeft het grootste deel van zijn leven in Corona New York gewoond en gewerkt. Algemeen wordt hij gezien als de eerste grote jazzsolist: een blazer met een aangeboren gevoel voor swing, die een heel orkest kon inspireren en omhoog kon tillen. Zijn bijnaam ‘Satchmo’ of ’Satch’ is een afkorting van Satchelmouth, oftewel een mond als van een graanschuur.

 

Louis Armstrong leerde kornet spelen in het opvoedingsgesticht ‘Colored Waif’s Home’, waar hij naartoe gestuurd was omdat hij op straat met een geweer had geschoten. In zijn geboortestad New Orleans had hij vanaf zijn veertiende eerst diverse baantjes gehad, variërend van melkbezorger tot kolensjouwer.

 

In 1919 werd Louis Armstrong, in het orkest van trombonist Kid Ory de vervanger van de door hem bewonderde kornettist King Oliver.

Zijn werkterrein was naast dat van de band van Kid Ory, ook dat van een losse snabbelaar in kroegen en danszalen, streetparades, riverboats en begraafplaatsen.

Met de band van Fate Marable speelde hij afwisselend 3 seizoenen in en om St. Louis en New Orleans. In 1922 kwam een eerste bekroning voor Louis Armstrong’s grote talent, namelijk hij ontving in dat jaar van King Oliver het verzoek om in Chicago als 2e kornettist in diens Creole Jazz Band te komen spelen.

Met deze band maakte Armstrong in 1923 zijn eerste platenopnamen.

De pianiste van dit orkest, de zeer zakelijk ingestelde Lil Hardin, werd Armstrong’s tweede echtgenote, na zijn ongelukkig afgelopen jeugdhuwelijk met Daisy Parker.

Andere leden van de Creole Jazz Band waren klarinettist Johnny Dodds, trombonist Honor Dutrey, bassist Bill Johnson en slagwerker Baby Dodds.

 

De Creole Jazz Band kenmerkte zich eerder door het geraffineerd polyfoon samenspel van de blazers in de thema’s en collectieve improvisaties, dan door de individuele solo’s.

Wat dit betreft kwam Louis Armstrong in 1924 nog beter tot zijn recht in het orkest van Fletcher Henderson, waarmee hij toen roem ging oogsten in New York.

Musici die hem hoorden, waren diep onder de indruk, noemden hem zonder uitzondering een sensatie en tipten hun collega’s.

Zijn spel viel op door zijn sterke en overrompelende sound, de speelse trillers en andere versieringen in zijn spel, zijn melodische rijkdom, zijn gevoel voor blues en zijn ontspannen timing.

Zijn rasperige scatzang vanuit de keel, en zijn innemende presentatie deden de rest. 

Door deze eigenschappen is hij te beschouwen als de grootste showman en ‘popularisator’ die de jazz ooit heeft gekend.

 

Louis Armstrong zelf heeft zich nooit als een groot kunstenaar gezien, eerder als een muzikaal artiest die van alle markten thuis wenste te zijn.

Hij heeft ook veel opnamen gemaakt met zangeressen als: Ma Rainey, Trixie Smith, Clara Smith, Bessie Smith en natuurlijk met Ella Fitzgerald met ondermeer het prachtige Porgy & Bess album.

In Chicago voegde Armstrong zich bij Lil Armstrong’s Dreamland Syncopators, de band van zijn tweede echtgenote Lil Hardin en ook trad hij afwisselend op met de orkesten van Erskine Tate en dat van Carroll Dickerson.

Met zijn Hot Five en Hot Seven legde Louis Armstrong in de periode van 1925 tot 1927 voor het platenlabel ‘Okeh’ een serie nummers vast die hem voor de kring van ingewijden onsterfelijk hebben gemaakt, ondanks het nog stramme en primitieve spel van sommige medespelers. Medemusici die Armstrong op deze opnamen nog het best konden volgen waren in de eerste plaats pianist Earl Hines en daarnaast met wisselende kwaliteit Johnny Dotts op de klarinet, trombonist Kid Ory, banjoist en gitarist Johnny St. Cyr en zijn echtgenote Lil Hardin op de piano.

Door zijn Nederlandse fans werd hij bij zijn eerste bezoek in 1933 in het Amsterdamse Carlton Hotel en in de Haagse Dierentuin als een vorst ingehaald.

In de 10 jaar daarna was hij een veelgevraagd figuur in de filmindustrie van Hollywood.

Jazzconcerten vormden nog maar een bescheiden onderdeel van een reeks van activiteiten, waarin het accent meer en meer kwam te liggen op showbusiness en film.

 

Des te triomfantelijker was Armstrong’s bijdrage aan het Esquire Concert in 1944 in The Metropolatan Opera van New York in gezelschap van zijn jongere collega’s: de trombonisten Roy Eldridge en Jack Teagarden, tenorsaxofonist Coleman Hawkins, klarinettist Barney Bigard, vibrafonist Lionel Hampton, pianist Art Tatum, gitarist Al Casey, contrabassist Oscar Pettiford en drummer Big Sid Catlett.

 

Na de Tweede Wereldoorlog trad Louis Armstrong vooral op met All Star-bezettingen.

Het risicoloze en vooral herkenbare repertoire werd gespeeld in een stijl die het midden hield tussen oude jazz en mainstream.

In de amusementsmuziek bleef Louis Armstrong bekend door gezongen hits als:  ‘Blueberry Hill’, ‘Mac The Knife’, ‘Hello Dolly’ en ‘What A Wonderful World’.

 

Films waarin Louis Armstrong optrad zijn: ‘Pennies From Heaven’ en ‘A Song Is Born’ plus ‘The Glenn Miller Story’ en ‘High Society’.

Voor de jazzwereld blijven zijn oorspronkelijke vertolkingen van onschatbare waarde. Zij zijn allemaal klassieke muziek geworden.

Louis Armstrong stierf in New York op 6 juli 1971 op bijna 70 jarige leeftijd.

 

De uitzending van Louis Armstrong  wordt donderdagnacht 1 oktober om 01:00 uur herhaald.

Hank Mobley 20 september 2015 in "All That's Jazz".

Vanavond heb ik het genoegen om het JazzProfiel van tenorsaxofonist Hank Mobley te presenteren, die op 7 juli 1930 in Eastman als Henry Mobley werd geboren. Eigenlijk heeft hij het nooit helemaal gemaakt bij de critici en het grote publiek. Des te meer bij de musici en de jazzliefhebbers. Velen van hen houden van zijn speelwijze en zijn aangename geheel eigen geluid. Hoewel hij stilistisch bij de zogenaamde hardbop-school hoort, is het vreemd dat hij hierin wat zijn toon betreft niet te plaatsen valt. Enerzijds hoort hij niet bij de 'harde jongens' en anderzijds ook niet bij de school van Lester Young-volgelingen.

Recensent Leonard Feather schreef als eerste zin achterop de hoes van Hank Mobley’s LP ‘Workout’ uit 1961: dat hij ‘de middengewicht kampioen van de tenorsaxofoon’ was. Hij bedoelde het met deze uitspraak niet zo kwaad, want hij wilde eigenlijk met dit statement aangeven dat Hank Mobley niet vergeleken moest worden met zwaargewichten als Coleman Hawkins, Sonny Rollins of John Coltrane, die alle drie in hun categorie onverslaanbaar waren. Nee, Hank Mobley is daardoor eigenlijk een lost heroe t.o.v. deze 3 tijdsgenoten en is tegelijkertijd de kampioen middengewicht. En dat vooral om zijn geweldige sound, die hij trouwens ook zelf heeft omschreven als: ‘Not a big sound, not a small sound, just a round sound’. En daarnaast ook omdat hij indertijd alle rages en modegrillen heeft overleefd en toch een constant succesvolle musicus is geweest én gebleven.

Na zijn jeugd verhuisde Hank Mobley naar Newark, New Jersey. Hij kwam uit een muzikale familie: grootmoeder, moeder en oom speelden allen piano. Zijn oom liet hem veel Lester Young-platen horen, en toen Mobley op 16-jarige leeftijd een tenorsax kreeg, was Lester dan ook zijn eerste idool. Later werden Dexter Gordon, Charlie Parker, Don Byas en Sonny Stitt zijn favorieten. Vooral Stitt had een grote invloed op de jonge tenorist.Van 1949 tot 1950 speelde Hank Mobley in verschillende lokale groepen in Newark met onder anderen de pianisten Walter Davis Jr. en Freddie Roach. Op aanbeveling van trompettist Clifford Brown nam pianist/zanger Paul Gayten hem op in zijn orkest, waarin ook Charlie Persip, Cecil Payne en Clark Terry werkten. Mobley speelde in dit orkest alt-, tenor- en baritonsaxofoon en kreeg ook de muzikale leiding van de band. Na een contract in de Savoy Ballroom, werd het orkest in november 1952 helaas ontbonden.

Nadat Hank Mobley terug was gekeerd naar Newark, ontmoette hij hier tijdens een jamsessie drummer Max Roach. Een dag daarna belde Roach hem op en vroeg of hij en Walter Davis Jr. in zijn groep wilden komen spelen. Met het toenmalige Roach-sextet speelde Hank Mobley gedurende drie maanden in de Apollo-bar in de 125e straat in New York. In deze periode werden ook zijn eerste plaatopnamen gemaakt met, naast de 21-jarige saxofonist, pianist Walter Davis Jr., bassist Frank Skeete en drummer Max Roach.

Ondanks zijn rhythm & blues-achtergrond klonk Hank Mobley hier toch heel anders dan je zou verwachten: een tamelijk dun geluid, zoals we dat van Lester Young kennen. Hij is trouwens een van de weinige jonge bebop-tenoren uit die tijd met invloeden van Young.  Als drummer Max Roach in juni 1953 naar Californië vertrekt om daar een nieuwe groep te formeren (met Clifford Brown en Teddy Edwards), speelde Mobley een jaar bij Dizzy Gillespie, met wie hij enkele opnamen maakt voor Verve. Eind 1954 kan men hem aantreffen in ‘Minton's’ met Horace Silver, Doug Watkins en Art Blakey. Met deze bezetting maakte hij zijn eerste (25 cm) LP onder eigen naam voor Blue Note. Een geweldige plaat. Mede door de voortreffelijke ritmegroep bereikte Mobley hier een muzikaal hoogtepunt. Hij had nu meer volume, speelde feller en emotioneler.

Ook de invloed van Charlie Parker was duidelijk te horen. Zijn spel klonk logisch en vloeiend en het zat ritmisch stevig in elkaar. Onzekerheid kende hij niet en ook in de snelle tempi voelde hij zich volkomen op zijn gemak. In opdracht van Blue Note's baas Alfred Lion werd trompettist Kenny Dorham aan het kwartet toegevoegd en zo ontstonden: ‘The Jazz Messengers’ onder leiding van drummer Art Blakey, hoewel de muzikale leiding feitelijk in handen is van pianist Horace Silver, die de meeste stukken schreef en de repetities leidde. Begin 1956 verliet Dorham de groep om een eigen kwintet op te richten met als tweede blazer J.R. Monterose. Donald Byrd was zijn vervanger. Met deze nieuwe Messengers-bezetting maakte Hank Mobley een aantal uitstekende opnamen. In deze tijd valt het op dat Mobley's toon veranderde en steeds meer op die van Lester Young begon te lijken, terwijl zijn frasering veel met die van Charlie Parker gemeen had.

Na een uitstapje in het kwintet van drummer Max Roach, trad Hank Mobley weer toe tot ‘The Jazz Messengers’, waarin op dat moment trompettist Kenny Dorham, pianist Horace Silver, bassist Doug Watkins en Art Blakey speelden. De invloed van Sonny Rollins en John Coltrane werd nu in deze periode duidelijk merkbaar in het spel van Hank Mobley met kortere noten en een emotionele toon. Hank Mobley’s uitstekende vorm leidde eind 1960 tot de toetreding tot het Miles Davis Quintet. Voor Columbia werden een aantal LP's gemaakt, waarbij de plaat, opgenomen tijdens een concert in Carnegie Hall, wel de beste is. Aangevuurd door Wynton Kelly, Paul Chambers en Jimmy Cobb ging Mobley op een verbijsterende manier tekeer in 'Oleo', 'So What' en 'No Blues'. Met dezelfde ritmesectie maakt hij ook de LP 'Workout' voor Blue Note met een matig spelende gitarist Grant Green.

Als gevolg van persoonlijke problemen, viel het Hank Mobley steeds zwaarder om gelijke tred te houden met de ontwikkeling van de andere musici in de Davis-groep. Tijdens een verblijf aan de Westkust bleek hij, volgens mensen die erbij aanwezig zijn geweest, de helft van de tijd niet tot spelen in staat te zijn geweest en tenslotte volgde de volledige ineenstorting van Hank Mobley. Toen in oktober 1961 het Miles Davis Quintet in Amsterdam optrad, bleek zijn plaats dan ook ingenomen te zijn door Sonny Stitt. De daaropvolgende jaren hoorde men weinig van hem. Mobley maakte nog wel platen, die met de regelmaat van de klok op de Europese markt verschenen.

Maar midden jaren zeventig kreeg Hank Mobley gezondheidsproblemen en was hij nauwelijks nog in staat te spelen. Op 30 mei 1986 overleed hij op 55 jarige leeftijd aan een dubbele longontsteking.
De uitzending van Hank Mobley  wordt donderdagnacht 24 september om 01:00 uur herhaald.

Michael Brecker 13 september 2015 in "All That's Jazz".

Michael Brecker werd in maart 1949 in Philadelphia als zoon van een advocaat geboren. 

Hij geldt onder jonge jazzmusici als een symbool van in alle stijlen passend vakmanschap en is o.a. daardoor hun idool. Michael Brecker werd de invloedrijkste saxofonist van zijn generatie. Zijn impact op jongere musici is volgens velen, zelfs sterker dan die van de grote tenorhelden als Wayne Shorter en John Coltrane. Overigens gold diezelfde John Coltrane op zijn beurt weer als de belangrijkste inspiratiebron voor Michael Brecker.

 

Het muzikale klimaat waarin Michael Brecker opgroeide, werd niet alleen bepaald door jazz- en traditionele amusementsmuziek.

Want hij was tien jaar toen trompettist Miles Davis met tenorist John Coltrane en altist Cannonball Adderley hun LP ‘Kind Of Blue’ de wereld in stuurden, veertien jaar toen The Beatles hun eerste hits scoorden en twintig jaar toen gitarist Jimi Hendrix tijdens het Woodstock Festival het Amerikaanse volkslied aan flarden scheurde.

 

Overigens startte Michael Brecker zijn studie met de klarinet en via de altsaxofoon stapte hij indertijd pas over naar tenorsax, sopraansax en fluit.

Favorieten van wie Michael Brecker de solo’s uitschreef, en noot voor noot naspeelde waren: Charlie Parker en John Coltrane.                                  

Met zijn ruim drie jaar oudere broer en trompettist Randy richtte hij in 1968 ‘Dreams’ op, een van de eerste jazzrock-groepen, waarin ook gitarist John Abercrombie en drummer Billy Cobham speelden. Het spoor van de hard bop volgde Michael in het kwintet van pianist Horace Silver. Een eindeloze reeks studioactiviteiten werd afgewisseld met het spelen in de jazzrockgroep ‘The Brecker Brothers’ en het leiden van een eigen jazzclub in New York die ‘Seventh Avenue South’ heet.

 

ln het gezelschap van vibrafonist Mike Mainieri en bassist Eddie Gomez maakte Michael Brecker deel uit van de groep ‘Steps Ahead’.

Hij was hierin uitgegroeid tot een gedreven en virtuoos blazende, je mag haast wel stellen: supermuzikant, die alle mogelijkheden van het harmonisch improviseren leek te hebben verwerkt. Het aantal albums met rock-, pop-, vocale- en middle of the road-muziek, waaraan Michael Brecker als studiomusicus zijn medewerking verleende, ligt om en nabij de 600 stuks. Van zijn intelligent samengestelde LP ‘Don’t Try This At Home’, met o.a. gitarist Mike Stern, pianist Herbie Hancock en bassist Charlie Haden, werd Michael Brecker in 1988 bekroond met een Grammy Award. Hij zou maar liefst in totaal zeven keer deze   Grammy Award’s winnen.  

 

Michael Brecker’s groeiende succes viel samen met de opkomst van het jazzonderwijs. Dankzij zijn onbegrensd lijkende virtuositeit, zijn goede gebruik van harmonische blokken en het feit dat hij een eigentijds geluid aan de jazztraditie toevoegde, werd Michael Brecker echt dé held van de conservatoriumstudenten.

In 1991 maakte hij met o.a. pianist Richard Tee en drummer Steve Gadd, deel uit van de grote formatie die zanger Paul Simon tijdens diens wereldtournee begeleidde.

Een hereniging met zijn broer Randy werd ingeleid door de CD ‘The Return Of The Brecker Brothers’. Met diezelfde broer Randy, wist Michael in deze funkfusion-groep groot commercieel succes te boeken. Zij combineerden stuwende ritmes met geavanceerde compositiestructuren en dat alles heel strak en virtuoos gespeeld. In de loop van de jaren werden zijn solo’s steeds sterker.

 

Michael Brecker overleed op 13 januari 2007 in New York op slechts 57-jarige leeftijd, ten gevolge van leukemie. En dat ondanks een wanhopige, helaas vergeefse oproep op Internet van zijn vrouw, om een geschikte stamdonor te vinden die Michael had kunnen redden.

De uitzending van Michael Brecker  wordt donderdagnacht 17 september om 01:00 uur herhaald.

Dave Pike 6 september 2015 in "All That's Jazz".

Vibrafonist Dave Pike werd als David Samuel Pike op 23 maart 1938 in Detroit geboren.

Hij begon oorspronkelijk op achtjarige leeftijd de drums te bespelen en hij leerde zichzelf hierna vibrafoon te spelen. Dave Pike is dan ook autodidact op dit moeilijke instrument. Naast de vibrafoon bespeelt Dave Pike ook de xylofoon oftewel de marimba en heeft met dit muziekinstrument vooral bij fluitist Herbie Mann gespeeld.Dave Pike’s grootste inspirators zijn Lionel Hampton, Milt Jackson en Carl Tjader geweest.

Zijn debuut maakte Dave Pike in 1958 in het kwartet van pianist Paul Bley. Vooral bij Herbie Mann begon Dave Pike begin jaren ’60 de vibrafoon versterkt door een versterker te bespelen. Met diezelfde Herbie Mann ging Dave Pike van 1961-1964 op tournee. De stijl van spelen van Dave Pike is ook geïnspireerd door de Braziliaanse- en Latin-jazz, maar ook door allerlei invloeden vanuit de wereldmuziek, zoals dat tegenwoordig genoemd wordt.

Aan het einde van de jaren ’60, werd Dave Pike’s stijl meer verkennend en kreeg een unieke sound wat in 1970 uitmondde in zijn eerste album: ‘Doors Of Perception’. Tijdens zijn carrière werd Dave Pike al vroeg door critici bestempeld tot ‘new star’ en de opvolger van Milt Jackson en Terry Gibbs. Niet zo verwonderlijk, want in Los Angeles had hij al veel gespeeld mettoonaangevende musici als: Dexter Gordon, Harold Land, Elmo Hope, Curtis Counce en Paul Bley.

Ook na zijn verhuizing naar New York, maakte hij hier indruk in de groepen onder leiding van drummer Elvin Jones, pianist Bobby Timmons en fluitist Herbie Mann. Een hele eer was het om met pianist Bill Evans de plaat ‘Pike’s Peak’ te kunnen opnemen. Met generatiegenoten als Herbie Hancock en Chick Corea trad Dave Pike ook regelmatig op. Dave Pike vertrok hierna naar Europa waar hij de ‘Dave Pike Set’ oprichtte, een samenwerking met gitarist Volker Kriegel, bassist J.A. Rettenbacher en drummer Peter Baumeister. Deze groep maakte van 1969-1972 zes albums met een unieke identiteit.

Niet verwonderlijk dat de ‘Dave Pike Set’ populair werd en wereldwijd met hun muziek volle zalen trok, die tegelijkertijd avontuurlijk en modieus was. Door het gelijktijdige gebruik van akoestische en elektrische instrumenten en bijvoorbeeld ook de sitar, kreeg de ‘Dave Pike Set’ een geheel eigen sound. In datzelfde Europa maakte Dave Pike ook platenopnamen met de Kenny Clarke-Francy Boland Big Band. Pike keerde in 1973 terug naar de Verenigde Staten en ook naar de bebop-jazz. Dat hij sindsdien vanuit zijn huidige woonplaats Los Angeles minder aandacht krijgt, heeft zijn spel niet geschaad, want hij speelt beter en swingender dan ooit.

De uitzending van Dave Pike  wordt donderdagnacht 10 september om 01:00 uur herhaald.

Art Pepper 30 augustus 2015 in "All That's Jazz".

Vanavond presenteer ik het levensverhaal van een groot jazzmusicus. Dit keer van de op 1 september 1925 in Gardena Californië als Arthur Edward Pepper Jr. geboren Art Pepper, zoals zijn artiestennaam luidt. Hij is beroemd geworden en is een van de weinige altsaxofonisten in de jaren vijftig geweest, samen met Lee Konitz en Paul Desmond, die een eigen sound hebben weten te ontwikkelen zonder de dominante invloed van Charlie Parker.

Ik ben een groot liefhebber van deze hoofdpersoon vanavond Art Pepper en bezit van hem een mooie rij albums.

 

Art Pepper startte zijn carrière in het orkest van Gus Arnheim, waarin hij overigens maar kort deel van heeft uitgemaakt. Pepper speelde hierna voornamelijk met uit zwarten samengestelde groepen in Central Avenue in Los Angeles.

In zijn 40-jarige muzikale carrière heeft hij naast zijn hoofdinstrument: de altsaxofoon, ook de klarinet, sopraansax en tenorsaxofoon bespeelt.

Zijn ontwikkelde stijlen waren van west-coast jazz, via post-bop, hard-bop, mainstream jazz tot aan de cool-jazz aan toe.

Na zijn werk op Central Avenue in Los Angeles heeft Art Pepper een korte periode gespeeld in de orkesten van Benny Carter en Stan Kenton voordat hij van 1944 tot 1946 de militaire dienst in ging.

Na deze periode zijn Art’s gelukkigste dagen geweest in de periode 1947 t/m 1952, opnieuw in het orkest van Stan Kenton, maar in diezelfde periode werd hij helaas ook een aan heroïne verslaafde musicus.

 

In de jaren vijftig dook Art Pepper regelmatig de studio in om als leider of als sideman opnamen te laten registreren, waarvan ‘Plays Modern Jazz Classics’ en ‘Meets The Rhythm Section’ twee klassiek geworden albums zijn geworden.

Art Pepper heeft wegens drugsgebruik 2 perioden in de gevangenis moeten doorbrengen t.w. van  1953 tot 1956.

De periode hierna verkeerde Art Pepper in topvorm en heeft hij voor het Contemporary platenlabel van 1957 tot 1960 schitterende albums geproduceerd. Maar helaas werd ook deze periode abrupt onderbroken door een lange detentieperiode die de jaren zestig voor hem heeft gedomineerd.

 

In de zeldzame periodes dat Art Pepper tussen zijn detenties optrad, kreeg zijn spel een wat hardere toonzetting door beïnvloeding zegt men van saxofonist John Coltrane.

In 1968 nam Art Pepper platen op met drummer Buddy Rich, voordat hij echt ziek begon te worden en van 1969 tot 1971 in het Synanon Instituut werd opgenomen om te herstellen. In 1975 startte Art Pepper zijn come back en het ondenkbare gebeurde! Onder de hoede en inspiratie van zijn vrouw Laurie hervond Art Pepper niet alleen zijn voormalige vorm, maar hij excelleerde zelfs met intens gespeelde unieke solo’s, en ook genoot hij van tijd tot tijd door de klarinet te gaan bespelen.

Het levensverhaal van onze hoofdpersoon vanavond is door zijn vrouw Laurie vastgelegd in zijn autobiografie ‘Straight Life’, een nogal krachtig en eerlijk geschreven boek over Art’s eigenlijk angstaanjagend levensverhaal.

 

Toen Art Pepper in 1982 op slechts 56 jarige leeftijd in Panorama City Californië overleed, had hij zijn doel weten te bereiken: hij is algemeen erkend als een van de grootste altsaxofonisten die er ooit hebben bestaan.

 
De uitzending van Art Pepper  wordt donderdagnacht 3 september om 01:00 uur herhaald.

Joris Teepe 23 augustus 2015 in "All That's Jazz".

Ik heb het genoegen om dit keer een JazzProfiel te presenteren van een van de belangwekkendste Nederlandse contrabassisten van dit moment: Joris Teepe. Verschillende grote bassisten komen uit Europa, zoals Dave Holland, George Mraz, Niels-Henning Ørsted Pedersen, Miroslav Vitous, maar het was Joris Teepe, afkomstig uit ons eigen Nederland, die de eerste bassist was die de mogelijkheid kreeg om het in New York te gaan maken. Deze kans greep Teepe met beide handen aan, want begin 1992 verwierf hij een beurs om in New York verder bas te kunnen gaan studeren. In New York was een verblijf van vier maanden gepland. Maar doordat Joris Teepe direct allerlei betaalde optredens kreeg aangeboden, hoefde hij het geld van de studiebeurs nauwelijks aan te spreken.

Zijn verblijf in New York is al uitgelopen tot ongeveer 10 jaar, maar gelukkig komt Joris Teepe regelmatig terug naar Europa, o.a. om tournees te verzorgen, maar ook om les te geven, als hoofd van de jazzafdeling van het Prins Claus Conservatorium in Groningen. Ook heeft hij het programma ‘New York Comes To Groningen’ ontwikkeld, een uniek jazz-opleidingssysteem met uitwisseling van studenten over en weer.

Joris Teepe startte zijn studie aan het Hilversumse Conservatorium. Hier behaalde hij in 1990 zijn diploma voor elektrische bas en in 1991 voor contrabas. In New York studeerde Joris Teepe o.a. bij Ron Carter, de bassist die naam maakte in het beroemd geworden kwintet van Miles Davis. Op dit moment bezit Joris Teepe een adres in zowel Amsterdam als ook op Manhattan en pendelt hij op en neer. De frequentie van die reizen wordt bepaald door o.a.’ waar iets te spelen valt’. Het wonen en werken in New York bevalt vooral door de bezieling die Joris daar bij de musici aantreft, dat stimuleert hem bijzonder. Er zijn in New York circa 50 kroegen waar dagelijks allemaal geweldige muzikanten spelen.

Een van die musici is saxofonist Don Braden, die Joris al sinds 1993 kent en met Braden heeft hij diverse projecten gedaan. Zo nam hij met Braden de eerste CD op, in 1994 gevolgd door het album ‘Landing Zone’, waarop ook pianist Kevin Hays en drummer Cecil Brooks III meespelen. Het spel van Braden bevalt Joris Teepe enorm, onder andere door diens grote ervaring, opgedaan bij o.a. Freddie Hubbard, Betty Carter en Wynton Marsalis. Joris Teepe is niet zo gelukkig met de omschrijving van zijn speelstijl als: ‘moderne hard bop’, zoals door sommige journalisten gebruikt wordt. Hij vindt zelf dat zijn spel vernieuwend genoemd mag worden en gebouwd is op de jazztraditie. Opvallend is dat deze contrabassist graag speelt met donkere en lage partijen, waar hoge en energierijke riffs uit voortkomen.

Komend vanuit weliswaar een bebop achtergrond, werd hij al 9 jaar geleden lid van het Rashied Ali Quintet. De participatie in het Rashied Ali Quintet heeft zijn visie op muziek werkelijk doen veranderen. Helaas is deze drummer inmiddels overleden Joris Teepe speelde en nam platen op met inmiddels werkelijk honderden verschillende musici, waaronder saxofonisten als Benny Golson, Sonny Fortune en musici als Billy Hart, Randy Brecker en vele vele anderen. Hij heeft muziek gearrangeerd voor diverse zangeressen, zoals Fay Claassen, Deborah Brown, Nana en Mathilde Santing. .

Het zal u duidelijk zijn, dat onze hoofdpersoon in dit JazzProfiel een buitengewoon druk bezette musicus is.  Zo heeft hij al meer dan 10 albums als leider opgenomen, waaronder: ‘We Take No Prisoners’ met de Joris Teepe Big Band, Daarnaast componeert Teepe veel, 41 van zijn originele composities zijn op 16 verschillende albums opgenomen. Ook is Joris Teepe producer van albums voor verschillende labels en musici, muziekleraar van Jazz Studies aan de Hanze Hogeschool en leraar bas aan het Queens College in New York en daarnaast ook nog bandleider.    

Niet verwonderlijk dat Joris Teepe tijdens het North Sea Jazz Festival van 2004 genomineerd werd voor de Bird Award.

Wij zullen bij Radio Rick FM nog veel muziek van deze belangwekkende musicus blijven draaien in komende afleveringen van ‘All That’s Jazz’.  

 

De uitzending van Joris Teepe  wordt donderdagnacht 27 augustus om 01:00 uur herhaald.

Gil Evans 16 augustus 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer ga ik een JazzProfiel presenteren van de Amerikaanse pianist en orkestleider Gil Evans.

Hij is in 1912 in Toronto, oorspronkelijk als Ian Ernest Gilmore Green geboren en is, ondanks een aantal grammofoonplaten, die als echte mijlpalen in de jazzontwikkeling worden gezien, toch altijd min of meer een achtergrondfiguur gebleven.

 

Gil Evans, een begaafd en origineel arrangeur, schijnt geen enkele muzikale scholing gehad te hebben. Pas in de jaren vijftig is Gil Evans serieus piano gaan spelen.

De inspiratie voor zijn bijzondere klankkleuren en orkestraties deed hij naar eigen zeggen voortdurend op ‘bij alles wat hem ter ore kwam’, variërend van romantische en modern-klassieke muziek tot hardrock.

 

Deze orkestleider Gil Evans, werd als componist en als arrangeur, beïnvloed door onder meer Don Redman en de combinatie Duke Ellington & Billy Strayhorn. Evans manifesteerde zich in de jaren veertig allereerst in het dansorkest van Claude Thornhill. In deze formatie werden aan de traditionele bezetting instrumenten toegevoegd als fluit, hoorn en tuba. In zijn werk voor Thornhill maakte Gil Evans ook gebruik van meerdere klarinetten en van de gitaar en de piano als melodiestem.

Beroemd werden zijn bewerkingen voor dit orkest van ‘Yardbird Suite’, ‘Donna Lee’, composities van Charlie Parker en ‘Antropology’, geschreven door Dizzy Gillespie.

 

Aan het einde van de jaren veertig werkte Gil Evans mee aan het repertoire van de legendarische negenmansformatie van trompettist Miles Davis, te beluisteren op het album: ‘Birth Of The Cool’. Met de onorthodoxe bezetting van: trompet, altsax, trombone, baritonsax, hoorn, tuba, piano, contrabas en slagwerk. Van dit toen revolutionaire album draai ik in dit JazzProfiel uiteraard muziek voor u.

Pas een kleine 10 jaar later, na het gereed komen van het ‘Birth Of The Cool’-album, kwam Gil Evans opnieuw in de schijnwerpers te staan. Nu als arrangeur én leider van de big-band die de met hem bevriende en hem als een goeroe vererende trompettist Miles Davis.

Super klinkende albums verschenen, zoals: ‘Miles Ahead’, ‘Porgy And Bess’, ‘Sketches Of Spain’, ‘At Carnegie Hall’ en ‘Quiet Nights’.

 

Onder zijn eigen naam maakte Gil Evans: ‘Pacific Standard Time’, een album met briljante orkestraties van klassieke jazzcomposities.

Ook leverde hij arrangementen voor LP’s van onder meer zangeres Astrud Gilberto en gitarist Kenny Burrell. Van het Kenny Burrell-album: ‘Guitar Forms’ ga ik ook muziek voor u draaien met gitarist Kenny Burrell samen met het orkest o.l.v. Gil Evans.

In de jaren zestig en zeventig ging orkestleider Gil Evans regelmatig met middelgrote bezettingen werken.

Concerten van zijn groepen waarvan altsaxofonist David Sanborn, tenorsaxofonist Billy Harper, trompettist Lew Soloff, gitarist Joe Beck, trompettist George Lewis, baritonsaxofonist en tubaspeler Howard Johnson en drummer Elvin Jones deel hebben uitgemaakt, hadden onder leiding van Gil Evans meer weg van rommelige workshops, of beter uitgedrukt van schijnbaar eerste repetities.

Filosofisch ingesteld als hij was, vond Gil Evans ‘het proces belangrijker dan het resultaat’

 

Steeds vaker ging pianist en orkestleider Gil Evans ook de synthesizer inschakelen voor het totaalgeluid van zijn groepen, die ook door de toepassing van elektrische gitaar en basgitaar rockachtiger gingen klinken.

Van de losse opdrachten die hij in de jaren 80 kreeg kon Gil Evans zich nauwelijks in leven houden. Zijn enige vaste inkomen bestond uit een sociale uitkering en een bescheiden jaarlijks bedrag van de Amerikaanse auteursrechtenorganisatie. Miles Davis streek egoïstisch ingesteld de grote geldstromen zelf op.

 

In de New Yorkse Jazzclub “Sweet Basil” leidde Gil Evans tot op hoge leeftijd een maandagavondorkest samengesteld uit een schilderachtige horde musici door wie hij blijvend op handen werd gedragen.

Tien jaar voor zijn dood zei Gil Evans tegen de Britse auteur Raymond Horricks: ‘Ik heb economisch gezien het leven geleid van een verliezer. Ik was arrangeur en je kunt als arrangeur geen royalty’s krijgen. De baas van Columbia vertelde me gisteren dat de albums die ik met Miles Davis maakte in de loop van de jaren allemaal ‘goud’ zijn geworden, en toch heb ik voor mijn arrangementen alleen maar de 500 dollar gekregen, daarna niets meer’.

 

Gil Evans stierf op 76 jarige leeftijd in 1988, maar we kunnen gelukkig tot op de dag van vandaag nog steeds genieten van deze geweldige pianist en vooral een briljante arrangeur én orkestleider.

 

De uitzending van Gil Evans  wordt donderdagnacht 20 augustus om 01:00 uur herhaald.

Dave Brubeck 9 augustus 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer ga ik een JazzProfiel presenteren van de op 6 december 1920 te Concord (Californië) geboren Dave Brubeck. Hij is door zijn pianospel, dat voortdurend verwijst naar allerlei Europees-klassieke muziekstromingen en waarin een hoekige, syncopische timing de overhand heeft, een van de populairste, maar ook hevigst bekritiseerde figuren, in de jazz geweest.

Na een klassieke muziekstudie, onder andere bij de componist Darius Milhaud, richtte Dave Brubeck in 1951 een kwartet op, dat tot 1967 zou blijven voortbestaan. Altsaxofonist Paul Desmond heeft er permanent deel van uitgemaakt. Tijdens de hoogtijdagen van deze succesvolle formatie bestond de ritmesectie uit bassist Gene Wright en drummer Joe Morello. Dit Dave Brubeck Kwartet was een uitloper van de west coast-stijl, die in de eerste helft van de jaren vijftig door zijn fusiekarakter zeer populair was.Brubeck slaagde erin hier jarenlang op voort te borduren via hits als: ‘Someday My Prince Will Come’, ‘Blue Rondo La Turk’, ‘Branderburg Gate’, ‘It’s A Raggy Waltz’, ‘The Duke’, ‘In Your Own Sweet Way’ en vooral de door Paul Desmond gecomponeerde jazz-hit ‘Take Five’.

Opvallend bij Dave Brubeck zijn de vele eigen composities in voor de jazz ongebruikelijke maatsoorten. Van zijn LP ‘Time Out’ werden over de hele wereld meer dan enkele miljoenen exemplaren verkocht.Na de ontbinding van zijn kwartet maakte Dave Brubeck een aantal wereldtournees, nu met een trio waarbij baritonsaxofonist Gerry Mulligan de gastsolist was, contrabassist was Jack Six en de drummer Alan Dawson. Dave Brubeck heeft ook van 1971 tot 1981een groep geleid met zijn 3 zonen: Darius op keyboards en synthesizer, Chris op contrabas en Daniel op slagwerk, solistisch aangevuld met tenorsaxofonist Jerry Bergonzi.

In de jaren tachtig maakte Dave Brubeck, nog altijd populair bij een breed publiek, concertreizen met zijn studievriend uit de jaren veertig, namelijk klarinettist Bill Smith. En in 1990 vierde Dave Brubeck zijn zeventigste verjaardag op de Amerikaanse, Europese en Japanse podia.

En in 2004 heeft het toenmalige Dave Brubeck Quartet, met drummer Randy Jones, saxofonist en fluitist Bobby Militello en contrabassist Michael Moore op 25 oktober in ons eigen Concertgebouw in Amsterdam opgetreden. Dave Brubeck overleed in Norwalk op 5 december 2012, op 1 dag na, op de gezegende leeftijd van 92 jaar.

 

De uitzending van Dave Brubeck  wordt donderdagnacht 13 augustus om 01:00 uur herhaald.

Bob Brookmeyer 2 augustus 2015 in "All That's Jazz".

Ik heb het genoegen om dit keer een JazzProfiel te presenteren van de beroemd geworden Amerikaanse ventieltrombonist Bob Brookmeyer die op 19 december 1929 in Kansas City als Robert Brookmeyer werd geboren. Hij staat sinds het begin van de jaren vijftig bekend als de belangrijkste solist op dit instrument: de ventieltrombone.

Ook is hij een begaafd componist en arrangeur, die net als tijdgenoten als George Russell, Jimmy Giuffre, Gil Evans en Gerry Mulligan het experimenteren met moderne componeertechnieken nooit uit de weg is gegaan.

 

Brookmeyer’s spel, waarin lange melodische lijnen worden afgewisseld door krachtig scheurende uithalen naar het hoge register, is net als zijn composities en arrangementen gebaseerd in de swingtraditie van zijn geboortestad Kansas City.

Net als sommige generatiegenoten, die in hun werk ook teruggrepen naar stijlen van vóór de bebop, werd hij daarom in de jaren vijftig en zestig door sommige publicisten tot de school van het ‘neoclassicisme’ gerekend.

Brookmeyer werd tot allround musicus geschoold in de big-bands van Tex Beneke, Claude Thornhill, Terry Gibbs en Woody Herman.

 

Als lid van het pianoloze Gerry Mulligan Quartet (met bassist Red Mitchell en drummer Frank Isola), waarin Brookmeyer de plaats had ingenomen van trompettist Chet Baker, kwam hij in 1954 naar Parijs. In de Franse hoofdstad zorgde deze groep, uiterst behendig in polyfonie en collectieve improvisaties, voor een grote sensatie. Een volmaakte beheersing van zijn instrument, ook in snelle tempi, toonde Bob Brookmeyer als 2e blazer in een kwintet van tenorsaxofonist Stan Getz.

Hun samenspel, unisono zowel als polyfoon, vormt een hoogtepunt in hun beider carrières. Uiteraard zal ik ook hier een mooi voorbeeld van voor u gaan draaien in dit JazzProfiel.

 

Vanaf 1960 leverde Bob Brookmeyer als schrijver en speler zijn bijdrage aan de Concert Jazzband van Mulligan en aan een kwintet met trompettist Clark Terry.

Een combinatie van activiteiten die vanaf 1966 in de Thad Jones-Mel Lewis bigband werd voortgezet. Een lang verblijf, als studiomusicus aan de Amerikaanse westkust, liep, o.a. door persoonlijke problemen, uit op wat hij later een dieptepunt in zijn carrière heeft genoemd. Pas aan het einde van de jaren zeventig kwam Bob Brookmeyer stap voor stap terug. In de jaren tachtig kreeg Bob Brookmeyer regelmatig compositieopdrachten van symfonieorkesten en werd hij vooral in Europa gevraagd als solist en gastdirigent bij diverse big-bands.

 

Opnieuw kon hij zijn kwaliteiten tonen als virtuoos, ideeënrijk en humoristisch spelend ventieltrombonist en als muzikaal organisator. In 1986 ging Bob Brookmeyer’s concert voor klarinet en jazzorkest in première, gespeeld door ‘The American Jazz Orchestra’, onder leiding van John Lewis. Met het plan om een internationale, gespecialiseerde jazzschool te beginnen kwam Bob Brookmeyer in 1990 naar Rotterdam, waar hij werd benoemd tot hoofd Lichte Muziek van dit Conservatorium.

 

Bob Brookmeyer stierf op 15 december 2011 in New London, New Hampshire op 81-jarige leeftijd.

 

De uitzending van Bob Brookmeyer  wordt donderdagnacht 6 augustus om 01:00 uur herhaald.

Jimmy Smith 26 juli 2015 in "All That's Jazz".

Ik heb het genoegen om dit keer een JazzProfiel te kunnen presenteren van de in Norristown Pennsylvania als James Oscar Smith geboren Jimmy Smith, zoals zijn muzikantennaam luidt. Ik ga in dit JazzProfiel van Jimmy Smith vooral veel lekkere stimulerende muziek voor u draaien, want het is diezelfde Jimmy Smith geweest, die het Hammondorgel zijn belangrijke plaats binnen de moderne jazzmuziek heeft gegeven.

 

Direct na het overlijden van Jimmy Smith op 8 februari 2005 in Scottsdale Arizona, verschenen in de kranten vanaf vrijdag de 11e februari de postuum opgestelde stukken over deze belangrijke jazzmusicus.

Jazzjournalist Frank van Herk schreef in De Volkskrant dat Jimmy Smith vredig in zijn slaap was gestorven en dat lijkt niets voor hem, want Jimmy Smith was een uitbundige man met een ruw soort humor. Hij is in 1928 geboren en dus niet in 1925, zoals in veel handboeken foutief vermeld staat o.a. ook in mijn jazzbijbel: “The New Grove Dictionary Of Jazz” van Barry Kernfeld. Maar dat is allemaal niet zo belangrijk, want het was diezelfde Jimmy Smith die heeft bepaald hoe het elektrische orgel in de moderne jazz moet klinken.

 

Voordat Jimmy Smith in de moderne jazz scène verscheen, blijkt het Hammondorgel vaak als grappig instrument, met een ietwat klungelig geluid gebruikt te zijn.

Jimmy Smith, die als pianist zijn carrière was begonnen, bracht daar verandering in, nadat hij zich in 1955 een half jaar in een pakhuis had afgezonderd, om zodoende te leren omgaan met de net op de markt gebrachte Hammond B-3.

Door te gaan experimenteren met de drawbars: de traploze schuifregisters, ontwikkelde Jimmy Smith een lekkere volvette klankkleur. Op de pedalen speelde hij stuwende baslijnen en met zijn linkerhand zette hij stevige akkoorden neer, maar ook vaak de baslijnen, dus afwijkend van de pedalen, en met de rechterhand, geïnspireerd door de bebop en daarbinnen vooral de blazers, trok hij snelle melodische lijnen.

 

Ook in de filmmuziek ging Jimmy Smith zich steeds meer ontplooien, maar de grote doorbraak maakte Jimmy toen hij in 1956 onder contract kwam bij het Blue Note-label, waarvoor hij tientallen albums maakte, met veel klassiekers in vooral het souljazz genre. Hij gebruikte hiervoor vaak een triobezetting van orgel, gitaar en drums, soms ook aangevuld met een tenorsaxofonist.

 

De stijl van spelen van Jimmy Smith was echt doordrenkt met gospel, blues en funk, en werd behoorlijk populair in de clubs van de zwarte getto’s. Maar mede door de bijdragen van gitaristen als Kenny Burrell en Wes Montgomery + blazers als Stanley Turrentine, gaf Jimmy Smith aan deze stijl een verdere verfijning. Overgestapt naar het Vervelabel, kreeg Jimmy Smith de mogelijkheid om opnames te maken met big bands, gearrangeerd door Oliver Nelson. Dit leidde meteen tot de hit: ‘Walk On The Wild Side’.

 

In de jaren '70 raakte Hammond-jazz, om het zo maar eens te noemen, uit de mode en stopte Jimmy Smith met rondtoeren.

Hij kwam nog terug in de jaren tachtig, maar zijn speelstijl was wat vlakker geworden, waarmee natuurlijk niet gezegd is dat hij niet meer voor opwinding kon zorgen.

In 2001 verscheen zijn laatste album “Dot Com Blues” met gasten als B.B. King en Dr. John en het schijnt dat er nog veel materiaal op de planken ligt, b.v. in duetten met een van zijn nazaten Joey DeFrancesco.

 

De uitzending van Jimmy Smith  wordt donderdagnacht 30 juli om 01:00 uur herhaald.

800e

 ‘ALL THAT’S JAZZ’

 met twee uur lang:

 JAZZ

 GESPEELD DOOR

NEDERLANDSE

MUSICI

 

De 800e "All That's Jazz" uitzending wordt donderdagnacht 23 juli om 01:00 uur herhaald.

Ratko Zjaca 5 juli 2015 in "All That's Jazz".

Ik heb het grote genoegen om dit maal een JazzProfiel te presenteren van gitarist Ratko Zjaca. Hij is in Kroatië geboren en werd al in zijn jonge jaren aangetrokken tot het gitaargeluid, bijvoorbeeld voortgebracht door Jimi Hendrix, maar ook het gecomponeerde werk van de klassieken als Bach en Beethoven. Ratko Zjaca studeerde aan de universiteit van Zagreb en rondde zijn studie hier ook succesvol af.

Om in zijn muzikale kennis en behoorlijk grote verdere behoefte aan vervolgonderwijs in te kunnen vullen, zocht Ratko zijn toevlucht tot het Conservatorium in Rotterdam, beroemd om haar studiemogelijkheden in moderne muziek. Op dit Conservatorium ontving Zjaca les van bekende leraren. Daarnaast volgde hij masterclasses en cursussen van Joe Pass, Pat Metheny, Mick Goodrick, Mike Stern, Bob Brookmeyer, John Abercrombie en nog een hele boel andere jazzmusici.

Toch is Ratko Zjaca een betrekkelijk onbekende in de Nederlandse jazzmuziekwereld, ondanks het feit dat hij al een behoorlijk grote discografie het licht heeft doen zien. Maar wanneer je samen met John Patitucci en Al Foster kunt opnemen en in de liner notes een aanbeveling van college-gitarist John Abercrombie krijgt, dan ben je al een eind op de goede weg als professionele gitarist. Ratko Zjaca is dan ook een innovatieve muzikant, die in jazzkringen bekend staat als een technisch begaafde gitarist. Maar ook is hij bekend als een meedogenloze individualist, wat blijkt uit zijn improvisatiestijl. Daarnaast heeft Ratko Zjaca een vruchtbare en uitgebreide session-geschiedenis, die als productief opnemend gitarist op erg veel albums te beluisteren is.

Ratko is dan ook een erg veelzijdige speler die vele muziekstijlen beheerst, maar hij is toch het best bekendst met zijn moderne jazzimprovisatiestijl. Zoals al is gezegd: Ratko heeft al een behoorlijk aantal albums als leider op zijn naam staan en heeft met vele leidende Amerikaanse en Europese jazzmusici samen gewerkt. Ratko Zjaca wordt als een veelzijdig stylist beschouwd, in verschillende muzikale rollen: als gitarist, thuis in het contemporale jazz-vlak, componist, performer enz.    

Ratko’s spel en inzicht zijn gericht op allerlei soorten muziek die op dit moment actueel zijn. Terwijl hij continue bezig is om zijn spel te verbeteren, om zo zijn typische eigen sound en stijl te creëren, is Ratko ook inmiddels een gedreven leraar geworden met een goed gevuld rooster, is in staat om de meest ingewikkelde frases en concepten om te zetten in structuren, die geschikt zijn voor elke musicus. Ratko Zjaca geeft op dit moment over de hele wereld masterclasses voor gitaar en fretloze gitaar, o.a. in Slovenië, Nederland, Frankrijk, Kroatië en in de Verenigde Staten.

Na zijn Rotterdamse conservatoriumopleiding, studeerde Ratko ook aan de New York University School Of Music. Hij startte hierna met een eigen groep en speelde met de Amerikaanse trompet veteraan Benny Bailey. Ook heeft Ratko Zjaca met een hele stoet aan aansprekende musici gespeeld en opgenomen, waaronder Randy Brecker, Gary Peacock, Reggie Workman, John Pattituci, Al Foster, Steve Gadd, Ron Carter en vele vele anderen.

In dit JazzProfiel ga ik gebruik maken van 5 albums, om zodoende een gevarieerd beeld te kunnen presenteren van deze belangwekkende gitarist: Ratko Zjaca.

De uitzending van Ratko Zjaca  wordt donderdagnacht 9 juli om 01:00 uur herhaald.

Kenny Barron 28 juni 2015 in "All That's Jazz".

Jazzpianist, componist en leraar Kenny Barron werd op 9 juni 1943 in Philadelphia geboren en is de jongere broer van tenorsaxofonist Bill Barron.

Hij begon op 12-jarige leeftijd piano te spelen en ging met zijn broer op 15-jarige leeftijd spelen in een rhythm en bluesband, geleid door Mel Melvin.

 

Kenny Barron studeerde in 1978 af op het Empire State College in New York en speelde in 1959 met drummer Philly Joe Jones en Jimmy Heath.

Een jaar later in Detroit met Yusef Lateef en in 1961 verhuisde Kenny Barron naar New York waar hij regelmatig ging spelen in ‘The Five Spot’ met tenorsaxofonist James Moody. Het was diezelfde James Moody die hem in 1962 introduceerde bij het orkest van trompettist Dizzy Gillespie. Met dit orkest ging Kenny Barron in de periode 1962 t/m 1966 toeren door Europa en Noord-Amerika en kreeg Barron de smaak te pakken van Latin en Caribische ritmes.

Ook speelde Kenny Barron een korte periode samen met Stanley Turrentine en ging daarna van 1967-1969 werken in diverse groepen onder leiding van trompettist Freddie Hubbard en vibrafonst Milt Jackson.

In het jaar 1970 werden diverse composities van Barron op de plaat vastgelegd door Gillespie, Hubbard en Moody.

Van 1971 – 1975 ging Kenny opnieuw samenwerken met multi-instrumentalist Yusef Lateef, onderbroken door een verbintenis in het Buddy Rich Sextet.

Hierna ging Kenny Barron van 1976 tot in de jaren tachtig werken in een groep die geleid werd door Ron Carter.

 

Kenny Barron is een van de oprichters en leider van de groep Sphere, met Buster Williams, Ben Riley en Charlie Rouse. Deze band richt zich op de muziek van Thelonious Monk, die een duidelijke inspirator van Kenny Barron is geweest.

 

Kenny Barron studeerde een lange periode piano en keyboard harmonie aan de Rutgers Universiteit in New York en werd daar in 1973 bij de nieuwe muziekfaculteit tot hoogleraar muziek benoemd en hij heeft deze functie tot 2000 bekleed en was mentor van jonge talenten, waaronder David Sanchez, Terence Blanchard en Regina Bell.

Nu doceert hij aan de Juilliard School Of Music met studenten als Noah Baerman, Earl MacDonald, Harry Pickens en Aaron Parks.

 

Kenny Barron is bekend om zijn lyrische stijl van spelen, met invloeden van Tommy Flanagan en Wynton Kelly en van Kenny Barron verschenen werkelijk honderden albums, zowel als leider als sideman.

Op dit moment wordt hij wel beschouwd als een van de belangrijkste en meest invloedrijke jazzpianisten sinds de bebop periode.

 

In de periode 1987 – 1991 werkte Barron mee op meerdere albums van tenorsaxofonist Stan Getz, zoals: ‘Bossa’s & Ballads’, ‘The Lost Sessions’, ‘Serenity’, ‘Anniversary’ en het schitterende dubbelalbum ‘People Time’, dat ook voor een Grammy werd genomineerd.

Kenny Barron is maar liefst negen keer genomineerd voor de Grammy Awards en voor de Amerikaanse Hall Of Fame.

In 2009 werd Barron verkozen tot Fellow van de Amerikaanse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Niet verwonderlijk, want Kenny Barron beschikt over een ongeëvenaard vermogen om zijn toehoorders te kunnen betoveren met zijn elegante speelstijl, gevoelige melodieën en aanstekelijke ritmevariaties. Dit deden: ‘The Los Angeles Times’ en ‘Jazz Weekly’ besluiten om hem te karakteriseren als: ‘Een van de toppianisten van de wereld en meest lyrische pianist van deze tijd’.

De uitzending van Kenny Barron  wordt donderdagnacht 2 juli om 01:00 uur herhaald.

Lennie Tristano 14 Juni 2015 in "All That's Jazz"

Het muzikale oeuvre van de in 1919 in Chicago geboren pianist, componist en pedagoog Leonard Joseph Tristano is samen te vatten binnen één specifieke jazzstijl van rond 1950, namelijk de ‘cool jazz’. Tristano’s blindheid, al vanaf zijn negende levensjaar, vormde voor hem geen enkel beletsel om een vakopleiding in de klassieke muziek te volgen. In 1943 wist hij dan ook zijn einddiploma compositieleer te ontvangen aan het conservatorium van zijn geboortestad Chicago.

Lennie Tristano bespeelde in eerste instantie, naast zijn vertrouwde piano, ook in dansorkesten diverse blaasinstrumenten, zoals de tenorsax en de klarinet. Kort na zijn conservatoriumstudie werd Lennie Tristano muziekdocent. Onder zijn eerste leerlingen bevonden zich altsaxofonist Lee Konitz en trombonist en latere componist Bill Russo. Gitarist Billy Bauer en contrabassist Arnold Fishkin maakten ook deel uit van het Lennie Tristano Trio dat op de plaat werd vastgelegd in New York waar zich een ware kring van discipelen om Lennie Tristano ging vormen.

Beroemd zijn de sextetopnamen met gitarist Billy Bauer, altsaxofonist Lee Konitz en tenorsaxofonist Warne Marsh, waarmee de stroming van de cool jazz werd gedefinieerd.Tristano’s pianospel onderscheidde zich door vingervlugheid en vooral door een steeds weer verrassende timing van de rechterhand, waarbij accenten en frases niet op voor de hand liggende maatdelen werden geplaatst maar één of meer tijdseenheden ervoor of erna.

Lennie Tristano paste in 1955 de later ontwikkelde cool jazzstijl toe met een op band opgenomen ritmesectie, waarbij hij de akkoorden van de linkerhand wegliet.Een uiterste consequentie hiervan waren zijn solo-opnamen uit 1962 met een lopende baslijn gespeeld door zijn linkerhand. Voorvechters van de zogenaamde pure jazz, die volgens hen vrij moest zijn van intellectueel gedoe, bekritiseerden Lennie Tristano om het onderdrukken van warmte en expressiviteit, althans dat vonden zij. De term cool jazz spreekt in dit verband boekdelen, vooral omdat Tristano bassisten en drummers in ritmisch opzicht slechts de mechanische functie van een metronoom lijkt te geven. Aanvankelijk trad Tristano nog slechts sporadisch op, en na 1965 verschanste hij zich in zijn woning annex studio in New York, waar hij alleen nog studeerde, opnamen maakte en les gaf. Leerlingen van de als kluizenaar levende Lennie Tristano, raakten in zijn ban en konden zich daar nauwelijks meer van losmaken.

De trompettist Sy Platt heeft hierover in het blad ‘Jazz Nu’ gezegd: “Wij beschouwden hem als een genie, als de meest vooruitstrevende musicus van zijn tijd.Ik verafgoodde hem dusdanig, dat ik dacht dat hij de antwoorden wist op alle problemen in de wereld”.

Lennie Tristano stierf in 1978, dus op slechts 59 jarige leeftijd.

De uitzending van Lennie Tristano wordt donderdagnacht 18 juni om 01:00 uur herhaald.

Bud Powell 7 Juni 2015 in "All That's Jazz"

Bud Powell  werd in 1924 in New York geboren als Earl Powell en is de grootste pianovertolker van het pure bebopidioom geweest. Zijn al in een vroeg stadium technisch zéér ontwikkelde pianospel, het resultaat van een degelijke klassieke studie, groeide in de jaren veertig snel naar een eigen stijl, die een omwenteling betekende ten opzichte van voorgangers als: Earl Hines, Art Tatum, Fats Waller en Teddy Wilson. Bud Powell’s linkerhand speelde niet langer de traditionele ‘vier-in-de-maat-figuren’ . Swingend getimede akkoordaccenten van de linkerhand, gecombineerd met razendsnelle fraseringen van de rechter bepaalde zijn typische bebop-pianostijl.

 

Bud Powell, als profmusicus gestart in de band van trompettist Cootie Williams (1943 – 1944), werd als voorman in de bebopstroming voor pianisten wat altsaxofonist Charlie Parker voor blazers was.

Een andere overeenkomst met Parker is dat Powell ook een leven heeft geleid vol geestelijke en lichamelijke instortingen, waarbij die ellende bij Bud Powell in feite nog tragischer is geweest.

Pianist Bud Powell was vaak in zijn leven een gekwelde en ook wanhopige man die totaal niet opgewassen bleek tegen het harde muzikantenbestaan.

Kwetsbaar en onberekenbaar als hij was, soms volkomen afgesloten van de buitenwereld en behoorlijk erg verslaafd aan alcohol en drugs, heeft Bud Powell helaas een aantal periodes in psychiatrische klinieken moeten doorbrengen.

 

Zijn sterkste platenopnamen, meestal in trio verband, maakte hij in de eerste helft van de jaren vijftig. Op LP’s als de ‘The Amazing Bud Powell’, ‘Piano Conceptions’ en ‘The Genius Of Bud Powell’, staat hij op het toppunt van pianistisch kunnen.

Onder de vele Bud Powell-composities zijn ‘Budo’ (ook wel bekend als ‘Hallucinations’), ‘Bouncing With Bud’, ‘So Sorry Please’, ‘Un Poco Loco’, ‘Parasian Through Fair’, ‘Tempus Fugit’ en ‘Dance of the Infidels’.

Collega Thelonious Monk, die hem van meet af aan heeft gestimuleerd, droeg zij‘In Walked Bud’ aan hem op.

 

Bud Powell’s Nederlandse debuut, en dat was in 1956, werd een mislukking door angstvisioenen en andere verschijnselen van geestelijke gestoordheid, waardoor coherent spel onmogelijk bleek.

 

In Parijs, waar Powell zich in 1958 vestigde, hield hij zich met behulp van enkele Franse bewonderaars, o.a. Francis Paudras, die hem ook in huis opnam, beter staande dan in zijn geboorteland.

Powell voelde zich in de Franse hoofdstad, waar hij enige tijd werd verpleegd wegens tuberculose, veiliger dan in het onrustige en woelige New York.

 

In 1964 bezweek Bud Powell voor een aanlokkelijk financieel aanbod om weer in zijn geboortestad New York te komen optreden, maar er was vreemd genoeg nog maar weinig belangstelling voor zijn concerten in de diverse jazzclubs.

Telexberichten naar aanleiding van Bud Powell’s dood in 1966, en dat op slechts 42 jarige leeftijd, maakten eigenlijk voornamelijk melding van ondervoeding, alcoholmisbruik, tuberculose en depressies. Er werd volkomen voorbij gegaan aan de enorme belangrijke rol die Bud Powell met zijn spel gegeven heeft aan de jazzontwikkeling.

 

De film ‘Round Midnight’ van de Franse regisseur Betrand Tavernier (met in de hoofdrol tenorsaxofonist Dexter Gordon) een vrije vertaling van, en een eerbetoon aan Bud Powell’s leven vormt en dit dan gecombineerd met dat van een andere tragische jazzheld, namelijk tenorsaxofonist Lester Young. 

 

De uitzending van Bud Powell  wordt donderdagnacht 11 juni om 01:00 uur herhaald.

Wim Kegel 31 mei 2015 in "All That's Jazz"

Vanavond heb ik het grote genoegen om het JazzProfiel van de vooraanstaande Nederlandse drummer Wim Kegel te presenteren, die op 8 december 1967 werd geboren. Wim Kegel ontwikkelde in de loop der jaren een unieke stijl van spelen, die het traditionele jazz-drummen combineert met progressieve manieren van drummen, en dat alles in een aansprekende vorm met een duidelijke persoonlijke stijl. Wim Kegel startte al op zesjarige leeftijd met drummen en kreeg zijn eerste lessen van zijn vader Nico Kegel en van drumleraar Paul van der Vossen.

Al op zijn vijftiende werd Wim toegelaten op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en volgde hier een speciale opleiding voor jong talent met de studierichting ‘Dance and Music’. Vervolgens studeerde Wim Kegel aan dit Conservatorium in 1991 met lof af en ontving lessen van drumleraar Henk van den Berg, maar ook van trompettist Ack van Rooyen en pianist Frans Elsen. Met een beurs, verkregen van het Fonds voor de Podiumkunsten, werd Wim Kegel in de gelegenheid gesteld om in de periode 1994 en 1996 in New York en Boston te gaan studeren met zijn idolen: de jazzdrummers Joe Morello, Bob Mozes en drummer-percussionist Jamey Haddad.

De laatstgenoemde introduceerde Wim Kegel in het zogeheten frame drumspel en in belangrijke begeleidingstechnieken, die voor Wim Kegel gedurende zijn gehele carrière belangrijk zijn gebleken. Met de groep ‘Supreme Headquarters’ won drummer Wim Kegel in 1989 de 1e prijs als beste groep tijdens de N.O.S. Jazz Competitie. Ook won hij in 2001 met het album ‘O.P.’, een eerbetoon aan de grote Oscar Pettiford, samen spelend met bassist Tony Overwater, saxofonist Maarten Ornstein, trompettist Ack van Rooyen en cellist Ernst Reijseger de ‘Edison Award’.

Wim Kegel heeft tot nu toe tijdens zijn carrière met nationale en internationale musici deelgenomen aan meer dan 40 albums, waaronder David Liebman, Bob en Chuck Findley, Ron McCroby, David Schnitter, Jeroen Manders, Willem van Manen’s Contraband, Marc van Roon, Hans Mantel, de groep Special Delivery, Tilmar Junius en de Down Town Jazz Band.Tijdens het North Sea Jazz Festival 2004 speelde Wim Kegel met Michael Brecker en Pat Metheny. Ook concerteerde Kegel met o.a. met de jazzgrootheden: Bob Berg, Sunny Murray, Bob Brookmeyer, Clark Terry, Johnny Griffin, Ferdinand Povel, George Duke (in een radioshow voor de Nederlandse Wereldomroep) en vele anderen.  

Oorspronkelijk speelde Wim Kegel tijdens zijn jonge jaren voornamelijk in Europa, maar later sloeg hij ‘zijn vleugels’ uit naar het Midden- en Verre Oosten, India, de Verenigde Staten, Noord-Afrika en Australië. Het laatste project van Wim Kegel is een duo-opname samen met pianist Marc van Roon met een breed pallet van zogeheten contemporary jazzmuziek. Dit resulteerde in april 2015 tot het album ‘Drumwise’ dat door Challenge Records op het Buzz-label is uitgebracht en wereldwijd zal worden gedistribueerd. In dit JazzProfiel van Wim Kegel zal de veelzijdigheid van Wim Kegel breed aan bod komen o.a. in de groep ‘Braskiri’, een groep met Bert Lochs, Dirk Balthaus, Steffen Granley. De muziek van het Ack van Rooyen – Jeroen Manders Quintet met Marc van Roon, Erik Robaard komt uiteraard ook aan bod via hun album ‘To The Ends Of The Earth’ in 2014 uitgebracht op het Mons Records-label. Deze groep zal gaan optreden tijdens het North Sea Jazz Festival 2015.

Maar ook heeft Wim Kegel geparticipeerd in het Calefax Reed Quintet en in Jungle Boldie, welke laatste groep ook aan bod zal komen in dit JazzProfiel. Naast zijn drukke agenda met optredens, weet Wim Kegel de afgelopen veertien jaren ook als drumleraar actief te zijn in Almere en Utrecht + als gastdocent aan diverse Nederlandse conservatoria en runt hij zijn eigen drumschool, die ook ‘Drumwise’ heet.    

 

De uitzending van Wim Kegel  wordt donderdagnacht 4 juni om 01:00 uur herhaald.

Max Roach 24 mei 2015 in "All That's Jazz"

Dit maal heb ik het genoegen om het JazzProfiel van drummer Maxwell Roach te presenteren, die in 1924 in New Land, North Carolina, geboren werd en in de New Yorkse wijk Brooklyn opgegroeide.

Max Roach heeft zich sinds de jaren veertig gemanifesteerd als een van de begaafdste drummers, met een speelstijl waarin gevoel en verstand op perfecte wijze worden gecombineerd. Hij is 16 augustus 2007 overleden en was een van de laatste levende giganten sinds de geboorte van de bebop.

Sinds de jaren zestig staat Max Roach bovendien bekend als fervent strijder voor de bewustwording en emancipatie van het zwarte ras, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook en vooral in het werelddeel van herkomst, namelijk Afrika.

 

Na een korte studieperiode klassiek slagwerk aan de Manhattan School of Music koos Max Roach definitief voor de jazz, waarin Chick Webb en Big Sid Catlett zijn eerste voorbeelden waren.

 

Als jeugdig drummer deed hij ervaring op in de bands van Duke Ellington en Count Basie, waarin hij een enkele keer mocht invallen. Ook speelde Max Roach mee in de bands van Louis Jordan, Benny Carter en Lionel Hampton.

In het centrale stadsdeel van de bebop, 52nd Street in New York, trad hij op met o.a. trompettist Dizzy Gillespie, pianist George Wellington, contrabassist Oscar Pettiford en tenorsaxofonist Coleman Hawkins.

Met diezelfde Coleman Hawkins, trompettist Booker Little, trombonist Julian Priester en niet te vergeten zangeres Abbey Lincoln, de ex-vrouw van Max, nam Max Roach in 1960 zijn protestalbum: ‘We Insist!' Max Roach’s Freedom Now Suite’ op.

 

Samen met drum collega Kenny Clarke veroorzaakte Max Roach indertijd een revolutie. Op belangrijke plaatopnamen, waarop zijn vindingrijke manier van bebop-drummen vol cross-rhythms en verrassende accenten op de snare-drum en base-drum te horen zijn, maakte Max Roach als lid van diverse formaties rond altsaxofonist Charlie Parker plaatopnamen uit de jaren 1945-1948.

 

De voor de break geformuleerde manier van drummen had bij Max Roach tot resultaat dat het lichter en meer flexibeler klonk dan bij andere drummers, dus met duidelijk meer ontplooiingsvrijheid en een snellere speelstijl die nodig zijn om virtuoos de bebop speelstijl te kunnen opzwepen.

 

Met zijn kwintet kwam Max Roach in 1949 voor het eerst naar Europa voor het jazzfestival in Parijs.

In het begin van de jaren ‘50 leidde Max Roach een van de eerste hardbop groepen: The Clifford Brown / Max Roach Quintet, waarin ook de tenorsaxofonisten Teddy Edwards, Harold Land en Sonny Rollins hebben meegespeeld.

De groep muntte uit door grote verschillen in dynamiek, die in elk stuk van het brede repertoire werden toegepast.

Het repertoire van het Max Roach / Clifford Brown Quintet varieerde van originals, geschreven door o.m. Clifford Brown, Ted Dameron en de pianist van het kwintet, Richie Powell tot aan de voor het repertoire belangrijke standards aan toe, waarvan Cole Porter’s ‘What Is This Thing Called Love’ een goed voorbeeld was.

 

Een auto-ongeluk, waarbij Clifford Brown en Richie Powell om het leven kwamen, maakte in 1956 een abrupt einde aan deze groep, waarvan ik ongetwijfeld het mooie: ‘Daahoud’ voor u g draaien, een onvervalste Clifford Brown compositie uit 1955 met Clifford Brown op trompet, Harold Land tenorsaxofoon, pianist Richie Powell, George Morrow contrabas en Max Roach op de drums.

En dit nummer ‘Daahoud’ was indertijd ook de herkenningstune van het radioprogramma van mijn helaas overleden radio-collega Pete Felleman.

 

De uitzending van Max Roach  wordt donderdagnacht 28 mei om 01:00 uur herhaald.

Hank Mobley 17 mei 2015 in "All That's Jazz"

Vanavond heb ik het genoegen om het JazzProfiel van tenorsaxofonist Hank Mobley te presenteren, die op 7 juli 1930 in Eastman als Henry Mobley werd geboren. Eigenlijk heeft hij het nooit helemaal gemaakt bij de critici en het grote publiek. Des te meer bij de musici en de jazzliefhebbers. Velen van hen houden van zijn speelwijze en zijn aangename geheel eigen geluid. Hoewel hij stilistisch bij de zogenaamde hardbop-school hoort, is het vreemd dat hij hierin wat zijn toon betreft niet te plaatsen valt. Enerzijds hoort hij niet bij de 'harde jongens' en anderzijds ook niet bij de school van Lester Young-volgelingen.

Recensent Leonard Feather schreef als eerste zin achterop de hoes van Hank Mobley’s LP ‘Workout’ uit 1961: dat hij ‘de middengewicht kampioen van de tenorsaxofoon’ was. Hij bedoelde het met deze uitspraak niet zo kwaad, want hij wilde eigenlijk met dit statement aangeven dat Hank Mobley niet vergeleken moest worden met zwaargewichten als Coleman Hawkins, Sonny Rollins of John Coltrane, die alle drie in hun categorie onverslaanbaar waren. Nee, Hank Mobley is daardoor eigenlijk een lost heroe t.o.v. deze 3 tijdsgenoten en is tegelijkertijd de kampioen middengewicht. En dat vooral om zijn geweldige sound, die hij trouwens ook zelf heeft omschreven als: ‘Not a big sound, not a small sound, just a round sound’. En daarnaast ook omdat hij indertijd alle rages en modegrillen heeft overleefd en toch een constant succesvolle musicus is geweest én gebleven.

Na zijn jeugd verhuisde Hank Mobley naar Newark, New Jersey. Hij kwam uit een muzikale familie: grootmoeder, moeder en oom speelden allen piano. Zijn oom liet hem veel Lester Young-platen horen, en toen Mobley op 16-jarige leeftijd een tenorsax kreeg, was Lester dan ook zijn eerste idool. Later werden Dexter Gordon, Charlie Parker, Don Byas en Sonny Stitt zijn favorieten. Vooral Stitt had een grote invloed op de jonge tenorist.Van 1949 tot 1950 speelde Hank Mobley in verschillende lokale groepen in Newark met onder anderen de pianisten Walter Davis Jr. en Freddie Roach. Op aanbeveling van trompettist Clifford Brown nam pianist/zanger Paul Gayten hem op in zijn orkest, waarin ook Charlie Persip, Cecil Payne en Clark Terry werkten. Mobley speelde in dit orkest alt-, tenor- en baritonsaxofoon en kreeg ook de muzikale leiding van de band. Na een contract in de Savoy Ballroom, werd het orkest in november 1952 helaas ontbonden.

Nadat Hank Mobley terug was gekeerd naar Newark, ontmoette hij hier tijdens een jamsessie drummer Max Roach. Een dag daarna belde Roach hem op en vroeg of hij en Walter Davis Jr. in zijn groep wilden komen spelen. Met het toenmalige Roach-sextet speelde Hank Mobley gedurende drie maanden in de Apollo-bar in de 125e straat in New York. In deze periode werden ook zijn eerste plaatopnamen gemaakt met, naast de 21-jarige saxofonist, pianist Walter Davis Jr., bassist Frank Skeete en drummer Max Roach. Ondanks zijn rhythm & blues-achtergrond klonk Hank Mobley hier toch heel anders dan je zou verwachten: een tamelijk dun geluid, zoals we dat van Lester Young kennen. Hij is trouwens een van de weinige jonge bebop-tenoren uit die tijd met invloeden van Young.  Als drummer Max Roach in juni 1953 naar Californië vertrekt om daar een nieuwe groep te formeren (met Clifford Brown en Teddy Edwards), speelde Mobley een jaar bij Dizzy Gillespie, met wie hij enkele opnamen maakt voor Verve. Eind 1954 kan men hem aantreffen in ‘Minton's’ met Horace Silver, Doug Watkins en Art Blakey. Met deze bezetting maakte hij zijn eerste (25 cm) LP onder eigen naam voor Blue Note. Een geweldige plaat. Mede door de voortreffelijke ritmegroep bereikte Mobley hier een muzikaal hoogtepunt. Hij had nu meer volume, speelde feller en emotioneler.

Ook de invloed van Charlie Parker was duidelijk te horen. Zijn spel klonk logisch en vloeiend en het zat ritmisch stevig in elkaar. Onzekerheid kende hij niet en ook in de snelle tempi voelde hij zich volkomen op zijn gemak. In opdracht van Blue Note's baas Alfred Lion werd trompettist Kenny Dorham aan het kwartet toegevoegd en zo ontstonden: ‘The Jazz Messengers’ onder leiding van drummer Art Blakey, hoewel de muzikale leiding feitelijk in handen is van pianist Horace Silver, die de meeste stukken schreef en de repetities leidde. Begin 1956 verliet Dorham de groep om een eigen kwintet op te richten met als tweede blazer J.R. Monterose. Donald Byrd was zijn vervanger. Met deze nieuwe Messengers-bezetting maakte Hank Mobley een aantal uitstekende opnamen. In deze tijd valt het op dat Mobley's toon veranderde en steeds meer op die van Lester Young begon te lijken, terwijl zijn frasering veel met die van Charlie Parker gemeen had.

Na een uitstapje in het kwintet van drummer Max Roach, trad Hank Mobley weer toe tot ‘The Jazz Messengers’, waarin op dat moment trompettist Kenny Dorham, pianist Horace Silver, bassist Doug Watkins en Art Blakey speelden. De invloed van Sonny Rollins en John Coltrane werd nu in deze periode duidelijk merkbaar in het spel van Hank Mobley met kortere noten en een emotionele toon. Hank Mobley’s uitstekende vorm leidde eind 1960 tot de toetreding tot het Miles Davis Quintet. Voor Columbia werden een aantal LP's gemaakt, waarbij de plaat, opgenomen tijdens een concert in Carnegie Hall, wel de beste is. Aangevuurd door Wynton Kelly, Paul Chambers en Jimmy Cobb ging Mobley op een verbijsterende manier tekeer in 'Oleo', 'So What' en 'No Blues'. Met dezelfde ritmesectie maakt hij ook de LP 'Workout' voor Blue Note met een matig spelende gitarist Grant Green.

Als gevolg van persoonlijke problemen, viel het Hank Mobley steeds zwaarder om gelijke tred te houden met de ontwikkeling van de andere musici in de Davis-groep. Tijdens een verblijf aan de Westkust bleek hij, volgens mensen die erbij aanwezig zijn geweest, de helft van de tijd niet tot spelen in staat te zijn geweest en tenslotte volgde de volledige ineenstorting van Hank Mobley. Toen in oktober 1961 het Miles Davis Quintet in Amsterdam optrad, bleek zijn plaats dan ook ingenomen te zijn door Sonny Stitt. De daaropvolgende jaren hoorde men weinig van hem. Mobley maakte nog wel platen, die met de regelmaat van de klok op de Europese markt verschenen.

Maar midden jaren zeventig kreeg Hank Mobley gezondheidsproblemen en was hij nauwelijks nog in staat te spelen. Op 30 mei 1986 overleed hij op 55 jarige leeftijd aan een dubbele longontsteking.

 

De uitzending van Hank Mobley  wordt donderdagnacht 21 mei om 01:00 uur herhaald.

Avisha Cohen 10 mei 2015 in "All That's Jazz"

Avishai Cohen werd op 20 april 1970 in kibboets Kabri in Israël geboren en is contrabassist, componist, pianist, zanger en arrangeur.

 

Avishai Cohen groeide op in een muzikale familie in het noorden van Israël.

Hij begon op 9-jarige leeftijd piano te spelen en op een leeftijd van 14 jaar werd hij sterk geïnspireerd door de legendarische bassist Jaco Pastorius en begon zodoende basgitaar te studeren.

 

Na een tweejarige militaire dienstperiode, ging Avishai Cohen contrabas studeren bij ‘maestro’ Michael Klinghoffer. Twee jaar later verhuisde Avishai naar New York City en kwam zodoende in contact met veel andere jazzmusici.

Om in zijn levensbehoefte te kunnen voorzien, vervulde Cohen een aantal functies in de bouw. Volgens hem zijn de eerste jaren in New York de moeilijkste jaren van zijn leven geweest, waarbij hij om aan geld te komen ook bas ging spelen in straten, parken en in de metro.

 

Avishai Cohen ging vervolgens muziek studeren aan Mannes College New School Of Music en ging tijdens deze schoolperiode in een paar Latinjazz bands spelen.

Hierna werd hij door pianist Danilo Perez benaderd om in zijn trio te komen spelen.

 

Na een lange periode met gigs in kleine clubs, kreeg hij een telefoontje van jazzpianist Chick Corea en kreeg tot zijn verrassing een platencontract aangeboden.

In 1996 werd Avishai Cohen een van de oprichters van het Corea’s Origin sextet en zijn eerste vier albums als leider werden uitgebracht op Chick Corea’s platenlabel Stretch.

 

Momenteel werkt Avishai Cohen met zijn eigen groep met o.a. de uit New Jersey afkomstige drummer Mark Guiliana en de Israëlische pianist Shai Maestro.

Op zijn later uitgebrachte albums, is Avishai Cohen ook te beluisteren met dit trio, aangevuld met blazers.

 

Inmiddels is Avishai Cohen een veelgevraagde musicus geworden en hij heeft samengewerkt en opgenomen met jazzmusici als: Roy Hargrove, Herbie Hancock, Kurt Rosenwinkel, NnennaFreelon, Paquito D’Rivera, Alicia Keys en met het London en Israël Philhamonic Orchestra.

 

Door The Jeruzalem Post werd Avishai Cohen uitgeroepen tot de meest succesvolle exporteur van Israëlische jazz en door het gezaghebbende Down Beat Magazine werd Cohen gerekend tot een van de 100 meest invloedrijke bassisten van de 20e eeuw.

Zijn jazzcollega Chick Corea typeert Avishai Cohen als een groot componist en een geniale musicus.

Zijn stijl van spelen is een mix van, uit het Midden-Oosten samen met Oost-Europese en Afro-Amerikaanse, muzikale idiomen Cohen manifesteert zich in de jazz, ethno jazz en folk jazz.

 

Alleszins dus de moeite waard om te luisteren naar dit JazzProfiel bij Rick FM van deze bezielend spelende musicus: Avishai Cohen.

De uitzending van Avisha Cohen wordt donderdagnacht 14 mei om 01:00 uur herhaald.

Cal Tjader 3 mei 2015 in "All That's Jazz"

In dit JazzProfiel de muziek en het carrièreverhaal van de op 16 juli 1925 in St. Louis (Missouri) geboren vibrafonist Callen Radcliffe (Cal) Tjader Jr.

Hij werd uit Zweeds-Amerikaanse ouders geboren. Zijn vader was tapdanser en zijn moeder speelde piano. Samen trokken ze van stad naar stad om geld te verdienen.

Toen Cal 2 jaar oud was, verhuisden zijn ouders naar San Mateo in Californië en openden ze een dansstudio. Van zijn moeder leerde Cal Tjader piano spelen en zijn vader leerde hem dansen.

In de regio trad de jonge Cal op als Tjader Junior en stond hij bekend als een getalenteerde tapdanser. Ook speelde Cal Tjader een kleine rol in de film ‘The White Of The Dark Cloud Of Joy’ met Bill Bojangles Robinson.

 

Op zijn 14e leerde Cal Tjader zichzelf drummen en zo ging het met vrijwel ieder instrument dat hij bespeelde, hij leerde het zichzelf namelijk aan. Alleen in het bespelen van piano en pauken kreeg hij enkele lessen, daarnaast bespeelde hij voornamelijk de vibrafoon.

Toen Cal Tjader 16 jaar oud was nam hij deel aan een drumwedstrijd van Gene Krupa. Hij behaalde de finale, maar wist niet te winnen. Zijn verlies werd echter overschaduwd door een tragische gebeurtenis, namelijk de Japanse aanval op Pearl Harbor.

 

In 1943 diende Cal Tjader tot 1946 als hospik in het Amerikaanse leger. Als ex-soldaat mocht hij studeren aan het San Jose State College en volgde hij een opleiding tot leraar. Later stapte hij over naar het San Francisco State College en volgde daar o.a. zijn eerste paukenlessen.

 

In San Francisco ontmoette Cal Tjader Dave Brubeck, die hem introduceerde aan Paul Desmond. Met z’n drieën gingen ze op zoek naar andere muzikanten en vormden zo het Dave Brubeck Octet, waarin Cal Tjader drums speelde. De band experimenteerde met jazz en maakte gebruik van niet-Westerse composities. Ondanks het feit dat ze maar één album opnamen, wordt door velen die periode gezien als de geboorte van een aantal jazzstandards.

Na het uiteenvallen van de band, begonnen Tjader en Brubeck een trio, in de hoop meer werk te vinden. Zij slaagden hierin en het trio werd een graag geziene gast in jazzclubs in San Francisco.

Cal Tjader leerde zichzelf in die tijd om de vibrafoon beter te bespelen en combineerde dat instrument met het drumstel, afhankelijk van het nummer dat werd gespeeld.

In 1951 werd het Dave Brubeck Trio gedwongen te stoppen, nadat Brubeck zwaargewond raakte bij een duikongeluk.

 

Tjader ging samenwerken met Alvino Rey en behaalde zijn diploma op San Francisco State. In die periode trad hij ook regelmatig op als bandleider van zijn eigen orkest.

In 1953 werd Cal Tjader gevraagd door pianist George Shearing in de hoop dat de sound van zijn band zou worden opgevijzeld door toevoeging van de vibrafoon. Shearing besloot later richting de Latinstijl te gaan, waarop Cal Tjader zichzelf ook leerde om de conga’s te bespelen. In datzelfde jaar werd Tjader genomineerd voor de prijs van ‘Best Star On The Drums’.

 

In New York City regelde bassist Al McKibbon een ontmoeting voor Tjader met een aantal Afro-Cubaanse big bands die werden geleid door Machito en Chico O’Farril. Ook ontmoette hij Mongo Santamaria en Willie Bobo. George Shearing nodigde beide muzikanten uit om mee te spelen in zijn nieuwe Latin-band.

Een misvatting die vaak heerst, is dat Cal Tjader in die tijd de vibrafoon in de Latinjazz heeft geïntroduceerd. Velen, waaronder John Storm Roberts menen echter dat die eer naar Tito Puente dient te gaan, gezien het feit dat hij jaren eerder al exotische melodieën op de vibrafoon speelde.

 

In mei 1982 stierf Cal Tjader op 56-jarige leeftijd in het harnas: tijdens een toer kreeg hij een hartaanval.

De uitzending van Cal Tjader wordt donderdagnacht 7 mei om 01:00 uur herhaald.

Bobby Timmons 26 april 2015 in "All That's Jazz".

In een nieuwe aflevering van het programmaonderdeel ‘JazzProfiel’, heb ik dit keer het genoegen om de muziek te presenteren van soul-pianist Bobby Timmons bij uw favoriete radiozender Rick FM.

 

Robert Henry Timmons, alias Bobby Timmons werd op 19 december 1935 in Philadelphia  geboren en is op 1 maart 1974 in New York gestorven, dus helaas op slechts 38 jarige leeftijd. Op zijn 6e is hij begonnen met zijn pianostudie. Vooral geïnspireerd door pianisten als Bud Powell, Art Tatum, Red Garland en Carl Perkins ontwikkelde Bobby Timmons zich tot een hardbop en souljazz spelende pianist die in 1954, op 29 jarige leeftijd naar New York verhuisde.

In New York werd Bobby Timmons vooral in de jaren ‘50 en ‘60 een veelgevraagde solist. Uit zijn periode met bassist Sam Jones en drummer Jimmy Cobb, en dan heb ik het over de periode rond 1960, componeerde Bobby Timmons de ene jazzhit na de andere, zoals het steengoeie: ‘Dat Dere’. Dit nummer is ook beroemd geworden door zanger Oscar Brown Jr. die met zijn zoontje met een spraakgebrek in de dierentuin liep en enthousiast uitriep: ‘Dat Dere’ bij het zien van een kolossaal grote olifant.

 

Pianist Bobby Timmons was in de jaren 1958 en 1959 lid van Art Blakey’s Jazz Messengers, een jazzcollectief waarmee hij ook door Europa toerde.

Hij werd erg beroemd door zijn legendarische compositie ‘Moanin’, een funky, gospel-georiënteerde tune.

Van 1959 tot 1960 werkte Bobby Timmons met altsaxofonist Julian Cannonball Adderley en nam met zijn groepen vele souljazz composities op. Twee ervan werden echte hits en dat waren: ‘This Here’ en het net genoemde ‘Dat Dere’.

In dit JazzProfiel ga ik ook een andere jazzkraker draaien: “Spontanious Combustion” dat, door Julian Cannonball Adderley werd geschreven en dat zoveel als: “Spontane Zelfontbranding” betekent. Dit nummer werd in 1960 gespeeld door het fameuze Quintet van deze altsaxofonist, met zijn broer Nat Adderley op cornet, Bobby Timmons weergaloos achter de piano, de stuwende contrabassist Sam Jones en ook drummer Louis Hayes. Ik kocht deze plaat op 16 jarige leeftijd en dat is alweer ruim 55 jaar geleden. De titel is: ‘The Cannonball Adderley Quintet in San Francisco’, waar zij in oktober 1959 onder contract stonden van ‘The Jazz Workshop’ en een zó groot succes hadden, dat de mensen avond aan avond tot buiten toe op straat moesten staan, om van dit kwintet te kunnen genieten d.m.v. opgehangen luidspeakers.

 

In totaal nam pianist Bobby Timmons maar liefst 26 grammofoonplaten op, niet alleen als sideman, maar ook als trioleider, o.a. voor het succesvolle Riverside-label. Helaas ging Bobby Timmons carrière snel kelderen, mede door overmatig alcoholgebruik. Maar hij bleef echter werken tot aan zijn dood, op 38 jarige leeftijd.

Bobby Timmons blijft herinnerd als een geraffineerd spelende pianist en door zijn makkelijk aansprekende composities en was op zijn beurt een duidelijk lichtend voorbeeld voor weer een nieuwe generatie pianisten, zoals Les McCann, Ramsey Lewis en ook voor Benny Green.

 

De uitzending van Bobby Timmons wordt donderdagnacht 30 april om 01:00 uur herhaald.

Joe Henderson 19 april 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het genoegen om de muziek en het carriereverhaal van tenorsaxofonist Joe Henderson te presenteren. Hij werd op 24 april 1937 als Joseph Henderson geboren in Lima (Ohio). Joe Henderson groeide op in een groot gezin met 5 zussen en 9 broers. Zijn ouders en zijn oudere broer James moedigden hem aan om muziek te gaan studeren en dat deed hij ook daadwerkelijk in de periode 1956 t/m 1960 aan het Kentucky State College en aan de Wayne State University.

Joe Henderson’s vroegste muzikale interesses gingen uit naar drums, piano, saxofoon en compositieleer. Hij schijnt bijzonder verzot te zijn geweest op de platenverzameling van zijn broer. Op deze wijze maakte hij kennis met Lester Young, Flip Phillips, Stan Getz, Lee Konitz, Charlie Parker en de talloze ‘Jazz At The Philharmonic’ opnames. Als 22 jarige musicus begon Joe Henderson samen te spelen met lokale musici in Detroit. Hij leerde zichzelf contrabas en dwarsfluit spelen en bleef zijn vaardigheid als saxofoonspeler en componist verder ontwikkelen. Op de eerder genoemde Wayne State University, verbaasde hij zijn muziekleraren met zijn blaastechniek en perfecte toonbeheersing.

De honderden uren luisteren en naspelen van Lester Young-solo’s hadden hun vruchten afgeworpen. Ongetwijfeld zullen ook zijn klasgenoten Uzelf Lateef, Barry Harris en Donald Byrd hem bijkomende inspiratie hebben gegeven. Na twee jaar militaire diensttijd van 1960 tot 1962, leerde Joe Henderson bij terugkomst in New York trompettist Kenny Dorham kennen, die hem verder op weg hielp met zijn muzikale carrière. Henderson ging hierna naam maken, toen hij de kans kreeg om deel uit te gaan maken van de groepen van Horace Silver van 1964 t/m 1966 en met de pianisten Herbie Hancock en Chick Corea. Van zijn arrangementen uit die periode zijn helaas geen opnamen gemaakt, totdat het album ‘Joe Henderson Big Band’ op het Verve-label in 1996 werd uitgebracht.

Zijn vruchtbare verbintenis met het Blue Note-label heeft maar liefst 30 albums opgeleverd, die allemaal verschenen in een tijdsbestek van 1963 t/m 1968.In het midden van de jaren ’70 verhuisde Joe Henderson naar San Francisco waar hij samen met o.a. trompettist Freddy Hubbard en vele andere musici deel ging uitmaken van groepen als ‘Echoe Of An Era’, ‘The Griffith Park Band’ en ‘The Griffith Park Collection’. In diezelfde periode begon Joe Henderson zich ook als muziekleraar te manifesteren. Henderson ontwikkelde een geheel eigen stijl van het spelen van moderne jazzimprovisaties, die maar in de verte iets weg had van John Coltrane’s aanpak van spelen.

Henderson kan zijn tenorsax net zó zwoel laten klinken als van Stan Getz of Lester Young, maar ook klinkt hij soms weer zó bluesy als T-Bone Walker.

De uitzending van Joe Henderson wordt donderdagnacht 23 april om 01:00 uur herhaald.

Bud Powell 12 april 2015 in "All That's Jazz".

Bud Powell  werd in 1924 in New York geboren als Earl Powell en is de grootste pianovertolker van het pure bebopidioom geweest. Zijn al in een vroeg stadium technisch zéér ontwikkelde pianospel, het resultaat van een degelijke klassieke studie, groeide in de jaren veertig snel naar een eigen stijl, die een omwenteling betekende ten opzichte van voorgangers als: Earl Hines, Art Tatum, Fats Waller en Teddy Wilson. Bud Powell’s linkerhand speelde niet langer de traditionele ‘vier-in-de-maat-figuren’ . Swingend getimede akkoordaccenten van de linkerhand, gecombineerd met razendsnelle fraseringen van de rechter bepaalde zijn typische bebop-pianostijl.

 

Bud Powell, als profmusicus gestart in de band van trompettist Cootie Williams (1943 – 1944), werd als voorman in de bebopstroming voor pianisten wat altsaxofonist Charlie Parker voor blazers was.

Een andere overeenkomst met Parker is dat Powell ook een leven heeft geleid vol geestelijke en lichamelijke instortingen, waarbij die ellende bij Bud Powell in feite nog tragischer is geweest.

Pianist Bud Powell was vaak in zijn leven een gekwelde en ook wanhopige man die totaal niet opgewassen bleek tegen het harde muzikantenbestaan.

Kwetsbaar en onberekenbaar als hij was, soms volkomen afgesloten van de buitenwereld en behoorlijk erg verslaafd aan alcohol en drugs, heeft Bud Powell helaas een aantal periodes in psychiatrische klinieken moeten doorbrengen.

 

Zijn sterkste platenopnamen, meestal in trio verband, maakte hij in de eerste helft van de jaren vijftig. Op LP’s als de ‘The Amazing Bud Powell’, ‘Piano Conceptions’ en ‘The Genius Of Bud Powell’, staat hij op het toppunt van pianistisch kunnen.

Onder de vele Bud Powell-composities zijn ‘Budo’ (ook wel bekend als ‘Hallucinations’), ‘Bouncing With Bud’, ‘So Sorry Please’, ‘Un Poco Loco’, ‘Parasian Through Fair’, ‘Tempus Fugit’ en ‘Dance of the Infidels’.

Collega Thelonious Monk, die hem van meet af aan heeft gestimuleerd, droeg zij‘In Walked Bud’ aan hem op.

 

Bud Powell’s Nederlandse debuut, en dat was in 1956, werd een mislukking door angstvisioenen en andere verschijnselen van geestelijke gestoordheid, waardoor coherent spel onmogelijk bleek.

 

In Parijs, waar Powell zich in 1958 vestigde, hield hij zich met behulp van enkele Franse bewonderaars, o.a. Francis Paudras, die hem ook in huis opnam, beter staande dan in zijn geboorteland.

Powell voelde zich in de Franse hoofdstad, waar hij enige tijd werd verpleegd wegens tuberculose, veiliger dan in het onrustige en woelige New York.

 

In 1964 bezweek Bud Powell voor een aanlokkelijk financieel aanbod om weer in zijn geboortestad New York te komen optreden, maar er was vreemd genoeg nog maar weinig belangstelling voor zijn concerten in de diverse jazzclubs.

Telexberichten naar aanleiding van Bud Powell’s dood in 1966, en dat op slechts 42 jarige leeftijd, maakten eigenlijk voornamelijk melding van ondervoeding, alcoholmisbruik, tuberculose en depressies. Er werd volkomen voorbij gegaan aan de enorme belangrijke rol die Bud Powell met zijn spel gegeven heeft aan de jazzontwikkeling.

 

De film ‘Round Midnight’ van de Franse regisseur Betrand Tavernier (met in de hoofdrol tenorsaxofonist Dexter Gordon) een vrije vertaling van, en een eerbetoon aan Bud Powell’s leven vormt en dit dan gecombineerd met dat van een andere tragische jazzheld, namelijk tenorsaxofonist Lester Young. 

 

De uitzending van Bud Powell wordt donderdagnacht 16 april om 01:00 uur herhaald.

Jazz uit Nederland 5 april 2015 in "All That's Jazz".

Aanstaande zondag een twee uur durend "JAZZ UIT NEDERLAND". Dus jazzmuziek gespeeld door NL jazzmusici c.q. groepen, die geleid worden door NL jazzmusici.

 

De uitzending van Jazz uit Nederland wordt donderdagnacht 9 april om 01:00 uur herhaald.

Pepper Adams 29 maart 2015 in "All That's Jazz".

De Amerikaanse jazz-baritonsaxofonist en componist Pepper Adams werd als Park Frederick Adams III op 8 oktober 1930 in Highland Park, Michigan geboren. Hij componeerde 43 stukken, was leider op 18 albums die opgenomen werden in 28 jaar en nam als sideman deel aan 600 sessies. In het gezin waar Pepper Adams opgroeide, waren beide ouders afgestudeerd aan de universiteit en tijdens de Grote Depressie gingen zijn ouders scheiden, waarna samen met zijn moeder in de herfst van 1931 werd verhuisd naar een boerderij in de buurt van Columbia City, waar meer voedsel en ondersteuning beschikbaar was.

In 1933 begon Pepper Adams, dus al op 3-jarige leeftijd met een pianostudie. In 1935 werd opnieuw verhuisd naar Rochester, New York. In die stad begon hij met het volgen van muzieklessen op tenorsaxofoon en klarinet. Door de dagelijkse radioshow van Fats Waller raakte hij geïnteresseerd in jazzmuziek en ook door te luisteren naar Fletcher Henderson, Jimmie Lunceford, Duke Ellington en Cab Calloway. Om bij te dragen in de levensbehoeften van de familie, ging de jonge Pepper Adams van deur tot deur om sigaretten te verkopen. Op zesjarige leeftijd kreeg Adams de mogelijkheid om op school om een muziekinstru- ment te lenen waarop hij les kon nemen voor in de schoolband. In eerste instantie koos hij voor de trompet, daarna de trombone en uiteindelijk voor de klarinet. Op zijn zevende ontving hij zijn levenslange bijnaam ‘Pepper’, aangezien zijn klasgenoten een gelijkenis zagen tussen hem en Pepper Martin een sterspeler van de St. Louis Cardinals. Later zou hij in zijn carrière ook nog de bijnaam ‘The Knife’ krijgen ten gevolge van zijn scherpe, snijdende speeltechniek.

Door een ontmoeting met Rex Stewart, die de jonge Pepper voorstelde aan Harry Carney en andere Ellington bandleden, kreeg Pepper Adams de gelegenheid om lessen te nemen bij tenorsaxofonist Skippy Williams uit deze band. Door zijn verdiensten via baantjes als pakketjesopener in de postkamer van een jazzwinkel en werk in een bioscoop, kon Adams een tenorsaxofoon kopen. Ook kon hij in die jazzwinkel naar de nieuwste jazzplaten luisteren, vooral die van Don Byas en Coleman Hawkins, welke laatste hij ook in 1945 had zien optreden. Pepper Adams eerste betaalde optreden vond in 1946 plaats als lid van het door Ben Smith geleide sextet, wat ertoe leidde dat hij van school gestuurd werd als gevolg van het gedurende zes avonden per week werken. Op 16 jarige leeftijd verhuisde Pepper Adams met zijn moeder naar Detroit waar hij in verschillende groepen ging spelen. Door ook daar te gaan werken in een muziekwinkel, stelde dit Adams in de gelegenheid om zijn uiteindelijke hoofdinstrument de baritonsaxofoon te kopen, een gebruikte Bundy en in 1948 een nieuwe Selmer B-flat baritonsax, die hij 30 jaar lang heeft bespeeld.

Pepper Adams speelstijl was in veel opzichten de tegenpool van die van de baritonbespelers Gerry Mulligan en Serge Chaloff met hun melodische voorkeur van spelen van de jazz. Adams is erin geslaagd om door zijn speeltechniek, het toch tamelijk logge bariton instrument, met razende snelheden in de hardbop-stijl te bespelen. En dat zodanig, dat dit door geen andere bariton-bespeler eerder voor mogelijk was gehouden. Pepper Adams overleed op 10 september 1986 ten gevolge van pleuritus en longkanker. Zijn laatste optreden vond plaats op 2 juli 1986 in ‘The Spectrum’ in Montreal. Voor het aftellen van het eerste nummer tijdens het Montreal Jazz Festival, ontving de zieke Art Pepper een staande ovatie van het publiek.     

 

De uitzending van Pepper Adams wordt donderdagnacht 2 april om 01:00 uur herhaald.

Lionel Hampton 22 maart 2015 in "All That's Jazz".

De in 1908 te Louisville Kentucky geboren Lionel Hampton is zijn carrière begonnen als drummer, maar heeft vooral door zijn werk op de vibrafoon, in 1930 bij Louis Armstrong en in 1936 bij Benny Goodman, dit instrument een volwaardige plaats in de moderne jazz gegeven.

De platenopnamen uit deze jaren dertig met het Benny Goodman Quartet, waarin Lionel Hampton als dynamisch spelend vibrafonist stevig partij gaf aan de klarinettist, zijn legendarisch geworden.

 

Lionel Hampton kreeg bij Benny Goodman zo’n grote naam dat hij vanaf 1940 met eigen formaties kon gaan werken.

Zijn eerste big-bandversie van het nummer dat onverbrekelijk verbonden is aan zijn muzikale opvattingen ‘Flying Home’, dateert van 1942.

 

Altijd heeft Lionel Hampton zijn eigen plaats in de moderne jazz weten te behouden, deels door briljante vertolkingen van een aantal slows, zoals: ‘Tenderly’, ‘Stardust’ en  eigen composities als: ‘Midnight Sun’, deels door zijn virtuositeit en zijn talent om een zaal vol mensen in verregaande staat van opwinding te brengen.

 

In Nederland gebeurde dit voor de eerste keer in 1953, toen talentvolle jonge musici als de trompettisten: Clifford Brown, Art Farmer en Quincy Jones, altsaxofonist Gigi Gryce, tenorist Clifford Solomon, trombonist Jimmy Cleveland en pianist George Wallington, deel uitmaakten van zijn big band.

Het jaar daarop ging het publiek in de Amsterdamse Apollohal tijdens Hampton’s show zó te keer dat het met vereende krachten door de vloer zakte.

 

In 1956 maakte de Lionel Hampton Band het onder aanvoering van de furieus spelende vibrafonist en drumsolist in het Amsterdamse Concertgebouw zó bont dat de politie ingreep en verder optreden verbood. Ik citeer uit een artikel in Het Parool: ‘Heren, die men ’s morgens met aktetas naar kantoor had zien gaan, grepen juffrouwen bij de schouders en hosten door de zaal, van de balkons klonken wilde kreten, het was die nacht waarlijk angstig en onwerkelijk’, tot zover dit artikel in Het Parool.

 

Tot op hoge leeftijd is de energieke Lionel Hampton, terend op oude roem, maar ook met een nieuw repertoire aan de weg blijven timmeren.

 

Zowel in de kleinere formatie ‘Jazz Inner Circle’, als in zijn big bands, zijn altijd solisten van naam blijven spelen en dat zegt natuurlijk alles over het hoge spelniveau van Lionel Hampton’s formaties.

Lionel Hampton overleed op 31 augustus 2002.

 

De uitzending van Lionel Hampton wordt donderdagnacht 26 maart om 01:00 uur herhaald.

Dmitry Baevsky 15 maart 2015 in "All That's Jazz".

Het enige kind van een vertaler, is dit keer de hoofdpersoon in dit JazzProfiel: Dmitry Beavsky. Hij werd in Sint-Petersburg, dus in Rusland geboren. Hier begon de jonge Dmitry op zesjarige leeftijd pianolessen te nemen en ontdekte op deze manier zijn passie voor toen nog alleen de klassieke muziek. Toen hij tiener was, schakelde hij over naar de altsaxofoon.

Ondanks het feit, dat Beavsky niet werd omringd door professionele musici, was zijn familie nauw verbonden met muziek. Zo was zijn overgrootvader Moisei Beregovsky een van de meest bekende en gerespecteerde joodse musicologen, die zijn leven lang bezig is geweest met het verzamelen van melodieën en teksten van Jiddische volksliederen en ook van Oost Europese joodse klezmer muziek. In 1991 vervolgde Dmitry Baevsky zijn muzikale opleiding aan het Mussorgsky College Of Music in Sint-Petersburg en studeerde gedurende 4 jaar bij o.a. de briljante Russische jazzsaxofonist Gennady Goldstein. Ook verscheen Dimitry in de jaren ’90 voor het eerst op vele Russische jazzpodia en festivals.

Met een volledige muziekbeurs, verhuisde Dmitry Beavsky naar New York om te gaan studeren in de afdeling jazz aan de New School University. Na de afronding van zijn studie, bleef Dmitry Baevsky actief binnen de New Yorkse jazzgemeenschap en heeft platen opgenomen met o.a. Benny Green, Peter Washington, Willie Jones III, David Hazeltine, Peter Bernstein, Cedar Walton en vele anderen. In 2005 bracht Baevsky zijn eerste album als leider uit, met de ‘verrassende titel’: ‘Introducing Dmitry Baevsky’ met pianist Cedar Walton, gitarist Ilya Lushtak, bassist John Webber en drummer Jimmy Cobb. Hierna volgde in 2009: ‘Some Other Spring’ en in september 2010: ‘Down With It’, een album met trompettist Jeremy Pelt, pianist Jeb Patton, bassist David Wong en drummer Jason Brown. Dit album bleef maar liefst vier maanden lang staan in ‘The Jazzweek Charts’, een wekelijks verschijnende lijst met de 50 top-jazzalbums die gedraaid werden op radiostations in de Verenigde Staten en Canada.

Een tweede album voor Sharp Nine Records kwam in 2012 uit, getiteld ‘The Composers’ met pianist David Hazeltine, bassist John Webber en drummer Jason Brown + op 3 tracks de grootse gitarist Peter Bernstein. En in 2015 kwam ook het laatste album: ‘Over And Out’ uit, dat in trioverband werd opgenomen samen met bassist David Wong en drummer Joe Strasser.De afgelopen jaren heeft Dmitry Baevsky intensief getoerd over de gehele wereld, samen met zijn muzikale kompanen Jeb Patton, David Wong en Joe Strasser. En dat is niet verwonderlijk, want Dmitry Beavsky heeft al ruimschoots bewezen over formidabele en wonderbaarlijke muzikale capaciteiten te beschikken, met een robuust klinkende sound, een harmonische geest, een scherp gevoel voor een aantrekkelijke lyriek en vooral een sterk overkomend origineel geluid met donkere warme toonzetting. 

Hoog tijd dus voor een introductie d.m.v. een eigen JazzProfiel bij Radio Rick FM!    

 

De uitzending van Dmitry Baevsky wordt donderdagnacht 19 maart om 01:00 uur herhaald.

Saskia Laroo 8 maart 2015 in "All That's Jazz".

De Nederlandse trompettiste Saskia Laroo werd op 31 juli 1959 in de Amsterdamse Jordaan geboren als oudste van vier dochters. Sakia groeide hier en in Den Ilp afwisselend op, ’s winters in Amsterdam en in zomer in dit kleine nabijgelegen dorpje bij Amsterdam. Vanaf haar zesde levensjaar verhuisde zij met het gezin permanent naar Den Ilp. Gedurende haar kindertijd volgde Saskia Laroo muzieklessen op verschillende muziekinstrumenten, zoals de blokfluit, trompet, cornet en bugel en vanaf haar veertiende levensjaar 3 jaar lang de cello.

Hierna volgde ook nog gitaar en pop-vocal gitaarbegeleiding. De piano volgde en ook bestudeerde zij de vaardigheden op het elektronisch orgel. In Den Ilp speelde zij cornet in het fanfareorkest ‘De Eendracht’. Na het behalen van haar Atheneum B diploma in Zaandam, verhuisde Saskia Laroo weer naar Amsterdam om wiskunde te gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam en ontdekte hier het nachtleven en begon concerten bij te wonen. Ook begon zij deel te nemen aan workshops en jamsessions en probeerde zoveel mogelijk muzikale stijlen uit te proberen en een persoonlijke podiumervaring op te doen.

Saskia Laroo boekte geleidelijk aan haar eerste professionele optredens en besloot hierna op negentienjarige leeftijd volledig professional te worden. Ook besloot Saskia Laroo om haar wiskundestudie na 1 jaar te verwisselen voor een Conservatorium opleiding in Alkmaar, waar ze twee jaar klassiek trompetspelen studeerde. Zij vervolgde haar muzikale opleiding aan het Amsterdamse Conservatorium als improviserend musicus met hoofdvak trompet en als bijvakken piano en klassiek contrabas. Op 25-jarige leeftijd studeerde Saskia Laroo na 2 jaar studie ‘Trompet Lichte Muziek’ af aan het Conservatorium van Hilversum.

Omdat Sakia Laroo als tweede instrument de contrabas had gekozen en al ervaring had opgedaan op cello en gitaar, kon zij naast het trompetspelen, ook makkelijk switchen naar de akoestische en elektrische bas. Saskia wilde ervaren hoe het voelt om deel te nemen aan een ritmesectie die een solist begeleidt. Ook nam ze klassiek les op de contrabas en begon als jazz contrabassist op te treden en later ook als basgitarist. Maar Saskia Laroo ging als multi-instrumentaliste nog verder, want op zenentwintig jarige leeftijd besloot ze om ook om vocals en saxofoon te gaan studeren en deze te gebruiken in haar optredens en studio-opnamen. Saskia is recent begonnen om haar eigen vocals meer te gebruiken tijdens haar optredens voornamelijk geïmproviseerd toegepast, exact op de wijze zoals zijzelf haar show wil creëren.

Inmiddels werkt Saskia Laroo meer dan twintig jaar als professioneel muzikant, zowel live als in de studio en dat allemaal in onnoemelijk veel muziekstijlen: van CoolJazz tot Heavy Metal, van Techno tot Trance, van Salsa, via allerlei Latinstijlen tot de Surinaamse kaseko.

Saskia Laroo speelde o.a. samen met Fra Fra Sound, Rosa King, Hans Dulfer, Candy Dulfer, Wynton Marsalis, Toots Thielemans, Roy Hargrove en Teddy Edwards. In 1982 maakte Saskia Laroo haar eerste platenopnamen en in 1994 richtte ze haar eigen platenlabel op: ‘Laroo Records’.

Inmiddels treedt Saskia Laroo met haar vele bands door de hele wereld op. Zo heb je de Saskia LarooRap Band, Saskia Laroo Elektrofunk Band, Jazzkia, Salsabop, Saskia’s Solo Act, Lounging with Saskia en The Laroo Combination. In haar eigen JazzProfiel ga ik speciaal aandacht besteden aan Jazzkia, een kwartet dat in 1995 door deze talentvolle trompettiste werd opgericht met composities van Charlie Parker en John Coltrane, maar ook aan haar duo-optreden met pianist Warren Byrd in een eerbetoon aan Miles Davis en Thelonious Monk. En tot slot ga ik aandacht besteden aan de ontmoeting van Saskia Laroo met tenorsaxofonist grootheid Teddy Edwards.  

 

De uitzending van Saskia Laroo wordt donderdagnacht 12 maart om 01:00 uur herhaald.

15 jaar "All That's Jazz" zondag 1 maart 2015

15 JAAR

‘ALL THAT’S JAZZ’

(aflevering 780)  

MET EEN 2 UUR LANGE,

IN UP-TEMPO

GEDRAAIDE BOEIENDE

JAZZOMZWERVING,

DOOR ROLF’S

PLATENCOLLECTIE!!!

 

De uitzending van 15 jaar "All That's Jazz"  wordt donderdagnacht 6 maart om 01:00 uur herhaald.

Sonny Rollins 22 febr. 2015 in "All That's Jazz".

Ik ga dit keer het JazzProfiel van de in 1930 in New York geboren Theodore Walter Rollins presenteren. Hij is beslist één van de origineelste persoonlijkheden onder de generatie tenorsaxofonisten die kort na de beginperiode van de bebop opkwamen.

Dat Rollins zich met deze positie niet altijd even gelukkig heeft gevoeld, blijkt uit uitspraken die hij over zijn eigen spel heeft gedaan en uit lange periodes van afzondering, meditatie en studie.

Na muzieklessen gevolgd te hebben op de middelbare school, ging Sonny Rollins over van de altsaxofoon op de tenorsax en debuteerde hij als professioneel musicus in 1947, op 17 jarige leeftijd in New York.

Het jaar daarop maakte hij al zijn eerste platenopnamen met een groep rond de bebop-vocaliste Babs Gonzales.

Als zijn grote voorbeelden heeft Sonny Rollins: Coleman Hawkins, Lester Young, Lucky Thompson en Eddie Lockjaw Davis genoemd. Tegen 1950 gold Rollins in jazzmuziekkringen als een zelfbewust, ruig en in grote gedurfde intervallen spelende vernieuwer, die zich snel zou losmaken van de alles overheersende speelstijl van Charlie Parker. Hij heeft vele platen gemaakt met de pianisten Bud Powell, Tadd Dameron en ook met jazzvernieuwer Thelonious Monk.

Maar Sonny’s echte doorbraak kwam in 1954 als lid van het toenmalige Miles Davis Quintet, waarmee zijn composities ‘Oleo’, ‘Doxy’, ‘St.Thomas’ en ‘Airegin’ werden vereeuwigd. Sonny Rollins toonde zich in dit kwintet, met pianist Horace Silver, contrabassist Percy Heath en drummer Kenny Clarke, als een vis in het water. Er werd in een stijl gespeeld, waarin niet langer klakkeloos werd geïmproviseerd op het akkoordenschema van ieder stuk, maar waarin de melodie gedurende de hele solo, via thematische variaties, in ere werd gehouden.

Na een periode met het Max Roach Quintet gespeeld te hebben in de periode 1955-1956, maakte Sonny Rollins een aantal LP’s als leider van diverse groepen, waarmee hij zijn naam definitief vestigde. Na de beginperiode van de bebop, kwamen er voor Sonny Rollins perioden van afzondering, meditatie en studie, die elkaar afwisselden.

Sonny Rollins keerde terug met nieuwe opvattingen over improviseren, die erg belangrijk zijn geweest voor de verdere jazzontwikkelingen. Bijvoorbeeld via altsaxofonist Ornette Coleman, die later op zijn beurt Sonny Rollins weer op nieuwe ideeën wist te brengen.

Rollins maakt zich er, via deze nieuwe stijl, als solist niet meer vanaf om het keer op keer doorwerken van alle akkoordenwisselingen, maar blijft zich bewust van alle thematische mogelijkheden die het gespeelde stuk hem biedt. Deze aanpak leidt tot solopassages die op zichzelf als nieuwe melodieën en versieringen daarvan kunnen worden gezien. Sonny Rollins’ Nederlandse debuut was in 1958 in het Amsterdamse Concertgebouw, waarbij zijn muzikale avonturen werden ondersteund door bassist Henry Grimes en drummer Pete La Roca.

Kort daarna trok hij zich, vol twijfels om wat hij zijn publiek als uitvoerend musicus te bieden had, en wellicht wat uit het veld geslagen door de glorie van zijn collega John Coltrane, uit het openbare leven terug. In afzondering studeerde Sonny Rollins hard aan zijn pianocompositie- en harmonieleer, omdat hij vond dat hij hierin nog te weinig kennis van zaken had.

Op zijn tenorsax speelde hij vaak ’s nachts, waarbij de Williamsburg Bridge, hoog boven de rivier tussen de New Yorkse Lower East Side en Brooklyn, zijn favoriete plek was. Zijn LP: ‘The Bridge’ uit 1962, betekende een overtuigende comeback.  Als solist trad Sonny Rollins ook een aantal seizoenen in Europa op, bij voorkeur weer alleen met bas en drums, waardoor hij opnieuw zijn klasse duidelijker kon bewijzen.

Tijdens concerten in 1967 in Nederlandse jazzclubs werd hij begeleid door bassist Ruud Jacobs en drummer Han Bennink. Rollins toonde in zijn repertoire een voorkeur voor calypso’s, b.v. te horen in zijn ‘handelsmerk’ St.Thomas en ook voor weinig gespeelde standards. Op zijn best is hij wanneer de ritmesectie werd ‘stopgezet’, waarna hij in lange cadensen en rubatopassages alle mogelijkheden van een song verkende. Sonny Rollins bezit de techniek om zowel de melodie als de akkoorden tot op het bot toe te ontleden, ze vervolgens als het ware te verbrijzelen, de restanten door elkaar husselen en stukje bij beetje weer op te bouwen. Op zulke momenten, waarin alle registers van zijn instrument letterlijk worden opengetrokken, toont Rollins zijn ware grootmeesterschap.

Melodische fragmenten combineert hij met bas- en akkoordnoten, waardoor hij als het ware zichzelf begeleid. Hij is de improviserende musicus die eigenlijk verder niemand nodig heeft. De schrijver en jazzliefhebber. Bernlef schreef indertijd typerend in het toenmalige blad ‘Jazz Nu’ over Sonny Rollins: ‘Een man die hardop denkend in een kamer loopt te ijsberen’.

Na alweer een lange periode van kluizenaarschap betrad Sonny Rollins de festivalpodia met geëlektrificeerde, rockachtige groepen, waarin zijn eigen spel een sterk wisselend niveau had. Zijn monumentale geluid van vroeger had plaatsgemaakt voor een doffe, eenvormige klank die via een element, vervormer en versterker uit de luidsprekers kwam.

Maar gelukkig is dit allemaal verleden tijd, wel jammer dat begeleiders, vaak op gitaar, elektrische piano en basgitaar, bij lange na niet of nauwelijks het niveau van de leider wisten te evenaren.

Verrassend is nog steeds de imponerende muzikale klasse die Sonny Rollins in de jaren tachtig tot aan vandaag aan toe demonstreert.

 

De uitzending van Sonny Rollins  wordt donderdagnacht 26 febr. om 01:00 uur herhaald.

Coleman Hawkins 15 febr. 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het genoegen om de muziek te gaan draaien van onze hoofdpersoon vanavond: Coleman Randolph Hawkins, die in 1901 in St. Joseph Missouri werd geboren. Hij is de eerste belangrijke zwarte solist geweest op de tenorsaxofoon, met een blijvende invloed op latere generaties. Dus kan je gerust stellen: één van de grootste aller tijden op dit muziekinstrument.

Coleman Hawkins begon op zijn vijfde met het volgen van pianolessen, en switchte op zevenjarige leeftijd naar de cello en hij begon twee jaar later tenorsaxofoon te spelen. In die tijd werd dit instrument overigens nog als een armoedig aandoende vervanger van de trombone beschouwd en werd voornamelijk in fanfares gebruikt.

Coleman Hawkins zocht en ontwikkelde zijn eigen sound en startte al op 12 jarige leeftijd zijn professionele carrière in Kansas City. Hier werd hij uiteindelijk een plaatselijke bekendheid, met zijn lyrische, maar tegelijkertijd felle en robuust geluid.

Toen hij dus 12 jaar oud was speelde hij al in een theater in Kansas City, waarna Mamie Smith hem inhuurde om mee te spelen in haar ‘Jazz Hounds’. Hij bleef bij deze blueszangeres tot juni 1923 en maakte veel platen, weliswaar nog vaak in een achtergrondrol en maar sporadisch in een echte solopartij.

In de periode 1922 t/m 1934 kreeg Coleman Hawkins een grote naam door zijn optredens in het orkest van Fletcher Henderson. En na een periode in het Engelse orkest van Jack Hylton gepeeld te hebben, zette hij zijn carrière voort met clubcontracten in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, België, Denemarken en Zweden.

In Nederland is Coleman Hawkins te horen geweest met pianist Freddie Johnson en drummer Maurice van Kleef en ook als solist bij The Ramblers. Coleman Hawkins keerde in 1939 terug naar New York, en daar scoorde hij een hit met zijn weergaloze vertolking van ‘Body And Soul’.

Ook heeft Hawkins zelf een eigen big band opgezet, die o.a. in het Apollo Theater en in de Savoy Ballroom te horen is geweest. In tegenstelling tot zijn meeste leeftijdsgenoten had Coleman Hawkins een open oor voor nieuwe jazzontwikkelingen.

Coleman Hawkins werd in 52nd Street in New York, waar de jazz zich voornamelijk had geconcentreerd, een sleutelfiguur tussen de oudere en de jongere generatie, die hem op handen droeg om zijn stimulerende rol. Uit zijn levensverhaal: ‘The Song Of The Hawk’, geschreven door John Chilton citeer ik nu: ‘Waar goede musici zijn, zul je mij altijd vinden. Ik denk niet over muziek zoals andere mensen dat doen. Ik denk niet over muziek in termen van nieuw of modern’.

Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw, heeft Coleman Hawkins veel wereldtournees gemaakt met de Norman Granz’ sterrenformatie ‘Jazz At The Philharmonic’. Maar de echte hoogtepunten in zijn spel, dat ooit zo’n monumentaal karakter bezat, werden helaas steeds schaarser.

De laatste jaren van Coleman Hawkin’s leven, stond in het teken van overvloedig drankgebruik, waardoor hij regelmatig op zelfvernietiging leek aan te sturen. Enige interesse in zijn vooraanstaande rol in de jazzontwikkeling was bij Hawkins niet meer te bespeuren. ‘Bean’ of ‘Hawk’, zoals zijn bijnamen luidden, verscheen op de podia als een verschrompelde, uitgebluste en geestelijk nagenoeg afwezige figuur, en van zijn vroegere kampioensallure was niets meer over.

Coleman Hawkins stierf op 19 mei 1969 in New York, dus op 68 jarige leeftijd, en sloot zo een carrière af die maar liefst ruim 56 jaar heeft geduurd, waarvan 40 jaar onbetwist aan de top.

De uitzending van Coleman Hawkins  wordt donderdagnacht 19 febr. om 01:00 uur herhaald.

Paul Desmond 8 febr. 2015 in "All That's Jazz".

Paul Desmond werd op 25 november 1924 in New York City als Paul Emil Breitenfeld geboren, maar veranderde zijn naam omdat hij die niet geschikt vond voor een muzikant. Zijn nieuwe naam Desmond pikte hij heel gewoon uit een telefoonboek.

 

Paul Desmond was een altsaxofonist én componist en kreeg grote bekendheid met het Dave Brubeck Quartet. In deze groep speelde hij van 1948 – 1967, met een kleine onderbreking tussen 1950 en 1951.

 

De grootste hit die Paul Desmond schreef, was ontegenzeggelijk ‘Take Five’, waarvan hij de opbrengst voor een groot deel aan het Rode Kruis schonk.

 

Demond’s geluid en techniek stonden ver af van de bekendste altsaxofonist uit die tijd: Charlie Parker.

Paul Desmond had een helder, licht geluid en een melodische stijl van spelen.

Zijn gave voor improvisatie is waarschijnlijk het best hoorbaar op de twee albums die hij opnam met baritonsaxofonist Gerry Mulligan: ‘Mulligan-Desmond Quartet’ en ‘Two Of A Mind’.

 

Paul Desmond werkte verder met onder andere Jim Hall, Chet Baker en Ed Bickert.

Na het opdoeken van het Dave Brubeck Quartet in 1971 hield Paul Desmond het voor gezien en ging met pensioen.

Maar later begon hij toch weer te spelen in reünies met Brubeck. Mulligan, Hall, in een kerstconcert met het Modern Jazz Quartet in 1971 en met eigen groepen.

 

Er waren jarenlang geruchten dat Paul Desmond met een autobiografie zou komen, maar dat is nooit gebeurd.

 

Paul Desmond stierf op 30 mei 1977, niet aan zijn overmatige alcoholgebruik, maar aan longkanker ten gevolge van roken. Paul Desmond was blij verrast toen hij tijdens een medisch onderzoek de staat van zijn lever te horen kreeg: ‘Een van de grootste levers van onze tijd, doordrenkt met Dewar’s whisky en kerngezond’.

Paul Desmond stond dan ook bekend om zijn gevoel voor humor.

 

 

Zijn laatste concert gaf Paul Desmond met Dave Brubeck in 1977 in New York City, waarbij zijn bewonderaars niet wisten dat hij al op sterven na dood was.

De uitzending van Paul Desmond  wordt donderdagnacht 12 febr. om 01:00 uur herhaald.

Bill Evans 25 jan. en 1 febr. 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer een tweeluik, dus met 2 JazzProfielen van de in Plainfield (New Jersey) geboren William John Evans.  Onder zijn musicusnaam: Bill Evans, maakte hij in 1956, na een gedegen klassieke pianostudie, een trio-opname met contrabassist Teddy Kotick en drummer Paul Motion.

Op deze LP: ‘New Jazz Conceptions’ overschreed Bill Evans de grenzen van de strikt harmonische bebopstijl door de grondtonen van de akkoorden weg te laten en te werken met omkeringen en uitbreidingen. Daardoor ontstonden meer mogelijkheden voor vrijere, melodische improvisatie.

Volgens eigen zeggen, werd Bill Evans beïnvloed door pianisten als George Shearing, Ahmad Jamal, Billy Taylor, Erroll Garner en Phineas Newborn. Zijn grillige frasering (het achter de beat spelen’ en daarna via een avontuurlijke inhaalmanoeuvre op tijd uitkomen) vertoont ook sporen van Lennie Tristano. Op zijn beurt heeft deze, voor de moderne jazzmuziek, buitengewoon belangrijke Bill Evans, die vooral in ballads de Europees-klassieke pianotraditie volgde, maar ten onrechte als een ‘introverte musicus’ werd beschreven, vele andere pianisten de weg gewezen, onder wie Herbie Hancock, McCoy Tyner en Keith Jarrett.

 Trompettist Miles Davis vond dat Bill Evans - veelvuldig werkend met blokakkoorden en romantisch-impressionistisch aandoende klankkleuren – ‘piano speelde zoals het hoort’. Miles Davis nam de blanke Bill Evans in 1958 (tegen de zin van een aantal zwarte musici in) op in zijn groep, waarmee onder andere de baanbrekende LP ‘Kind Of Blue’ werd opgenomen, waarvan er miljoenen exemplaren inmiddels zijn verkocht. Bill Evans had na zijn periode bij Miles Davis, een erg vernieuwend trio met naast drummer Paul Motion ook bassist Scott La Faro.

In plaats van louter Bill Evans begeleiden, gingen de andere 2 trioleden voortdurend een harmonische en melodische samenspraak aan met de pianist. Deze formule voor gezamenlijke improvisatie, ruimtelijk en minder verticaal gebonden, werd in alle verdere groepen van Bill Evans gehandhaafd. Bill Evans stierf in 1980 ten gevolge van veelvuldig drugsgebruik. Hij is helaas slechts 51 jaar oud geworden, maar laat gelukkig een enorme discografie na.

 

De uitzending van Bill Evans  worden donderdagnacht 29 jan. en 5 febr. om 01:00 uur herhaald.

Benny Goodman 18 januari 2015 in "All That's Jazz".

Mijn jazzvriend Hans Bebop, waarmee ik warme jazzcontacten onderhoud, stelde mij voor, om dit keer een JazzProfiel aan het terecht als het meest belangrijke concert in de jazzgeschiedenis te gaan wijden. Het werd door het Benny Goodman orkest op 16 januari 1938 in de Carnegie Hall gehouden. Dit concert was niet alleen een ongekende coup voor de jazz, maar ook een doorbraak voor de gangbare raciaal geïntegreerde openbare uitvoering, zoals dat zo vaak wordt beweerd.

Het totaal uit blanken bestaande publiek, kreeg tijdens dit concert in 1938, voor het eerst een uit zwarte en blanke musici samengesteld orkest van Benny Goodman te zien en vooral te horen. Dit concert opende ook de deuren van deze prestigieuze Carnegie Hall-locatie voor gebeurtenissen als de concerten van platenbaas, producer en mensenrechtenactivist John Hammond in 1938 en 1939, van spirituals tot All-Star concerten van Benny Goodman’s Swing, dat opnieuw in 1978 voor zijn 40e verjaardag hier in de Carnegie Hall werd gevierd.

Benny Goodman was er niet van op de hoogte dat het concert werd opgenomen. Het werd pas uitgegeven, nadat zijn dochter de oorspronkelijke tapes aan Columbia Records had overhandigd, die er in 1950 een dubbel-LP van uitgebracht. Zo werd dit concert, als een bijna vergeten document, dus toch uitgebracht. Er werden miljoenen exemplaren van verkocht, waardoor deze historische gebeurtenis, voor Columbia Records de best verkochte jazz-releases aller tijden werd en zo werd dit belangrijke concert gelukkig behouden voor komende decennia.
 

Hoewel er wel geruchten onder verzamelaars tientallen jaren de ronde deden, had het grote publiek er geen notie van, dat er twee big band nummers uit de commerciële uitgave en alle daaropvolgende heruitgaven verdwenen waren. De technici van Columbia Records hadden ze gewist samen met een spannende, ongeplande derde solo chorus van trompettist Buck Clayton, evenals de gehele solo's Harry Carney en Freddie Green, elke liefst twee chorussen lang, terwijl de 17-minuten durende all-star gast jamsessie van ‘Honeysuckle Rose' vreemd genoeg werd afgekapt.

Andere solisten op deze maar ‘eens in je leven plaatsvindende’ jam session zijn Lester Young, in een van zijn meest glorieuze solopartij die ooit is opgenomen, Johnny Hodges en Count Basie en zijn ritmesectie, Benny Goodman (die met zijn optreden als het ware meer dan een paar tips gaf hoe te spelen bij dit soort sessies) en Harry James, die hier toonde wat de jazzwereld heeft verloren, na zijn beslissing zich te gaan wijden aan het leiden van een commerciële band.

Met de huidige beschikbare heruitgave, met de hele uitvoering van ‘Honeysuckle Rose’ en de niet eerder uitgegeven big band nummers: ‘Sometimes I‘m Happy’ en de Edgar Sampson’s compositie ‘If Dreams Come True’ samen met alle door Benny Goodman gemaakte aankondigingen, is de vaak chaotische klinkende registratie hersteld, dus op dezelfde wijze waarop het samengestroomde blanke publiek het in Carnegie Hall gehoord heeft, nu exact 77 jaar geleden.Terwijl Freddy Green's ritme gitaarsolo alleen onthullend klinkt, voor zover hij liet zich overhalen, is dat totaal niet het geval bij baritonsaxofonist Harry Carney, die tot onverwachte hoogten stijgt in zijn uitgebreide solo-improvisaties. Zijn uitzonderlijke talent is helaas nooit echt later uitgebuit op zijn vele opnames met de Duke Ellington band en slechts sporadisch op onafhankelijk van Duke gemaakte opnamen.


Uitstekende nummers in het programma, zijn o.a. de bekende Fletcher Henderson, Jimmy Mundy en Edgar Sampson composities: ‘Do Not Be That Way’, ‘One O'Clock Jump ',' Life Goes To A Party’ en ‘Blue Skies’. Maar er komen ook verhit spelende trio- en kwartetnummers voor met klarinettist Benny Goodman, pianist Teddy Wilson, vibrafonist Lionel Hampton en drummer Gene Krupa, zoals in ‘Body And Soul’ en het verhitte ‘I Got Rhythm’ De swingbeleving is hier zo intens, dat een verbale of textuele beschrijving niet mogelijk is.

Vroeg in de eerste helft van het concert, werd een gedeelte opgenomen, dat ‘Twenty Years Of Jazz’ werd genoemd', waarin Benny Goodman een hulde bracht aan een paar andere musici en bands. Gestart werd met de Original Dixieland Jazz Band’s: ‘Sensation Rag’, gespeeld door een vijfkoppig dixie-combo ‘waarschijnlijk’ samengesteld uit kornettist Bobby Hackett, klarinettist Benny Goodman, bassist Ray Brown, trombonist Jess Stacy en drummer Gene Krupa.

In tegenstelling tot de verwachtingen, was hun spelbenadering van deze ‘old-time tunes’, adequaat, pittig en helemaal niet opgesmukt. Maar het hoogtepunt van deze mini-set vormde de Ellington compositie: ‘Blue Reverie’ met Johnny Hodges ' in een meesterlijke hoofdrol, in een op Sydney Bechet geïnspireerde sopraansaxsolo, de breedtonige bariton van Harry Carney en Cootie Williams’ gedempte trompet.
 

Hoewel dit concert eigenlijk thuis hoort in de collectie van elke historisch-georiënteerde jazz fan, moet m.i. de koper er wel op gewezen worden, dat zelfs met de meest geavanceerde remastering technieken die vandaag beschikbaar zijn, het volledige verwijderen van tikken, klikken, ploffen, rumoer en soms onverwacht wegvallend geluid van de originele opnamen weliswaar gecompromitteerd is, maar de weergaloze akoestiek van de Carnegie Hall zaal zelf, met zijn briljante geluid niet heeft weten te benaderen.

 

De uitzending van Benny Goodman wordt donderdagnacht 22 januari 2015 om 01:00 uur herhaald.

 Sonny Criss 11 januari 2015 in "All That's Jazz".

Dit keer een JazzProfiel met de muziek en het carriereverhaal van de op 23 oktober 1927 in Memphis Tennessee als William Criss geboren en als Sonny Criss bekend geworden altsaxofonist.

 

Sonny Criss was één van die jongens die met zijn ouders in 1943 van Memphis naar Californië was getrokken. Thuis bezat hij alle platen die Charlie Parker met het orkest van Jay McShann had gemaakt. De familie Criss woonde in Watts en de ouders van Sonny wilden dat hij naar een goede en gemengde school ging in de West Side. Ook muzikaal bleek dit een goede keuze te zijn, maar wat er ontbrak was een echte schoolband en die bleek er wel te zijn op een school in Watts, deze school heette:  ‘Jefferson High’. Dus het lag voor de hand dat Sonny Criss naar deze school verhuisde en al snel met o.a. Hampton Hawes een schoolband voor zichzelf vormde. Later ontmoette hij hier ook Teddy Edwards, Eric Dolphy en andere jonge musici die ook de nieuwe moderne bebop jazzmuziek wilden spelen.

 

Je zult overigens maar als altsaxofonist in een periode geleefd hebben, waarin Charlie Parker ook excelleerde. Een tijd speelde Sonny Criss met Parker samen in een band die onder leiding stond van trompettist Howard McGhee en waar ook de tenorsaxofonisten Teddy Edwards en Monk Montgomery in speelden. Volgens degenen die er bij geweest waren moet het een fantastische band geweest zijn die helaas nooit platen heeft gemaakt. Sonny speelde naast en meestal na Charlie Parker op diens eigen muzikaal terrein en op hetzelfde instrument. En er waren aanwezigen die soms vonden dat Sonny beter speelde dan Parker. In ieder geval was iedereen het over één ding eens: Sonny Criss was: “The Next Bird” en dan niet alleen in de snel gespeelde stukken, maar ook in de ‘slows’.   

 

Toen Sonny Criss pas 21 jaar oud was vroeg Norman Granz hem om deel uit te gaan maken van zijn ‘Jazz At The Philharmonic’ en begin 1949 maakte hij ook zijn platendebuut onder eigen naam voor Granz op het Mercury- label. Over het optreden van Sonny Criss op JATP is weinig bekend en zullen er ergens nog wel tapes vroeg of laat te vinden zijn. Er schijnt een gezamenlijk concert van Parker en Criss te zijn waar ook Coleman Hawkins en Phlip Phillips op meespelen. Om als jazzmusicus te kunnen slagen moest men zeker in die tijd tegen het leven on the road kunnen. Maar Sonny Criss was één van die musici die daar niet alleen niet tegen kon, maar zich ook niet op zijn gemak voelde buiten Californië. Het schijnt dat de enige stad behalve Los Angeles waar hij zich thuis voelde Parijs is geweest.

 

Toen Sonny Criss in 1950 weer in Los Angeles terug keerde uit Frankrijk, speelde hij in het gezelschap van Wardell Grey en Dexter Gordon tijdens lange jamsessions. Later ging Sonny Criss opnieuw op tournee met het orkest van Billy Eckstine, maar bij zijn terugkeer in 1951 was de bebop-periode voorbij in Californië. De aandacht is verschoven naar rhythm & bluesbands en daar wou Sonny niet aan mee doen. Het gevolg was dat Sonny Criss een man was die de bebop bleef spelen in een tijd en op een plek dat daar geen emplooi voor was. Dus ging hij optreden in stripteasetenten, waar het handig in was dat hij vroeger veel naar het spel van Eddie 'Cleanhead' Vinson en Louis Jordan had geluisterd. Toch wist hij niet dat er op dat moment in The Rhythm And Blues Charts van Billboard al tien maanden een nummer stond dat nog van betekenis zou blijken te zijn voor zijn latere carrière. Het was: “Flamingo” van Earl Bostic, de vroegere sideman van Lionel Hampton, die een hele reeks van platen afleverde die gebaseerd waren op simpele vaak bekende melodieën. Iemand van Imperial Records moet een keer Sonny Criss in een striptent gehoord hebben en toen op het idee gekomen zijn dat hij in Sonny Criss de “Earl Bostic van Imperial” gevonden had. In elk geval verschenen er in 1956 in één jaar drie eigen LP’s onder de naam van Sonny Criss en speelde hij hierop ook in de Earl Bostic stijl.  

 

Het moet voor Sonny Criss een merkwaardige gewaarwording zijn geweest dat hij voor Imperial Records in een jaar 3 platen kon maken, terwijl hij er daarvoor niet ééntje had kunnen maken. Hoe de Imperial LP’s verkocht hebben is niet bekend en waarschijnlijk heeft niemand er bij deze platenmaatschappij hierop gelet, want datzelfde jaar 1956 brak een andere artiest die bij het label onder contract stond, Fats Domino met:  “Blueberry Hill” en “Blue Monday” definitief door en in 1958 kreeg Imperial er ook nog Ricky Nelson bij.

Wie zat er toe nog verlegen om het antwoord op Earl Bostic?

De uitzending van John Coltrane wordt donderdagnacht 15 januari 2015 om 01:00 uur herhaald.

 John Coltrane 4 januari 2015 in "All That's Jazz".

In dit nieuwe Jazzprofiel, ga ik dit keer saxofonist John Coltrane bij u introduceren, die in 1926 in de plaats Hamlet (North Carolina) werd geboren. Coltrane is de invloedrijkste jazzmusicus uit de periode 1955 tot 1965 geweest. Zijn opvattingen, over in het bijzonder de vele mogelijkheden die een akkoord en zijn uitbreidingen kan bieden, klinken door in het spel van erg veel saxofonisten na hem, zodat er echt gesproken kan worden van een post-Coltrane-generatie.

 

De eerste 10 jaren van Coltrane’s carrière: van 1945 tot 1955, speelde hij in het orkest van de Amerikaanse Marine op Hawaï en afwisselend in rhythm & blues- en bebop groepen.

Bands waarin John Coltrane op altsax én tenorsax te horen was, waren die van: altsaxofonist Eddy Vinson, trompettist Dizzy Gillespie en van de saxofonisten Earl Bostic en Johnny Hodges.

 

De aandacht van de internationale jazzwereld werd vooral op John Coltrane gevestigd, nadat trompettist Miles Davis hem in 1955 in zijn nieuwe kwintet opnam samen met pianist Red Garland (later vervangen door Bill Evans en Wynton Kelly), contrabassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones, die ook later weer werd vervangen door Jimmy Cobb.

 

Tot in 1960 is John Coltrane, met een onderbreking in 1957, in het Thelonious Monk kwartet en bij Miles Davis in dienst geweest.

Hij verkende, gesteund door een fabelachtige techniek, de uitbreiding van de akkoorden, door er telkens weer nieuwe akkoorden als het ware ‘op te stapelen’.

Het gevolg hiervan was dat er vaak erg lange en snelle, ritmisch steeds gevarieerde notenreeksen ontstonden, ongeacht het tempo van het gespeelde stuk.

Met een eigen kwartet, waarvan de definitieve samenstelling bestond uit pianist McCoy Tyner, contrabassist Jimmy Garrison en slagwerker Elvin Jones, ging Coltrane in 1961 over op een totaal andere speeltrant

De sopraansaxofoon kwam ook steeds vaker in John Coltrane’s lange improvisaties aan bod.

 

Coltrane ging met zijn eigen groep (af en toe uitgebreid met meer blazers, zoals rietblazer Eric Dolphy) verder op de weg die hij met Miles Davis al was ingeslagen: namelijk het modaal spelen – op toonreeksen in plaats van op akkoordenschema’s.

Ook werden invloeden verwerkt uit de niet westerse muziek, waardoor zijn lange solo’s een bijna hypnotisch karakter kregen. Het concept van Coltrane’s muziek werd ook steeds vrijer. Hijzelf en Elvin Jones waren de centrale, qua volume tegen elkaar opbiedende figuren in het kwartet. Maar ook in ballads speelt John Coltrane schitterend en toont hij dat hij over een complete muzikale beheersing beschikt, wat in langzame stukken meestal het moeilijkste is.

 

De laatste jaren van John Coltrane’s leven stonden in het teken van een sterke verinnerlijking en concentratie van het Opperwezen, de kosmos en het hiernamaals. Dit werd door sommige vrienden en musici toegeschreven aan de hevige pijnen waaraan hij leed en het besef van de naderende dood.

Pianiste Ellis McLeod (Coltrane’s tweede echtgenote) en drummer Rashied Ali hadden nu de plaats ingenomen van respectievelijk McCoy Tyner en van Elvin Jones. Op 41 jarige leeftijd overleed John Coltrane aan leverkanker.

Het gebrek aan houvast dat veel jonge musici na Coltrane’s dood hadden, werd indertijd goed verwoord door tenorsaxofonist Archie Shepp. Hij verkondigde eens: ‘Ik heb nooit een oudere broer gehad, maar als er een was geweest, dan had het iemand als John Coltrane moeten zijn’.

 

De uitzending van John Coltrane wordt donderdagnacht 8 januari 2015 om 01:00 uur herhaald.

 Jan Johansson 21 december 2014 in "All That's Jazz".

Hoewel niet zo bekend buiten Scandinavië, is onze hoofdpersoon vanavond: de Zweedse jazzpianist Jan Johansson, geboren op 16 september 1931 in Söderhamn, een van de Zweedse toppianisten van de jaren ’50 en ’60, die veel respect genoot in de Scandinavische jazzkringen met zijn originele en smaakvolle speelstijl..

 

Als kind, begon Jan Johansson met een klassieke pianostudie en ook bespeelde hij de gitaar, orgel en accordeon, voordat hij geïnteresseerd raakte in de jazzmuziek, vooral de swing en de bebop.

 

Als middelbare scholier begon Johansson in lokale jazzgroepen te spelen, waaronder het Gerhard’s Orchestra, The Five Swingers en in het sextet van de door Benny Goodman beïnvloede klarinettist Gunnar Hammarlund.

 

Na zijn militaire diensttijd, verhuisde Jan Johansson begin jaren ’50 naar Göteborg (de op een na grootste stad in Zweden) om als sideman in 1954 en 1955 te gaan spelen in de big band van Kenneth Fagerlund. Hierna ging Jan Johansson samen spelen in de band van bassist Gunnar Johnson, totdat deze groep in 1959 uiteen zou vallen.

Nog spelend in de Johnson-groep, begon Jan Johansson in 1956 ook al als leider op te treden met een eigen groep.

 

In diezelfde jaren ’50 van de vorige eeuw, trok de speelstijl van Jan Johansson de aandacht van de Amerikaanse tenorsaxofonist Stan Getz, die in deze periode veel optrad in allerlei Scandinavische jazzclubs. Samen met de Gunnar Johnson groep en Stan Getz, speelde Jan Johansson in 1958 gedurende een zes weken lange tournee.

Stan Getz hield van de melodische speelstijl van Jan Johansson en die twee kregen een sterke muzikale band, dat resulteerde in diverse gemeenschappelijke optredens en platenopnamen.

 

Maar ook met andere Amerikaanse top jazzmusici deelde Jan Johansson de podia, zoals de legendarische contrabassist Oscar Pettiford, die hij in 1960 begeleidde tijdens een twee weken durende verbintenis in Kopenhagen’s Café Montmartre. 

 

Jan Johansson was buitengewoon productief in de jaren ’60, de jaren dat hij voornamelijk de bebop jazzstijl speelde, maar ook begon Johansson de mogelijkheden van de post-bop, third stream en avant-garde jazz te bestuderen en componeerde hij veel jazzstukken.

 

In 1962 nam Jan Johansson samen met bassist Georg Riedel, zijn beroemdst geworden album ‘Jazz Pa Svenska’ op, oftewel ‘Jazz op z’n Zweeds’, waarvan toentertijd meer dan 200.000 exemplaren door de jaren heen zijn verkocht.

Op dit album en in zijn overige opnamen, speelt Jan Johansson jazzbewerkingen van Zweedse volksmuziek, waarmee hij bekendheid bij het grote publiek verwierf. Deze plaat wordt als een moderne klassieker beschouwd en is tot op heden een bestseller in Zweden en de overige Scandinavische landen. Voor zijn album ‘Musik Genom Fyra Sekler’ oftewel in het Engels: ‘Music From The Past Four Centuries’ werd een Grammy Award in de wacht gesleept.

 

Als componist, schreef Jan Johansson ook werk voor ballet, film, radio en tv, onder andere voor de film Pippi Langkous. 

 

Op 9 november 1968 kwam er een einde aan de carrière en het leven van Jan Johansson.

Op slechts 37 jarige leeftijd kwam hij om het leven tijdens een auto-ongeluk op een Zweedse snelweg.

Op 16 december van datzelfde jaar 1968 werd er een herdenkingsconcert georganiseerd in Stockholm’s Concert Hall.

De belangstelling voor Johanssons werk bleef ook na zijn dood lang bestaan.

Heptagon, een platenlabel dat Johansson’s zonen Anders en Jens in 1994 opgericht hebben, heeft een groot deel van het werk van deze geweldige pianist op cd’s heruitgegeven.

In 1998 schreef Kjellberg Jan Johansson’s biografie die als titel meekreeg: ‘A Visionary Swedish Musician’ dat in het Engels en Zweeds werd gepubliceerd.

 

 

De uitzending van Jan Johansson wordt donderdagnacht 25 december 2014 om 01:00 uur herhaald.

 Hristo Vitchev Quartet 7 december 2014 in "All That's Jazz".

Hristo Vitchev is een moderne jazzgitarist én componist en is afkomstig uit Sofia in Bulgarije.

Op dit moment is Vitchev verhuisd naar de omgeving van de baai van San Francisco.

 

Hristo Vitchev leidt zijn moderne jazz duo, kwartet en kwintet, gebruik makend van top instrumentalisten uit de moderne jazz scene.

 

Nationaal en internationaal toert Hristo met een grote variëteit aan formaties en verzorgt gitaar-clinics in Europa en in Japan.

 

Naast een begenadigd gitarist, is Hristo Vitchev ook een erg productieve componist.

Hij heeft meer dan 270 originele composities op zijn naam staan. Ook publiceerde hij veel artikelen over jazz-improvisatie en heeft hij een boek van zijn hand het licht doen gezien over akkoorden- theorie en de opbouw van geluidseffecten. Dit boek heet: ‘A New Approach To Chord Building For Guitarists.

 

Het Hristo Vitchev Quartet debuteerde bij First Orbit Sounds Music’, met het album: ‘Song For Messambria’, dat door de internationale jazzcritici lovend werd ontvangen. Ook werd deze plaat genomineerd door E-Jazz News als een van de zes beste jazzalbums in 2009.

 

In het JazzProfiel dat ik van Hristo Vitchev ga produceren en presenteren, komen 6 albums aan bod, die deze belangrijke gitarist ons speciaal voor deze bijzondere uitzending ter beschikking heeft gesteld.

 

De uitzending van Hristo Vitchev Quartet  wordt donderdagnacht 11 december 2014 om 01:00 uur herhaald.

 The Modern Jazz Quartet 30 november 2014 in "All That's Jazz".

Dit keer een nieuw Jazzprofiel van de aansprekende groep The Modern Jazz Quartet. 

Dit kwartet werd in 1952 opgericht met de oorspronkelijke bezetting bestaande uit: muzikaal leider en pianist John Lewis, vibrafonist Milt Jackson, Percy Heath contrabas en drummer Kenny Clarke, later opgevolgd door Connie Kay.

 

Zo lang het Modern Jazz Quartet heeft bestaan, heeft John Lewis als leider hiervan deel uitgemaakt. En met bovengenoemde bezetting, richtte hij dus in 1952 dit kwartet op en het zou maar liefst 42 jaar tot 1994 bijeen blijven. Maar helaas toen overleed de toenmalige drummer Connie Kay, die ook jaren bij dit succesvolle kwartet speelde.

.

De spelopvatting van John Lewis, is geïnspireerd op die van de Europese cultuurgeschiedenis en is voor een groot deel bepalend geweest voor het geluid van dit Modern Jazz Quartet.

 

Jazzjournalist Ruud Kuyper beschreef de speelstijl van het Modern Jazz Quartet indertijd als: ‘Doorzichtige en voor een internationaal publiek herkenbare klassieke patronen, die gecombineerd werden met jazzopvattingen’. Een rake omschrijving. waarin ik mij helemaal kan vinden.

 

Het Modern Jazz Quartet heeft ongelooflijk vele plaatopnamen gemaakt, en dit ook diverse keren, in samenwerking met beroemde gastsolisten.

De uitzending van The Modern Jazz Quartet  wordt donderdagnacht 4 december 2014 om 01:00 uur herhaald.

Traeben 23 november 2014 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het genoegen om de Deens/ Nederlandse formatie TRÆBEN te presenteren. Deze groep werd in 2007 opgericht toen gitarist Jens Larsen en bassist Olaf Meijer het idee opgevat hadden om een album met Scandinavische folk songs in hedendaagse jazz bewerkingen te gaan produceren. Van het begin af aan, werd saxofonist Søren Ballegaard, evenals Jens Larsen, een Deen, bij het project betrokken. De drie musici hebben elkaar leren kennen tijdens hun studie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en hadden al vaak in verschillende samenstellingen samengespeeld, met ook de Duitse drummer Thorsten Grau

In 2008 werd het eerste album: ‘Nordic Project’ uitgebracht en begon Træben aan een gestage opmars op de jazzpodia in Nederland. In 2011 verliet Thorsten Grau de band en is, na een korte periode met verschillende drummers gewerkt te hebben, Haye Jellema de nieuwe vaste drummer binnen Traeben geworden.Intussen werkte de band hard aan het schrijven van nieuwe stukken en in 2012 verscheen het tweede album met de korte en veelbelovende titel: ‘Push’. 

Dit album bestaat uitsluitend uit eigen composities en werd door de (internationale) pers zeer lovend ontvangen. Het album ‘Push’ werd tevens de opstart naar meerdere internationale concerten.Zo speelden Traeben concerten in Denemarken, België, Luxemburg en in de zomer van 2013 deed de band een tour in Canada en speelde daar o.a. op het ‘Ottawa Jazz Festival’. 

Op 19 sepember 2013 bracht Traeben haar derde album: ‘Looking At The Storm’ uit, dat o.a. werd gepromoot tijdens een zeer goed bezocht concert in LantarenVenster in Rotterdam.Op dit nieuwe album brengt Træben rauwe elementen uit de rockmuziek de jazz binnen. Vette riffs en gitaar met ‘distortion’ zijn karakteristiek voor hun sound.Dit betekent overigens niet dat er geen ruimte is voor lyriek in hun werk. De sterke melodieën vormen een natuurlijk contrast met de rustigere delen en ballads. 

Dit maakt TRÆBEN tot een spannend en veelzijdig kwartet, waarvan zowel live als op cd de energie en het speelplezier vanaf spat. Traeben gaat ook het komende seizoen spelen op podia in binnen- en buitenland, waaronder het ‘Aarhuis Jazzfestival’ (na ´Copenhagen Jazz Festival´, het tweede grote festival in Denemarken)

De bezetting van Traeben is samengesteld uit:

Jens Larsen – gitaar

Søren Ballegaard – saxofoon

Olaf Meijer – contrabas

Haye Jellema – drums

 

De uitzending van Traeben wordt donderdagnacht 27 november 2014 om 01:00 uur herhaald.

Clifford Brown 16 november 2014 in "All That's Jazz".

Hij werd in 1930 te Wilmington Delaware geboren deze Clifford Brown en is één van de belangrijkste uitvoerende musici in de naoorlogse jazzontwikkeling geweest. Clifford Brown wist in zijn korte carrière een fenomenale trompettechniek te combineren met een sterk melodische opbouw van zijn solo’s en dat alles op een haast jubelende toon.

In zijn dynamiek van spelen en zijn zangerige voordracht van ‘slows’ is Clifford Brown slechts te vergelijken met Louis Armstrong en Dizzy Gillespie. Clifford Brown speelde in 1952 in de rhythm & bluesgroep ‘The Blue Flames’ van pianist Chris Powell, met o.a. tenorsaxofonist Jimmy Heath en slagwerker Philly Joe Jones. Het jaar daarop werkte hij voor enige tijd in de groep van pianist en arrangeur Tadd Dameron, waarna hij op tournee ging als lid van de trompetsectie in het jazzshoworkest van vibrafonist Lionel Hampton. Ook de toen nog onbekende talenten als: de trompettisten Art Farmer en Quincy Jones, altsaxofonist Gigi Gryce, tenorsaxofonist Clifford Solomon en trombonist Jimmy Cleveland speelden in deze letterlijk geruchtmakende big band mee.

Tijdens de reis door Europa maakte Clifford Brown, die binnen de Hampton-gelederen voornamelijk voor spektakel diende te zorgen, in Stockholm en Parijs, ondanks een verbod van Lionel Hampton, een serie platenopnamen.Vanaf 1954 speelde Clifford Brown voor korte tijd in de groep ‘Art Blakey & His All Stars’, met pianist Horace Silver en bassist Curley Russell, die als voorloper van ‘The Jazz Messengers’ kan worden beschouwd. Daarna maakte hij, tot zijn erg vroege dood in 1956, deel uit van één van de bekendste hard-bop groepen uit de jaren vijftig:’The Clifford Brown – Max Roach Quintet’. Tenorsaxofonisten die in dit geraffineerde ensemble hebben meegespeeld zijn: Teddy Edwards, Harold Land en Sonny Rollins. Pianisten waren: Carl Perkins en Richie Powell, de jongere broer van pianist Bud Powell en de bassist op bijna alle opnamen was George Morrow

Midden 1956 kwam Clifford Brown tragisch om het leven, doordat de auto waarin hij en Richie Powell zaten, onderweg van Philadelphia naar Chicago over de kop sloeg. Clifford Brown was nog geen 26 jaar oud. Voor veel jazztrompettisten is Clifford Brown tot op de dag van vandaag een lichtend voorbeeld. De bekende composities van Clifford Brown: “Joy Spring”, “Daahoud” en “Sandu” worden nog altijd gespeeld.

 

De uitzending van Clifford Brown wordt donderdagnacht 20 november 2014 om 01:00 uur herhaald.

Carla Bley 9 november 2014 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het genoegen om in ‘Het JazzProfiel’ de muziek en het carrier verhaal van de op 11 mei 1936 in Oakland Californië geboren pianiste en organiste Carla Bley te presenteren. Zij is een van de meest originele en creatieve componisten die de jazz heeft voortgebracht.

Het idioom waarin zij componeert vindt zijn oorsprong in de blanke avant-garde uit het einde van de jaren vijftig, maar heeft een scala van invloeden, variërend van larmoyante muziek uit oude films tot tango’s, klassiek variété en het Berlijnse theateridioom uit de jaren twintig en dertig. Denk hierbij aan Brecht, Weill en Eisler.

 

De frisse en spontane manier van componeren in haar beginperiode is, naar zij meermalen heeft gezegd, te verklaren uit het feit dat zij nauwelijks iets afwist van de strakke bebopformules.

Carla Bley, haar meisjesnaam was overigens Borg, schreef voor ondermeer pianist en bandleider George Russell en voor haar toenmalige echtgenoot, pianist Paul Bley.

 

Als lid van de Jazz Composers’ Guild, een beroepsvereniging van zwarte en blanke musici uit New York, die in 1965 werd opgericht door trompettist Bill Dixon, maar geen lang leven heeft gehad, kreeg Carla Bley een spilfunctie in de commercieel nauwelijks geaccepteerde zogeheten nieuwe muziek.

Zo werkte zij in 1968 mee aan een aantal Lp’s van het Jazz Composers’ Orchestra.

Ook maakte zij deel uit van het Liberation Music Orchestra, een politiek strijdorkest van bassist Charlie Haden.

 

In 1972 vervaardigde Carla Bley ‘Escalator Over The Hill’, een soort jazz-opera, wat het eigenlijk niet is, meer een werkstuk dat getuigt van een brede visie, dat ver over de grenzen van de jazz heen reikt en wordt gezien als een hoogtepunt in haar oeuvre. Het bevat elementen uit de folk, rock, oosterse muziek en Europese gecomponeerde muziek. Het is waarschijnlijk het langste jazz-gerelateerde stuk met 115 minuten en 38 seconden en is alleen door Wynton Marsalis recentere stuk: ‘Blood On The Fields’ overtroffen.

 

Met uiteenlopende bezettingen, waarvoor Carla Bley bijzondere klankkleuren ontwierp, is zij regelmatig op jazzfestivals te horen geweest.

Ook maakte zij tournees met de Jack Bruce Band, waarin ex-Rolling Stone gitarist Mick Taylor.

De uitzending van Carla Bley wordt donderdagnacht 13 november 2014 om 01:00 uur herhaald.

Kenny Barron 2 november 2014 in "All That's Jazz".

Jazzpianist, componist en leraar Kenny Barron werd op 9 juni 1943 in Philadelphia geboren en is de jongere broer van tenorsaxofonist Bill Barron.

Hij begon op 12-jarige leeftijd piano te spelen en ging met zijn broer op 15-jarige leeftijd spelen in een rhythm en bluesband, geleid door Mel Melvin.

 

Kenny Barron studeerde in 1978 af op het Empire State College in New York en speelde in 1959 met drummer Philly Joe Jones en Jimmy Heath.

Een jaar later in Detroit met Yusef Lateef en in 1961 verhuisde Kenny Barron naar New York waar hij regelmatig ging spelen in ‘The Five Spot’ met tenorsaxofonist James Moody. Het was diezelfde James Moody die hem in 1962 introduceerde bij het orkest van trompettist Dizzy Gillespie. Met dit orkest ging Kenny Barron in de periode 1962 t/m 1966 toeren door Europa en Noord-Amerika en kreeg Barron de smaak te pakken van Latin en Caribische ritmes.

Ook speelde Kenny Barron een korte periode samen met Stanley Turrentine en ging daarna van 1967-1969 werken in diverse groepen onder leiding van trompettist Freddie Hubbard en vibrafonst Milt Jackson.

In het jaar 1970 werden diverse composities van Barron op de plaat vastgelegd door Gillespie, Hubbard en Moody.

Van 1971 – 1975 ging Kenny opnieuw samenwerken met multi-instrumentalist Yusef Lateef, onderbroken door een verbintenis in het Buddy Rich Sextet.

Hierna ging Kenny Barron van 1976 tot in de jaren tachtig werken in een groep die geleid werd door Ron Carter.

 

Kenny Barron is een van de oprichters en leider van de groep Sphere, met Buster Williams, Ben Riley en Charlie Rouse. Deze band richt zich op de muziek van Thelonious Monk, die een duidelijke inspirator van Kenny Barron is geweest.

 

Kenny Barron studeerde een lange periode piano en keyboard harmonie aan de Rutgers Universiteit in New York en werd daar in 1973 bij de nieuwe muziekfaculteit tot hoogleraar muziek benoemd en hij heeft deze functie tot 2000 bekleed en was mentor van jonge talenten, waaronder David Sanchez, Terence Blanchard en Regina Bell.

Nu doceert hij aan de Juilliard School Of Music met studenten als Noah Baerman, Earl MacDonald, Harry Pickens en Aaron Parks.

 

Kenny Barron is bekend om zijn lyrische stijl van spelen, met invloeden van Tommy Flanagan en Wynton Kelly en van Kenny Barron verschenen werkelijk honderden albums, zowel als leider als sideman.

Op dit moment wordt hij wel beschouwd als een van de belangrijkste en meest invloedrijke jazzpianisten sinds de bebop periode.

 

In de periode 1987 – 1991 werkte Barron mee op meerdere albums van tenorsaxofonist Stan Getz, zoals: ‘Bossa’s & Ballads’, ‘The Lost Sessions’, ‘Serenity’, ‘Anniversary’ en het schitterende dubbelalbum ‘People Time’, dat ook voor een Grammy werd genomineerd.

Kenny Barron is maar liefst negen keer genomineerd voor de Grammy Awards en voor de Amerikaanse Hall Of Fame.

In 2009 werd Barron verkozen tot Fellow van de Amerikaanse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Niet verwonderlijk, want Kenny Barron beschikt over een ongeëvenaard vermogen om zijn toehoorders te kunnen betoveren met zijn elegante speelstijl, gevoelige melodieën en aanstekelijke ritmevariaties. Dit deden: ‘The Los Angeles Times’ en ‘Jazz Weekly’ besluiten om hem te karakteriseren als: ‘Een van de toppianisten van de wereld en meest lyrische pianist van deze tijd’.

De uitzending van Kenny Barron wordt donderdagnacht 6 november 2014 om 01:00 uur herhaald.

Jo Jones 26 oktober 2014 in "All That's Jazz".

Tijdens zijn veertien jaren in het orkest van Count Basie heeft de in 1911 in Chicago geboren Jonathan Jones een naam opgebouwd als een van de grondleggers van het moderne drummen. Jo Jones ontwikkelde, net als andere collega’s uit die tijd, een soepele en golvende stijl. Het klassieke trommelen op snare drum en tom toms maakte geleidelijk plaats voor het in vieren bespelen van de hi-hat en het ride-cymbal. Door de hi-hat in allerlei standen geopend te houden, kon Jo Jones slagen met een stok of brushes korter of langer laten doorklinken.

Simon Korteweg schreef indertijd over Jo Jones in het blad: ‘Jazz Nu’: ‘Het raffinement van dit procedé berust, sterk vereenvoudigd voorgesteld, hierop dat Jo Jones het basisritme net voor de tel laat vallen, waarmee hij een geweldige stuwing bereikt, maar het daarna in de bekkens van de hi-hat laat naklinken. Zo wordt als het ware met elke tik zowel spanning als ontspanning opgeroepen. Een vergelijkbare methodiek hanteert Jones op andere momenten op het bekken. In aansluiting hierop worden snaredrum en bass-drum voortdurend gebruikt voor het plaatsen van een breed scala van accenten en explosies” Deze nieuw ontwikkelde speelstijl van Jo Jones, heeft invloed gehad op het spel van generaties van drummers na hem, te beginnen met Kenny Clarke.

Jo Jones vormde in de Count Basie Band de swingende ‘All American Rhythm Section’ met bassist Walter Page en gitarist Freddie Green. Voordat hij de drumstoel bij Count Basie (1934 - 1948, met een onderbreking van twee jaar militaire dienst) bezette, speelde Jo Jones o.a. in carnavalsorkesten, in ‘territory bands’ en in de orkesten van Bennie Moten en Tommy Douglas Nadat Gus Johnson zijn plaats bij Basie had ingenomen, trad Jo Jones in de jaren vijftig en zestig als free-lance muzikant op met o.a. de tenorsaxofonisten Lester Young, Coleman Hawkins en Illinois Jacquet, de pianisten Joe Bushkin en Teddy Wilson en de rondreizende groep ‘Jazz At The Philharmonic’ van Norman Granz.

Collega’s van jong tot oud roemden Jo Jones’ smaakvolle, en voortdurend door een glimlach omlijste spel als begeleider en solist. Van dit alles was weinig meer over tijdens het optreden van Jo Jones, omringd door zorgzame medemusici, op het North Sea Jazz Festival, niet lang voor zijn dood in 1985. 

De uitzending van Jo Jones wordt donderdagnacht 30 oktober 2014 om 01:00 uur herhaald.

Yusef Lateef 19 oktober 2014 in "All That's Jazz".

William Evans, alias Yusef Lateef, werd op 9 oktober 1920 in Chattanooga, en dat ligt in de staat Tennesee, geboren. Hij is in eerste instantie te kenmerken als saxofonist én componist van enorm veel muziekstukken. Toen Yusef Lateef vijf jaar oud was verhuisde hij met zijn familie naar Detroit en in 1938, dus op achttienjarige leeftijd, koos hij voor de tenorsaxofoon tijdens zijn studie die hij samen volgde met Teddy Buckner.
Yusef Lateef speelde in 1946 in het orkest van Lucky Millinder, op aanraden van tenorsaxofonist Lucky Thompson, en van 1946 tot 1948 speelde hij ook samen met Hot Lips Page, Roy Eldridge en Herbie Fields.

In 1948 verhuisde Yusef Lateef naar Chicago en speelde daar gedurende 10 maanden met trompettist Dizzy Gillespie.
Nadat dezelfde Dizzy Gillespie in 1950 zijn band ophief keerde Yusef Lateef terug naar Detroit om zich aan de Wayne State University verder te bekwamen op de dwarsfluit en in de compositieleer. Midden van de jaren '50 veranderde de, als William Evans geborene, zijn naam in die van Yusef Lateef, als moslimnaam nadat hij tot dit geloof toetrad.
Van 1955 tot 1959 leidde hij kwintetten en grotere formaties met onder andere trombonist Curtis Fuller.

Gelukkig heeft gitarist Kenny Burrell Yusef Lateef indertijd aangeraden om ook als fluitist te gaan optreden en dat doet hij sinds 1958.
Het jaar daarop verhuisde Yusef Lateef opnieuw en dit keer naar New York waar hij samen speelde met contrabassist Charles Mingus, waarmee hij in 1960 platenopnamen maakte.
Yusef Lateef heeft ook gespeeld met trompettist Donald Byrd, gitarist Grant Green en vooral met Julian Cannonball Adderley.
Van 1962 tot 1964 oogstte hij zeer grote successen met het Cannonball Adderley Sextet.

Na zijn zeer succesvolle periode bij Cannonball Adderley vervolgde de rusteloze Yusef Lateef zijn carrière met optredens als leider van diverse groepsverbanden, maar ook als sideman gedurende een periode in de jaren ‘80 in Nigeria. Hij verkondigde in deze periode: “Ik wil blijven groeien in elke nieuwe muzikale context, soms moet ik wat ik wil leren van verre halen, in dit geval dus Nigeria”.

De uitzending van Yusef Lateef  wordt donderdagnacht 23 oktober 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

Johnny Griffin 12 oktober 2014 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het grote genoegen om een JazzProfiel te presenteren van de grootse tenorsaxofonist Johnny Griffin, die als Johnny Arnold Griffin III op 24 april 1928 in Chicago werd geboren en op 80-jarige leeftijd op 25 juli 2008 in Availles-Limouzine in Frankrijk overleed. Johnny Griffin debuteerde als tenorsaxofonist begin jaren ‘40 in Lionel Hampton’s orkest. Na achtereenvolgens te hebben gespeeld bij Art Blakey’s Jazz Messengers, het Thelonious Monk Sextet, Clark Terry en het Nat Adderley Quintet, brak hij in 1956 door als solist, met de Blue Note LP ‘Introducing Johnny Griffin’.

Nog geen jaar later maakte hij voor hetzelfde label samen met John Coltrane de plaat ‘A Blowing Session’. Spoedig daarna emigreerde hij naar Europa en was al snel een van de meest gevraagde Amerikaanse jazzmusici op beroemde jazzpodia als Londen’s Ronnie Scott’s Jazzclub. 

Zowel in Europa als in de VS vierde hij ook in de decennia daarna grote successen, en werkte hij met jazzgiganten van beide continenten, zoals Quincy Jones, Rita Reys, Slide Hampton, Stan Getz en Toots Thielemans.

In 2008 vierde Johnny Griffin zijn tachtigste verjaardag, en verscheen zijn officiële biografie ‘Little Giant: The Story of Johnny Griffin’. Niet lang daarna overleed hij in zijn huis in Availles-Limouzine, waar hij de afgelopen 24 jaar gewoond had.

De uitzending van Johnny Griffin  wordt donderdagnacht 16 oktober 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

Wolfgang Maiwald 5 oktober 2014 in "All That's Jazz".

Dit keer heb ik het grote genoegen om een JazzProfiel te presenteren van Wolfgang Maiwald, een eigentijdse jazzpianist met een origineel geluid.

Zijn composities kenmerken zich door pakkende, verhalende melodieën, meeslepende grooves en lyrische improvisaties. Wolfgang Maiwald, geboren en opgegroeid in Duitsland, begon op zijn viertiende als autodidact met piano spelen, schrijven van eigen composities en spelen in lokale bands. Al snel was hij geïnteresseerd in jazz. Op vierentwintig jarige leeftijd won hij de prijs voor beste solist en bandleader tijdens het jazz concours ‘Jugend Jazzt Niedersachsen’ in Oldenburg, Duitsland.

In 1990 verhuisde Maiwald naar Nederland om aan het Conservatorium van Hilversum jazz piano te studeren. Hij volgde les bij jazzpianist Rob Madna en studeerde in 1995 af met het diploma ‘summa cum laude’ docerend en uitvoerend musicus. Hij vestigde zich in Amsterdam en ontwikkelde zich hier tot een bijzonder fijnzinnige muzikant. Na veel als sideman te hebben gewerkt in verschillende formaties en stijlen, debuteerde hij in 2010 verrassend met het album ‘Two Faces’ met zijn eigen Wolfgang Maiwald Trio. Het album kreeg lovende kritieken en is uitgegeven in Nederland, Duitsland en Japan.

In 2013 presenteerde hij zich met zijn Wolfgang Maiwald Trio met een succesvol showcase optreden op de Nederlandse Jazzdag. In 2014 behaalde hij met ditzelfde trio de halve finale van de Dutch Jazz Competition 2014. Het tweede trio-album: ‘The Silent Ones’, waarvan één van de tracks inmiddels op een compilatie CD in Japan is verschenen, is deze herfst van 2014 net gelanceerd en word uitgegeven in Nederland, Duitsland en Japan en gedistribueerd door Painted Dog Records.

Als pianist en toetsenist heeft Maiwald in verschillende formaties en uiteenlopende stijlen gewerkt in Nederland en in het buitenland. Hij deelde het podium met bekende Nederlandse en internationale (jazz)musici waaronder: Ferdinand Povel, Cameron Brown, Rick Margitza, Joe Lovano, Tim Ries, Jesse van Ruller, Benjamin Herman, Ellen ten Damme, Ben van Gelder, Jan Menu, Ben van den Dungen, Deborah Carter, Eef Albers, Bart van Lier, Tineke Postma, Jasper Blom, Anton Goudsmit, Barend Middelhof, Wies Ingwersen, Willem Hellbreker, Iman Spaargaren, Susanne Alt en anderen. Sinds 2002 is Maiwald hoofdvak docent jazz piano aan de DJAM, de opleiding voor Jazz en Lichte Muziek in Amsterdam. Tevens schrijft, arrangeert en produceert hij voor diverse artiesten in zijn eigen audio/video project studio.

 

De uitzending van Wolfgang Maiwald  wordt donderdagnacht 9 oktober 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

 

Eric Dolphy 28 september 2014 in "All That's Jazz".

Hij werd in 1928 in Los Angeles Californië geboren, deze Eric Allen Dolphy en was één van de origineelste en intelligentste muzikale denkers uit het begin van de jaren zestig. In de laatste 5 jaar van zijn korte leven heeft Eric Dolphy, die goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in de toenmalige Europese muziek, voor een doorbraak gezorgd naar nieuwe improvisatietechnieken.

 

Omdat hij, zowel in zijn composities als in zijn solo’s, bleef uitgaan van harmonische kaders, was hij een zeer degelijke schakel tussen de gevestigde harmonische traditie: bebop en de hard bop en de indertijd opkomende free jazz-stroming en dat allemaal met de altsaxofoon, fluit en basklarinet.

 

Eric Dolphy maakte, na een klarinetstudie, in 1958 naam als avontuurlijk musicus in het in Californië opgerichte, experimentele kwintet van drummer Chico Hamilton.

In zijn nieuwe woonplaats New York was hij vanaf 1960 een veelgevraagde musicus voor concerten en platenopnamen, o.a. met contrabassist Charles Mingus.

 

Ook als componist is Eric Dolphy in zijn korte leven actief geweest, wat blijkt uit een reeks LP’s onder eigen naam.

Met de groep van tenorsaxofonist John Coltrane maakte Eric Dolphy een Europese tournee, waarbij hij in 1963 voor het eerst in ons Amsterdamse Concertgebouw optrad.

Solistisch was hij daarna te beluisteren in allerlei formaties, variërend van de groep van drummer Max Roach tot een grote bezetting onder leiding van componist Gunther Schuller.

 

In 1964 kwam hij met het sextet van contrabassist Charles Mingus opnieuw naar Amsterdam. Hij bleef in Europa en kwam enige weken later in Nederland terug voor concerten met Boy’s Big Band en met het trio van pianist Misja Mengelberg.

 

Door zijn muzikale aanpak tijdens de concerten met gillende uithalen, glissando’s, enorme intervallen, effecten op altsax en vooral op zijn basklarinet heeft Eric Dolphy sterk zijn stempel gedrukt op verdere jazzontwikkelingen. Op de fluit was zijn spel traditioneler.

Eric Dolphy overleed in Berlijn in juni 1964 op slechts 36 jarige leeftijd aan de acute gevolgen van een ernstige ziekte.

Een documentaire muziekfilm over zijn leven, met Hans Hylkema als regisseur, heet ‘De Laatste Sessie’.

De uitzending van Eric Dolphy  wordt donderdagnacht 3 oktober 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

 

Buddy Rich 21 september 2014 in "All That's Jazz".

Buddy Rich werd in 1917 in Brooklyn New York geboren als Bernard Rich.

Hij had twee ‘vaudeville-artiesten’ als ouders, waardoor hij al als kleuter in de showbusiness verzeilt raakte.

Op vierjarige leeftijd stond hij als drummer en tapdanser op Broadway in diverse programma’s, op zijn zesde maakte hij al een tournee door Australië en op zijn elfde had hij al een eerste eigen orkest.

Buddy Rich’ grote ideaal: in een big band spelen, werd op zijn 21e verwezenlijkt, toen hij de drummer van Joe Marsala mocht vervangen. Daarna volgde een indrukwekkende reeks van dienstverbanden bij achtereenvolgens Bunny Berigan, Harry James, Artie Shaw en ten slotte Tommy Dorsey.

 

Vooral in Dorsey’s dansorkest, dat ook kon excelleren in jazzstukken, was de virtuoze Buddy Rich een grote attractie naast o.a. zanger Frank Sinatra, met wie hij het regelmatig aan de stok schijnt te hebben gehad.

 

Buddy Rich manifesteerde zich als een harde figuur, gepokt en gemazeld in de Amerikaanse muziek- en showwereld, die niemand naast zich, laat staan boven zich duldde en zich door geen enkele collega iets liet vertellen.

Buddy Rich’ eerste eigen big band in 1945 werd een financiële ramp. Vanaf 1947 was hij regelmatig te beluisteren in de formatie Jazz At The Philharmonic en vocht daar vaak een zogeheten drumgevecht uit met collega Gene Krupa.

 

Buddy Rich’ stevige, in de swingtraditie wortelende spel, was dynamisch en technisch verbluffend, maar werd door liefhebbers van moderne jazz afgedaan als ouderwets, vooral door de hoekige timing en het in vieren bespelen van de basdrums.

 

Ook ging Buddy Rich diverse kleinere ensembles leiden o.a. met tenorsaxofonist Charlie Ventura en liet zich op de plaat ook horen als zanger.

 

Buddy Rich zette opnieuw een big band op poten, met een repertoire dat varieerde van jazz tot songs uit de pop, de rock en de soul.

Buddy Rich was een musicus die in de drumwereld op handen werd gedragen en hij wist zich goed te handhaven totdat hij zijn activiteiten wegens hartklachten moest intomen.

Voor een energiek en extravert muzikant als hij blijkt dat een onmogelijke opgave te zijn geweest. In 1987 overleed Buddy Rich op 70 jarige leeftijd.

 

De uitzending van Buddy Rich  wordt donderdagnacht 25 september 2011 om 01:00 uur herhaald.

 

Paul Bley 14 september 2014 in "All That's Jazz".

In ‘JazzProfiel’, vanavond de muziek van de in 1932 in Montreal geboren Paul Bley. Hij heeft met zijn intuïtieve, eerder op melodische associaties dan op traditionele akkoordenschema’s gebaseerde, speeltrant een belangrijk aandeel gehad in de ontwikkeling van de jazz in de jaren zestig.

Zijn solospel is zelfs meditatief genoemd, door de opzettelijke verstilling, de introvertie en de bezonkenheid waarin de tijd bijna lijkt stil te staan en elke ritmische spanning ontbreekt.

Dat dit vaak ook niet het geval is zal ik u ook in dit JazzProfiel laten horen.

 

 

 

Paul Bley studeerde als kind viool en had al op zijn elfde een klassieke pianostudie achter de rug. Als jong jazzpianist speelde hij aanvankelijk in de stijl van zijn beroemde stadgenoot Oscar Peterson, maar op zijn eerste trioplaat uit 1953, met bassist Charles Mingus en drummer Art Blakey, zijn ook invloeden te horen van Bud Powell, Thelonious Monk en Horace Silver.

In New York studeerde Paul Bley aan de Juilliard School Of Music compositieleer en orkestdirectie. Na zijn verhuizing naar Los Angeles had hij een trio met contrabassist Charlie Haden en drummer Billy Higgins. Deze formatie werkte enige tijd samen met twee blazers die om hun revolutionaire opvattingen nogal werden genegeerd: altsaxofonist Ornette Coleman en trompettist Don Cherry.

 

In New York speelde Paul Bley tussen 1959 en 1962 onder andere in de groep van bassist Charles Mingus en ook werkte hij, in een soort dialoog met collega Bill Evans, mee aan de platensessie ‘Jazz In The Space Age’ van componist en arrangeur George Russell. Ook was Bley lid van het experimentele trio van klarinettist en saxofonist Jimmy Giuffre, met als derde bepalende musicus: bassist Steve Swallow.

Na een nieuw trio met trompettist Don Ellis en bassist Gary Peacock, en een verbintenis met tenorsaxofonist Sonny Rollins, volgde Paul Bley’s aansluiting bij het Jazz Composers’ Guild, een vakvereniging van avant-garde jazzmusici die hun muzikale producten onder eigen beheer wilden uitbrengen.

 

Na de scheiding van zijn echtgenote Carla Bley, van wie hij veel composities heeft gespeeld en op de plaat heeft gezet, was de pianiste en vocaliste Annette Peacock zijn nieuwe partner. Met haar trok Bley naar Europa en vestigde zich voor enige tijd in 1966 in Loosdrecht.

Het Paul Bley Trio, met bassist Mark Levinson en drummer Barry Altschul, trad regelmatig op tijdens festivals in heel Europa, inclusief het Oostblok.

Onverstoorbaar en eigenzinnig bewandelde Paul Bley met dit trio de door hem gekozen weg. Uit een recensie in de NRC citeer ik nu: ‘Bley speelde op een gegeven moment een langzame, aarzelende melodie, die zo onaantastbaar over het toneel zweefde als avondmist boven een weiland. Toch wist Levinson er zijn zangerige, volksmuziekachtige tonen feilloos getimed bij aan te passen.

Altschul droeg op zulke momenten slechts wat geruis en gesis aan, waardoor hij net niet overbodig werd’, tot zover dit NRC-citaat.

In de periode 1969 – 1972 verschenen Paul Bley en Annette Peacock op de Europese podia met hun synthesizer show. Sindsdien is Bley zich, met een ensemble, maar ook als solovertolker, blijven manifesteren als een van de oorspronkelijkste figuren uit de pianojazz sinds de jaren vijftig. 

De uitzending van Paul Bley  wordt donderdagnacht 18 september 2011 om 01:00 uur herhaald.

 

Larry Goldings 7 september 2014 in “All That’s Jazz”. 

 

Hammondorganist Larry Goldings werd in 1968 als Lawrence Sam Goldings in Boston Massachusetts geboren. Zijn vader was een liefhebber van klassieke muziek, vrij logisch dat Larry ook klassiek piano ging studeren en dat tot de leeftijd van 12 jaar. Terwijl hij een opleiding volgde op de middelbare school in Concord Academie, volgde hij gelijktijdig ook een opleiding aan de Eastman School Of Music. In deze periode ontving Larry Goldings voornamelijk de invloed van Erroll Garner, Oscar Peterson, Dave McKenna, Red Garland en Bill Evans.Als jonge tiener ontving Larry privé-lessen van Ran Blake en van Keith Jarrett.

In 1986 verhuisde Larry Goldings naar New York om een nieuw opgezet jazz-programma bij te wonen onder leiding van Arnie Lawrence in The New School. Tijdens dit college studeerde Larry Goldings piano bij zijn leermeesters Jaki Byard en Fred Hersch. Ondanks het feit dat Larry nog eerstejaars student was, werd hij door Sir Roland Hanna uitgenodigd om hem te vergezellen naar een drie dagen durend jazzfeest in Kopenhagen. Daar in Kopenhagen ontmoette Larry Goldings een hele stoet aansprekende jazzmusici zoals o.a. Kenny Burrell, Tommy Flanagan, Al Cohn, Hank Jones en Harry ‘Sweets’Edison. Nog als student begon Larry Goldings ook aan een wereldwijde tour met Jon Hendricks en werkte een jaar lang met hem, voordat hij een drie jaar lang durende verbintenis aanging met gitarist Jim Hall.

In 1988 begon Larry Goldings zich echt te ontwikkelen als Hammondorganist, in diverse bands en met zijn eigen trio met gitarist Peter Bernstein en drummer Bill Stewart. Zijn eerste album was: ‘Intimity Of The Blues’ uitgebracht in 1991. Sindsdien heeft hij een hele rij albums opgenomen, zowel als leider en als sideman in diverse bands. In de loop van zijn carrière heeft Larry Goldings diverse muziekstijlen in zijn spel weten te verwerken. Zijn stijl van spelen wordt vaak vergeleken met collega Larry Young, maar zelf noemt hij voor zijn orgelspel toch Dave McKenna als zijn belangrijkste inspirator. Bij McKenna vindt Larry Goldings de baslijnen beter dan bij wie dan ook. Maar ook onderkend Larry Goldings beïnvloed te zijn door platen van gitarist Wes Montgomery samenspelend met organist Melvin Rhyne en Jimmy Smith, Shirley Scott, Chester Thompson, Joe Zawinul en Jack McDuff.

In 2007 ontving Larry Goldings, samen met John Scofield en Jack DeJohnette een Grammy nominatie in de categorie 'Best Jazz Instrumental Album' voor hun live opgenomen plaat: ‘Trio Beyond – Saudades’. Veel van Larry Goldings composities zijn op de plaat opgenomen door Michael Brecker, Jack DeJohnette, Jim Hall, Bob Dorough, John Scofield en Toots Thielemans plus vele anderen. Songs en arrangementen van Larry Goldings zijn ook gebruikt in films als: ‘Space Cowboys’, ‘Proof’ en ‘Funny People’.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 11 september om 01:00 uur herhaald.

Larry Goldings 7 september 2014 in "All That's Jazz".

Hammondorganist Larry Goldings werd in 1968 als Lawrence Sam Goldings in Boston Massachusetts geboren. Zijn vader was een liefhebber van klassieke muziek, vrij logisch dat Larry ook klassiek piano ging studeren en dat tot de leeftijd van 12 jaar. Terwijl hij een opleiding volgde op de middelbare school in Concord Academie, volgde hij gelijktijdig ook een opleiding aan de Eastman School Of Music. In deze periode ontving Larry Goldings voornamelijk de invloed van Erroll Garner, Oscar Peterson, Dave McKenna, Red Garland en Bill Evans.Als jonge tiener ontving Larry privé-lessen van Ran Blake en van Keith Jarrett.

In 1986 verhuisde Larry Goldings naar New York om een nieuw opgezet jazz-programma bij te wonen onder leiding van Arnie Lawrence in The New School. Tijdens dit college studeerde Larry Goldings piano bij zijn leermeesters Jaki Byard en Fred Hersch. Ondanks het feit dat Larry nog eerstejaars student was, werd hij door Sir Roland Hanna uitgenodigd om hem te vergezellen naar een drie dagen durend jazzfeest in Kopenhagen. Daar in Kopenhagen ontmoette Larry Goldings een hele stoet aansprekende jazzmusici zoals o.a. Kenny Burrell, Tommy Flanagan, Al Cohn, Hank Jones en Harry ‘Sweets’Edison. Nog als student begon Larry Goldings ook aan een wereldwijde tour met Jon Hendricks en werkte een jaar lang met hem, voordat hij een drie jaar lang durende verbintenis aanging met gitarist Jim Hall.

In 1988 begon Larry Goldings zich echt te ontwikkelen als Hammondorganist, in diverse bands en met zijn eigen trio met gitarist Peter Bernstein en drummer Bill Stewart. Zijn eerste album was: ‘Intimity Of The Blues’ uitgebracht in 1991. Sindsdien heeft hij een hele rij albums opgenomen, zowel als leider en als sideman in diverse bands. In de loop van zijn carrière heeft Larry Goldings diverse muziekstijlen in zijn spel weten te verwerken. Zijn stijl van spelen wordt vaak vergeleken met collega Larry Young, maar zelf noemt hij voor zijn orgelspel toch Dave McKenna als zijn belangrijkste inspirator. Bij McKenna vindt Larry Goldings de baslijnen beter dan bij wie dan ook. Maar ook onderkend Larry Goldings beïnvloed te zijn door platen van gitarist Wes Montgomery samenspelend met organist Melvin Rhyne en Jimmy Smith, Shirley Scott, Chester Thompson, Joe Zawinul en Jack McDuff.

In 2007 ontving Larry Goldings, samen met John Scofield en Jack DeJohnette een Grammy nominatie in de categorie 'Best Jazz Instrumental Album' voor hun live opgenomen plaat: ‘Trio Beyond – Saudades’. Veel van Larry Goldings composities zijn op de plaat opgenomen door Michael Brecker, Jack DeJohnette, Jim Hall, Bob Dorough, John Scofield en Toots Thielemans plus vele anderen. Songs en arrangementen van Larry Goldings zijn ook gebruikt in films als: ‘Space Cowboys’, ‘Proof’ en ‘Funny People’.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 11 september om 01:00 uur herhaald.

Ray Bryant 31 augustus 2014 in "All That's Jazz".

Pianist Ray Bryant werd op 24 december 1931 als Raphael Homer Bryant in Philadelphia geboren.  Ray is naast pianist én componist ook de broer van Tommy Bryant, de bekende bassist.Op zijn 14e begon Ray Bryant in zijn geboortestad piano te spelen en hij maakte naam in de roerige jazzperiode vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Samen met broer Tommy ging Ray Bryant spelen in het huisorkest van ‘The Blue Note Club’ in Philadelphia. In deze band kwamen veel musici spelen uit New York, zoals o.a. Charlie Parker, Miles Davis, Lester Young, Sonny Rollins en vele anderen. Het duurde niet lang dat Ray Bryant veel werk als prominent sideman kreeg, dit zowel samen met als zonder zijn muzikale broer.

Een belangrijk moment in Ray Bryant’s carrière was de opname in 1955 van zijn album ‘Meet Betty Carter And Ray Bryant’ voor het Columbia-label. Het was een spetterende start voor zowel Ray Bryant als voor deze begaafde zangeres Betty Carter. Dit album werd al snel gevolgd door de plaat ‘The Ray Bryant Trio’ voor Prestige, waarop zijn eigen nummer ‘Blues Changes’ ook werd vastgelegd.

‘Blues Changes’ werd een evergreen in de jazzwereld, maar ‘Cubano Chant’ had nog meer succes, met zijn lekkere Afro-Cubaanse setting.

Ray Bryant nam dit nummer op onder eigen naam, maar ook als onderdeel van het repertoire van groepen geleid door drummers als Art Blakey, Jo Jones en Art Taylor.

Eigenlijk heeft Ray Bryant tijdens zijn muzikale carrière verschillende jazzhits geschreven, zoals ‘Little Susie’, een origineel bluesnummer.

In 1960 bereikte Ray Bryant de 30e plaats op een hitlijst met een nieuwe song, die hij ‘The Madison Time’ noemde. Dit nummer is ook gebruikt in de film ‘Hairspray’ dat in 1988 verscheen en ook als Broadway productie. In 1967 bereikte Ray Bryant de Top 100 met een uitvoering van Bobbie Gentry’s nummer ‘Ode To Billie Joe’.  Maar Ray Bryant rustte niet uit door dit succes, want binnen zijn zeer omvangrijke discografie zit behoorlijk veel werk als begeleider van zangers als Carmen McRae en Jimmy Rushing en ook werkte Ray Bryant b.v. mee aan albums als ‘Sonny Side Up’ van Dizzy Gillespie.

 In 1956 en 1957 ging Ray Bryant toeren met Carmen McRae en Jo Jones en maakte hij met Coleman Hawkins opnamen op het Newport Jazz Festival.

In 1959 verhuisde Ray Bryant naar New York en speelde daar o.a. met Sonny Rollins, Charlie Shavers en Curtis Fuller.In de jaren ’60 werkte hij met zijn eigen trio of als solopianist, maar ook maakte hij een enorm aantal platen samen met o.a. Ella Fitzgerald, Miles Davis en Dizzy Gillespie.

Regelmatig maakte Ray Bryant in de jaren ’70 tournees in Europa en bleef haast continue platen opnemen met blazers als Zoot Sims en Benny Carter. Ray Bryant’s zuster is Vera Eubanks en zij is de moeder van de vooraanstaande jazzmusici: trombonist Robin Eubanks, gitarist Kevin Eubanks en trompettist Duane Eubanks.

Op 2 juni 2011 maakte Claude Bryant, de echtgenote van Ray, bekend dat haar echtgenoot, na een lange ziekteperiode, was overleden in het ziekenhuis in Queens op 79-jarige leeftijd. Ray Bryant, de pianist met de ferme aanslag en een geweldig gevoel voor timing, vooral met zijn linker hand, heeft in de bebop-periode, de gospelmuziek en de blues in zijn spel met een prachtige melodieuze instelling weten te verwerken, waarbij hij zodanig de techniek beheerste dat hij in duidelijk diverse stijlen wist te excelleren.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 4 september om 01:00 uur herhaald.

 

Serge Chaloff 17 augustus 2014 in "All That's Jazz".

BaritonsaxofonistThe baritone saxophonist Serge Chaloff was born in Boston on November 24th 1923 to two classical pianists. Serge Chaloff werd geboren in Boston op 24 november 1923.His father was the Boston Symphony Orchestra's pianist and his mother was a famous piano teacher at the Boston conservatory whose students include such musicians as Keith Jarrett and Dick Twardzik. Zijn vader was pianist in het Boston Symphony Orchestra en zijn moeder was een beroemde pianoleraar aan het conservatorium van Boston met o.a. studenten als Keith Jarrett en Dick Twardzik.

Serge Chaloff Serge himself learned to play the piano first then the clarinet in his teens but switched to the baritone sax as an adult. leerde in zijn tienerjaren in eerste instantie piano spelen, daarna de klarinet, maar schakelde als volwassene over op de baritonsax. His two major influences were Harry Carney and Charlie Parker. Zijn twee belangrijkste beinvloeders waren Harry Carney en Charlie Parker. DeThe former on his choice of instrument and the latter on his choice of genre: he was the first bop baritonist. Eerste voornamelijk op basis van zijn keuze van het instrument en de laatste op zijn weergaloze vertolking van het genre: zodoende werd Serge Chaloff de allereerste ‘bebop-baritonist’. He started his professional career in the big bands of the era first with Boyd Raeburn followed by Georgie Auld and Jimmy Dorsey.

Serge Chaloff begon zijn professionele loopbaan in de big bands van Boyd Raeburn, gevolgd door Georgie Auld en Jimmy Dorsey. In 1946 he joined Woody Herman's orchestra and became famous as one of the “Four Brothers” playing on Jimmy Giuffre's immortal composition with Stan Getz Zoot Sims, and Herbie Stewart. In 1946 trad hij toe tot het orkest van Woody Herman en werd beroemd als een van de ‘Four Brothers’. In deze legendarische groep speelde hij samen met Jimmy Giuffre, Stan Getz, Zoot Sims en Herbie Stewart. Heroin addiction and his apparent disrespect for his boss caused him to leave the herd shortly after and join Count Basie's band for a while. Heroïneverslaving en zijn kennelijke gebrek aan respect voor zijn baas, deed Serge de das om en noodzaakte hem om ‘de kudde te verlaten’ en zich voor een tijdje zich uit de Count Basie band terug te trekken.

InIn 1947 he made his recording debut for Savoy backed by a group of Basie alumni. 1947 maakte hij zijn opname-debuut voor Savoy, ondersteund door een groep van Basie alumni. By 1949, however, he was heavily addicted to heroin and his drug-induced behavior had alienated most of his colleagues in the jazz community. In 1949 was hij zo zwaar verslaafd aan heroïne, dat zijn drugsbeïnvloede gedrag hem deed vervreemden van de meeste van zijn collega's in de jazzgemeenschap. He moved to New York and played with Bud Powell for a while. Hij verhuisde naar New York en speelde hierna een tijdje met Bud Powell. He returned to Boston in 1952 and recorded with Dick Twardzik a session that remains unreleased. In 1952 keerde Serge Chaloff terug naar Boston en ging samenwerken met Dick Twardzik, met wie hij ook opnamen maakte, maar vreemd genoeg zijn deze sessies nog nooit uitgegeven. Wel begon hij He also started appearing on TV and leading the house band at a local club. ook te verschijnen op TV en ging hij een  huisband leiden bij een lokale club.

Serge Chaloff He also started working on quitting his heroin habit, which succeeded in doing by 1954. begon ook te werken aan het overwinnen van zijn heroïneverslaving en gelukkig slaagde hij hierin in 1954. He recorded two more sessions in Boston Fable for Mable and Boston Blow-Up! before relocating to Los Angeles in 1956.

Serge Chaloff nam nog twee sessies op, die uitkwamen op de albums: ‘Fabel voor Mable’ en ‘Boston Blow-Up!’. Na zijn verhuizing naar Los Angeles in 1956 nam Chaloff There he recorded his masterpiece Blue Serge but sadly around that time he was diagnosed with cancer of the spine which led to his demise on July 16th 1957 at the tragically young age of 33. zijn meesterwerk 'Blue Serge’ op, maar helaas rond die tijd werd er  kanker aan de wervelkolom geconstateerd, dat leidde tot zijn overlijden op 16 juli 1957, op de tragisch jonge leeftijd van 33 jaar.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 20 augustus om 01:00 uur herhaald.
   

Benny Green 10 augustus 2014 in "All That's Jazz".

Benny Green werd in 1963 in New York geboren, maar hij groeide op in Berkeley (Californië). In zijn zevende levensjaar begon hij aan een klassieke pianostudie.
Onder invloed van zijn vader, een tenorsaxofonist, veranderde zijn aandacht al snel in de jazzrichting: ‘Ik begon om te proberen te improviseren op de piano d.m.v. het nabootsen van de platen die ik gehoord had uit de collectie van mijn vader, waarin veel van Monk en Bird opgenomen was, dus het was een geleidelijk proces van zelfstudie’.

Als tiener werkte Benny Green samen met Eddie Henderson en kreeg ook big-band ervaring met een 12-koppige groep onder leiding van Chuck Israëls.
Na zijn afstuderen, startte Benny als freelance musicus om vervolgens in het voorjaar van 1982 naar New York te verhuizen. Hier ontmoette hij pianist Walter Bishop Jr.: die hem les ging geven en Benny Green hielp in het richting geven om een eigen geluid te ontwikkelen.

Na een korte verbintenis met Bobby Watson, heeft Green ook tussen 1983 en 1987 gewerkt met zangeres Betty Carter, waarna hij toe trad tot Art Blakey’s Jazz Messengers. Hij bleef een Jazz Messenger tot aan het einde van 1989, waarna hij begon samen te werken met het kwintet o.l.v. trompettist Freddie Hubbard.

Vanaf 1997 hervatte Benny Green zijn freelance carrière, leidde zijn eigen trio, en concentreerde zich op zijn solo piano-optredens.
Zijn platenoevre, dat meer dan honderd sessies omvat, is zeer indrukwekkend te noemen.

Als leider van zijn eigen groepen, begon Benny' Green met het opnemen van twee albums voor het Nederlandse Criss Cross label en ook voor Blue Note
In 2000 maakte Benny Green zijn debuutopnames voor Telarc Jazz, samen met bassist Christian McBride en gitarist Russell Malone. Door deze musici werd Benny Green erg geïnspireerd om nieuw muzikaal terrein te gaan verkennen.

Met de in 2002 gemaakte plaat ‘Green’s Blues’, keerde Benny Green terug naar zijn roots die bestaat in de traditie met een spannende solocollectie van jazz standards van Fats Waller, Duke Ellington, Erroll Garner en George Gershwin, maar dan duidelijk in zijn zeer persoonlijke stijl uitgevoerd.
Benny Green is eigenlijk een eeuwige student van de jazzpiano-geschiedenis. Zelf noemt hij Art Tatum, Erroll Garner, Hank Jones, Ahmad Jamal, Phineas Newborn, Bud Powell en Oscar Peterson als zijn belangrijkste inspirators.

 

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 13 augustus om 01:00 uur herhaald.
   

750e "All That's Jazz" 3 augustus 2014.

Met in het eerste uur: "Het JazzProfiel" van: ALTSAXOFONIST CHARLIE PARKER

Charlie Parker werd in 1920 in Kansas City geboren Charles Christopher Parker. Deze altsaxofonist geldt, ondanks zijn korte leven (hij is slechts 35 jaar oud geworden), voor bespelers van wélk instrument dan ook als, hét symbool van de nieuwe ontwikkelingen in de jazzmuziek vanaf 1940. Eigenlijk leidde hij een tragisch leven, want  zowel Charlie Parker als ook Chet Baker raakten al op zeer jeugdige leeftijd verslaafd aan verdovende middelen. Dit in combinatie met overmatig eten en drinken, zou bij Charlie Parker zijn hele leven een wezenlijke rol blijven spelen.

Begonnen als klarinettist in een schoolband, ging Charlie Parker al op vijftienjarige leeftijd altsaxofoon spelen, geholpen door plaatsgenoten, waaronder pianiste Carrie Smith. Charlie werd een aantal eenvoudige akkoorden geleerd, die al gauw ontoereikend bleken voor de manier waarop hij wilde improviseren.Charlie Parker’s eerste muzikale beïnvloedingen waren van de in Kansas City optredende boogie woogie-pianisten en grote bands als die van: Jay McShann, Bennie Moten en Count Basie.Tot verbijstering van oudere collega’s, experimenteerde Charlie Parker al op heel jeugdige leeftijd erg intuïtief, met harmonische uitbreidingen en toevoegingen, terwijl hij langzame stukken bij voorkeur in double time-opvatting probeerde te spelen.

De altijd sterke drive in zijn spel, zijn vinnige intonatie en zijn jubelende geluid werden direct als bijzonder positief beoordeeld. Want eigenlijk was een totaal nieuwe opvatting van jazzmuziek spelen geboren.Charlie Parker ging aanvankelijk in big bands werken, waaronder die van Jay McShann, reisde als verstekeling op een goederentrein naar Chicago en werd daar voor enige tijd in het jazzmilieu opgenomen. Maar net als veel van zijn medemusici ging ook hij hierna zijn geluk beproeven in New York.

De anekdote gaat dat hij op een avond stond te jammen in een Chileense bar, het was december 1939. Charlie Parker werd de stereotiepe akkoorden die men steeds gebruikte langzamerhand zat en stond maar te denken dat er vast iets anders moest zijn. Soms kon hij het al horen, maar nog niet spelen.Hij ontdekte die avond dat als je hogere intervallen van een akkoord gebruikte als melodische lijn en ze ondersteunde met de daarbij passende harmonieën, je precies kon spelen wat hij al die tijd meende gehoord te hebben.

Charlie Parker had in de eerste helft van de jaren veertig vast werk, ten minste gedurende de periodes waarin hij lid was van een big band: o.a. die van Earl Hines (waarin hij overigens ook tenorsax speelde).

Via samenspel met andere musici, onder wie pianist Thelonious Monk en trompettist Dizzy Gillespie (die de nieuwe muzikale stroming min of meer kanaliseerde en van theoretische fundamenten voorzag), ontstond geleidelijk een duidelijk omlijnde compositie- en improvisatiestijl: “De Bebop”.

In het tweede uur "Het JazzProfiel" van: PIANIST THELONIOUS MONK
In het tweede uur de in 1917 te Rocky Mount geboren Thelonious Monk, die één van de belangrijkste architecten in de vernieuwende beweging uit de jaren veertig is geweest, en dan bedoel ik uiteraard de ontwikkeling van de bebopjazz.

Thelonious Monk was een musicus die in de muzikale voorhoede van de bebop actief was, maar toch was hij een buitenbeentje die wél opgegroeid was met de stride-pianostijl uit de jaren dertig. Daarnaast had Monk als pianist een grillige onaangepaste, en door het ontbreken van vertrouwde melodische passages, een ontoegankelijke aanpak.
Zijn eigenzinnige, onbuigzame en eerder percusssieve- dan pianistische spel kwam solistisch of in trioverband het best tot zijn recht.

Thelonious Monk kwam tijdens zijn periode als lid van het orkest van Teddy Hill, in aanraking met generatiegenoten als gitarist Charlie Christian, trompettist Dizzy Gillespie, tenorsaxofonist Don Byas en drummer Kenny Clarke.
Met hen maakte hij geschiedenis tijdens nachtelijke sessies in ‘Minton’s Playhouse’ in Harlem. Ook speelde Monk in het orkest van Lucky Milliner en als begeleider van tenorsaxofonist Coleman Hawkins, totdat deze wegens gebrek aan werk uit New York vertrok.

Vanaf het begin van zijn carrière schreef Thelonious Monk enorm veel composities, voor het merendeel gebaseerd op het 32-maten- of het bluesschema en stuk voor stuk met een verrassende melodische en vooral ritmische opbouw.
Een van de eerste stukken uit Monk’s indrukwekkende oeuvre, waarvan het merendeel zondermeer tot de jazzstandards behoort, is het nummer: ‘Hackensack’, een verwijzing naar de toenmalige plaats waar opnametechnicus Rudy van Gelder zijn studio gevestigd had.

Toch werd Thelonious Monk vreemd genoeg slechts sporadisch gevraagd voor een optreden. Deze betrekkelijke obscure situatie werd ook veroorzaakt doordat hij wegens het bezit van drugs enige tijd zijn werkvergunning kwijt was.
Maar Monk schitterde tijdens een zeer geslaagd optreden tijdens de Parijse Salon du Jazz in 1954.
Toen Thelonious Monk hierna in het New Yorkse ‘Five Spot Café’ optrad, gold hij voor bewonderaars als een cultfiguur, een soort hogepriester van de bebop en voor de hippe incrowd van het uitgaande publiek als een schilderachtig bezienswaardigheid, die qua uitstraling en vooral zijn opvallende pose tijdens het spelen, op z’nminst vergeleken kon worden met de beeldendekunstenaar Salvador Dali.
In 1982 overleed Thelonious Monk op 65 jarige leeftijd aan een hersenbloeding.
   

Deze uitzending worden donderdagnacht 6 augustus om 01:00 uur herhaald.

Charlie Christian 20 juli 2014 in  “All That’s Jazz”.

Dit keer heb ik het genoegen om een Jazzprofiel te presenteren van de in 1916 in Dallas Texas geboren gitarist Charles Christian.

Charlie Christian, zoals zijn artiestennaam was, is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de elektrisch versterkte gitaar als solo-instrument in de jazz, aan het einde van de jaren dertig van de vorige eeuw, en ook voor de toepassing van het bebop-idioom op dit instrument. Op de grammofoonplaten die Charlie Christian tijdens zijn véél te korte leven heeft gemaakt, demonstreert hij een groot inzicht in het improviseren op akkoorduitbreidingen, zoals ook zijn tijdgenoten Dizzy Gillespie en Charlie Parker dat deden.

 

Naast zijn grote inzicht in het improviseren, was een ander aspect van Charlie Christian’s spel: zijn lange melodische lijnen in de opbouw van zijn solo’s en hiermee vertoont hij grote verwantschap met dat van tenorsaxofonist Lester Young.

Met deze twee eigenschappen heeft de gedreven spelende Charlie Christian, ondanks het feit dat hij nog maar aan het begin van zijn carrière stond toen hij stierf, alle in de jaren veertig opgekomen jazzgitaristen beïnvloed.

Charlie Christian groeide op in Oklahoma City, waar hij piano, trompet, tenorsaxofoon en contrabas heeft gespeeld. Op dit laatste instrument debuteerde hij, nog maar net vijftien jaar oud, in het orkest van Alphonso Trent. Vier jaar later, in 1935, na tournees met diverse andere orkesten, keerde hij bij Trent terug, maar nu als gitarist.

 

Jazzproducent en talentscout John Hammond bracht Charlie Christian in contact met klarinettist Benny Goodman, van wiens verschillende ensembles: sextet, septet en big band, hij vanaf 1939 deel heeft uitgemaakt.

Ook maakte hij opnamen met vibrafonist Lionel Hampton.

 

Tijdens zijn bijna driejarige verbintenis met Benny Goodman, omlijst door nachtelijke jam-sessies in Harlem met andere voormannen van de bebopgeneratie, wist de onvermoeibare Charlie Christian een grote naam op te bouwen als solist en als pleitbezorger voor een belangrijker rol van zijn instrument in de moderne jazz.

Kort na zijn indiensttreding bij Goodman publiceerde hij een artikel in het muziekblad Down Beat, waarin hij opriep tot een soort emancipatie van de gitarist. De gitaar werd volgens Charlie Christian door orkestleiders behandeld als een ondergeschoven kindje en dus als een noodzakelijk kwaad, en de bespelers gedroegen zich daarnaar.

Als uitzonderingen noemde hij Allan Reuss bij het orkest van Jack Teagarden, Floyd Smith bij Andy Kirk en de jeugdige George Barnes, die hun gitaar wel elektrisch hadden durven versterken.

 

Charlie Christian’s eigen echte doorbraak achtte hij een logisch gevolg van het feit dat hij ook besloten had om zijn gitaar elektrisch te gaan versterken.

Een citaat van Charlie Christian luidt: Een paar weken geleden werkte ik nog voor een grijpstuiver in Oklahoma en had ik de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. “So take heart, all you starving guitarists”.

In het voorjaar van 1942 overleed Charlie Christian op slechts 26 jarige leeftijd aan tuberculose.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 24 juli om 01:00 uur herhaald.

Teddy Charles 13 juli 2014 in  “All That’s Jazz”.

Dit keer een JazzProfiel van de op 13 april 1928 in Chicopee Falls geboren vibrafonist Theodore Charles Cohen.

Teddy Charles, zoals zijn artiestennaam luidt, is mag je gerust stellen een nog levende legende. Tot november 2008 was hij vreemd genoeg nog nooit eerder naar Nederland gekomen.

 

Die maand kwam Teddy Charles dus voor het eerst naar Nederland ter gelegenheid van de presentatie van het boek ‘Leidse Jazz Geschiedenis’ van Cees Mentink en ook verzorgde Teddy Charles een eenmalig optreden met een tentet voor de uitvoering van zijn bekendste compositie: ‘Word From Bird’.

 

Teddy Charles oogde nog kwiek voor zijn gevorderde leeftijd. Er zijn weliswaar lange periodes geweest waarin hij niets met de muziekbusiness te maken wilde hebben, maar sinds kort staat muziek in zijn leven weer centraal. Hij heet dus eigenlijk Teddy Charles Cohen, maar het was nota bene een joodse clubeigenaar in Chicago die hem vertelde dat een dergelijke naam niet lekker in het gehoor lag voor een musicus, zodat zijn tweede naam hierop gepromoveerd werd tot achternaam.

 

Aan saaie, fantasieloze muziek heeft Teddy Charles een hekel. Hij wilde in zijn jonge jaren eigenlijk drummer worden en ook studeerde hij piano aan The Juilliard School Of Music. Devibrafoon kwam er pas later bij, toen Teddy Charles pianist wilde worden met als tweede instrument de vibrafoon. Gelukkig maar want als vibrafonist viel Teddy Charles meer op.

 

Tijdens een tournee met Benny Goodman in 1948 deed hij als jonge musicus veel ervaring op, maar ook heeft zijn ervaring op piano ervoor gezorgd dat Teddy Charles een geheel eigen stijl kon ontwikkelen, zoals het harmonische spel met de 4 stokken, bij vibrafoon mallets genoemd. Eigenlijk raar vindt Teddy Charles dat de vibrafoon zo’n grote rol in de jazz ging spelen, want we waren maar met een handje vol: Lionel Hampton, Red Norvo, Milt Jackson en ikzelf. 

 

Midden jaren zestig stapte Teddy Charles uit de muziek, temeer de rockmuziek alles ging domineren en het als jazzmuzikant steeds vervelender in de muziek werd. Door toeval is hij af en toe teruggekeerd op de muziekscene, eerst in 1983 met pianist Harold Danko en nu lijkt Teddy Charles voorgoed te zijn teruggekeerd. Mede doordat Martin Rhode hem in contact heeft gebracht met het Walter Wolff Trio, waarmee hij in het Amsterdamse Bimhuis heeft opgetreden.

 

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 17 juli om 01:00 uur herhaald.

Sonny Stitt 6 juli 2014 in  “All That’s Jazz”.

Sonny Stitt (1924-1982) was een Amerikaanse jazzsaxofonist uit de bebop periode. Met zijn meer dan honderd albums was hij één van de productiefste saxofonisten.

Sonny werd geboren in Boston (Massachusetts) op 2 februari 1924. Zijn eerste opnamen dateren uit 1945, met Stan Getz en Dizzy Gillespie. Hij deed ervaring op met het spelen in diverse swingbands, maar over het algemeen speelde hij voornamelijk in bebop groepen.

Sonny speelde van 1945 tot 1949 altsaxofoon in Billy Eckstine's bigband, naast toekomstige beboppioniers als Dexter Gordon en Gene Ammons. Vanaf dat moment begon hij met meer regelmaat ook de tenorsaxofoon te bespelen. Later speelde hij lange perioden met Gene Ammons en Bud Powell.

Toen Stitt de tenorsaxofoon opnam, leek het alsof hij hiermee tegen sommige kritieken wilde ingaan dat hij het jazz-genie Charlie Parker wilde nabootsten. Hij was niet de enige die zich aan de invloed van Parker wilde ontworstelen: toen altsaxofonist Gene Quill werd bekritiseerd door een jazzcriticus omdat zijn stijl te dicht zou aanleunen tegen die van Charlie Parker antwoordde hij vinnig: ‘You try imitating Charlie Parker!’ (Probeer het maar eens om te spelen als Charlie Parker!) Sonny begon dan ook een meer onderscheidend geluid op zijn tenor te ontwikkelen. Hij speelde met andere bopmuzikanten als Bud Powell en Eddie "Lockjaw" Davis, een tenorsaxofonist met een in vergelijking met Stitt veel ruwere toon.

Dit deed hij in de jaren '50 en ook nam hij een aantal albums op voor het Prestige Recordslabel, en andere albums voor Argo en Verve & Roost. Van het spel van Stitt wordt gezegd dat het op deze zeldzame albums op zijn hoogtepunt is. Sonny experimenteerde met Afro-Cubaanse jazz in de latere jaren '50, en de resultaten zijn te vinden op zijn opnamen voor Verve en Roost, waarop hij samenwerkte met Thad Jones en Chick Corea voor de Latijns-Amerikaanse versies van klassiekers als ‘Autumn Leaves’.

Stitt werkte kortstondig samen met Miles Davis in 1960 op het album ‘Live at Stockholm’, met als verdere bezetting Wynton Kelly en Jimmy Cobb. Miles ontsloeg Sonny echter vanwege zijn drankprobleem, en verving hem door een andere tenorsaxofonist: Hank Mobley.

Stitt bewees later in de jaren 60 eer aan een van zijn grote voorbeelden, Charlie Parker, op het album ‘Stitt Plays Bird’, waaraan ook Jim Hall op gitaar meewerkte. Sonny wilde zich gaan begeven in de soul jazz en nam daarom het later in 1964 het bejubelde album ‘Soul People’ met Brooker Ervin op. Sonny zou ook opnames maken met Duke Ellington en Paul Gonsalves in de jaren ‘60.

In de jaren zeventig vertraagde Stitt de productie van albums en in 1972 bracht hij opnieuw een klassieker uit: ‘Tune Up’, wat zijn beste album was en nog steeds is volgens veel jazzcritici. Zijn vurige en levendige solospel doet namelijk behoorlijk sterk denken aan zijn vroegere spel.

Volgens Stitt zelf zakte hij nooit af qua niveau. Hij deed mee aan ‘Giants of Jazz’ op enkele albums voor het Mercury label, en nam sessies op voor Cobblestone en andere labels. In 1982 werd Stitt getroffen door een hartaanval, en hij overleed op 22 juli van datzelfde jaar. Hoewel zijn spel eerst vrij heavy was, dankzij de inspiratie door Charlie Parker en Lester Young, ontwikkelde Stitt uiteindelijk toch zijn eigen stijl, enigszins beïnvloed door John Coltrane. Sonny was bijzonder effectief met blues en ballad stukken als ‘Skylark’.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 10 juli om 01:00 uur herhaald.

Lester Young 29 juni 2014 in  “All That’s Jazz”.

Ik het genoegen om dit keer de carrière te belichten en de muziek te presenteren van tenorsaxofonist Lester Young die in augustus 1909 in Woodville (Mississipi) als Lester Willis Young werd geboren.

Lester Young is de geschiedenis in gegaan om zijn subtiele speelstijl vol lichte, soepele en soms zeer subtiele fraseringen, en hij heeft hiermee een grote invloed gehad op het spel van latere saxofonisten, onder wie veel blanken.

Hij groeide op in New Orleans als een zoon van een musicus die tournees maakte met minstreel shows, en nam op den duur zijn kinderen mee, onder wie Lester en diens broer drummer Lee Young.

 

De eerste voorbeelden voor Lester Young waren de blanke Chicago-saxofonisten Bud Freeman en Frankie Trumbauer, met een sterk onderkoelde toon en met nauwelijks een vibrato, die hij zoveel mogelijk trachtte te imiteren.

In het begin werd Lester Young door collega’s nogal argwanend bekeken, vooral door zijn lichte geluid, dat totaal niet paste in de “hot”-opvattingen van de zwarte tenoristen uit die tijd.

Daar kwam bij dat Lester Young een weinig spraakzame persoon was en zich wat deftig kleedde, kortom een musicus op wie niemand vat had.

 

Lester Young begon zijn carrière door te spelen in de orkesten van o.a. King Oliver, Walter Page (en dat waren de Blue Devils), Benny Moten, Fletcher Henderson, Andy Kirk en Count Basie. Lester Young werd overigens uit het orkest van Fletcher Henderson gezet omdat de andere musici het “heavy” geluid van bijvoorbeeld een Chu Berry prefereerden. Met een kleine formatie o.l.v. Count Basie maakte hij in 1936 zijn eerste, inmiddels beroemd geworden opnamen, waarop hij een rijkdom aan ideeën aan de dag legde. Ze kwamen met een weinig nadrukkelijke, bijna achteloze timing uit zijn instrument, dat hij soms bijna horizontaal voor zich hield.

In de daarop volgende 10 jaar heeft Lester Young een stempel gedrukt op de verdere ontwikkeling van de speelstijl met de tenorsaxofoon.

 

Voor velen viel vooral Lester Young’s lichttonige en transparant aandoende spel op met zijn melodieuze improvisatielijnen, waarin op vernuftige wijze periodes van stilte werden verweven.

Lange, elegante frasen werden afgewisseld door riff-achtige passages en ritmische variaties in verschillend timbre op één toon, die ook in zijn befaamde composities: “Jumping With Symphony Sid” en “Gigantic Blues” te vinden zijn.

 

Vergeleken met de barokke en extraverte voordracht van de erkende tenorkoning uit die tijd: Coleman Hawkins, was die van Lester Young het tegendeel van overdaad.

Het verschil in ritmische opvattingen tussen deze 2 is door Martin Schouten beschreven in zijn boek “Billie And The President”. De titel van dit boek verwijst naar de intieme vriendschap tussen Lester Young en zangeres Billie Holiday, die hem de bijnaam President gaf, afgekort tot Pres.

 

Coleman Hawinks accentueerde in zijn spel de eerste en derde tel, maar Lester Young verplaatste zijn accenten steeds met net het effect van de naald die een groef overspringt en vaak iets na de tel.

Dat luid trekken aan het metrum en het verspringen van het accent gaf een veel grotere ritmische spanning. Dat de stijl van Lester Young school heeft gemaakt, wordt bewezen door een legertje van blanke saxofonisten, dat rond 1950 opkwam: de tenorsaxofonisten Stan Getz, Al Cohn, Brew Moore, Alan Eager, Warne Marsh, Jimmy Giuffre en de altsaxofonisten Lee Konitz en Art Pepper.

Maar ook in het spel van zwarte collega’s als Dexter Gordon, Wardell Gray en James Moody valt zijn invloed te ontdekken.

 

Door drugs en alcoholgebruik vertoonde het spel van Lester Young in de jaren ’50 een kwalitatief sterk wisselend niveau dat blijkt uit opnamen met allerlei bezettingen, waaronder de sterrenformatie Jazz At The Philharmonic.

Tijdens zijn Nederlandse concerten in 1956, met Miles Davis trompet, pianist René Utreger, contrabassist Pierre Michelot en Christian Garros op drums was Young’s toch al spaarzame notenkeuze tot een bedroevend minimum gereduceerd.

Lester Young, onbereikbaar voor zijn omgeving en nog slechts een schaduw van de muzikale persoonlijkheid die hij jaren eerder was, overleed in augustus 1959 op slechts vijftigjarige leeftijd.  

Deze uitzending wordt donderdagnacht 3 juli om 01:00 uur herhaald.

  

Philly Joe Jones 22 juni 2014 in  “All That’s Jazz”.

  

Hij werd als Joseph Rudolph Jones in 1923 geboren in Philadelphia en is vooral bekend geworden door zijn aandeel, naast contrabassist Paul Chambers, in het kwintet en sextet van trompettist Miles Davis gedurende de gehele tweede helft van de jaren vijftig.

Philly Joe Jones was ruim 10 jaar actief als drummer, toen Miles Davis, met wie hij al veel los werk had gedaan en enige platenopnamen had gemaakt, hem in 1955 als vaste drummer aannam.

Na in het leger gediend te hebben, verhuisde Philly Joe Jones in 1947 naar New York en werd freelance en huisdrummer in ‘Café Society’ en speelde met allerlei bebop-pioniers, zoals Charlie Parker, Dizzy Gillespie en Fats Navarro.

In zijn geboorteplaats Philadelphia, waarvan zijn bijnaam Philly is afgeleid, speelde hij met onder andere de tenorsaxofonisten Benny Golson en Jimmy Heath en trompettist Clifford Brown.

In Washington begeleidde hij o.a. Ben Webster, Joe Morris, Tiny Grimes en Lionel Hampton.

 

In New York heeft Philly Joe Jones ook lessen genomen bij Cozy Cole, die door hem als: ‘een van de beste leraren die ik ook gehad heb’ indertijd is getypeerd.

Componist en arrangeur Tadd Dameron schreef in 1953 speciale composities voor hem, zoals: ‘Theme Of No Repeat’, ‘Look, Stop And Listen’ en ‘Philly J.J.’, waarin de drummer een centrale rol kreeg toebedeeld, maar zich ook kon manifesteren als een stuwend en voortdurend inspirerend begeleider van de solisten, onder wie Clifford Brown en Benny Golson.

 

In bijna alle, door Philly Joe Jones gespeelde nummers, is goed te horen wat een enorme drive hij op zijn bekkens wist te combineren met steeds weer verrassende accenten op alle andere onderdelen van zijn drumstel, waarmee hij de indruk wekte dat zijn vier ledematen in hun polyritmiek volkomen onafhankelijk van elkaar werkten.

Ondanks de vinnigheid van zijn tikken, klappen, rimshots en roffels behield zijn spel de natuurlijke souplesse die ook bij zijn voorganger Kenny Clarke te bespeuren valt.

 

Voor veel solisten is de stijl van spelen van Philly Joe Jones, een opwindende ervaring geweest om met hem op te treden.

Miles Davis vertelde in zijn autobiografie: ’Philly Joe lanceerde ons als het ware, met die onwijze dingen die hij speelde, hij hitste ons op met van die slimme ‘hip-de-hip’-tikken op de rand van zijn snaredrum, van die gemene ‘Philly-licks’. Man, dat was zo godvergeten goed’.

Na zijn periode bij Miles Davis ging Philly Joe Jones, een man met een grillige en rusteloze natuur die het met afspraken niet altijd even nauw nam doordat hij te kampen had met drugsproblemen, opnieuw als free-lancer aan de slag. Hij gaf in de moeilijke tweede helft van de jaren zestig drumles in Londen en Parijs, waar hij van 1967-1972 woonde en hier heeft hij opnamen gemaakt met avant-garde musici zoals o.a. tenorsaxofonist Archie Shepp.

 

Terug in Philadelphia hervatte Philly Joe Jones het werk uit het begin van zijn loopbaan: het in diverse clubs als een soort huisdrummer begeleiden van gastsolisten. Ook leidde hij een fusion groep ‘Le Grand Prix’ en ging toeren in 1976 met pianist Bill Evans, ook werkte hij met pianist Red Garland, die hij nog van de Miles Davis-tijd kende.

Door toedoen van Europese vrienden en relaties, onder wie onze eigen pianist Cees Slinger, kon hij nog diverse malen de oceaan oversteken. Ook heeft hij als spil gewerkt in de negen mans formatie Dameronia, waarmee de muzikale erfenis van Tadd Dameron in ere werd gehouden. Maar eigenlijk is in werkelijkheid alles dat Philly Joe Jones na de periode bij Miles Davis  te omschrijven als een anticlimax. Philly Joe Jones, die aan keelkanker leed, overleed in september 1985 op 62 jarige leeftijd in zijn geboorteplaats Philadelphia.

  

Deze uitzendingen worden donderdagnacht 26 juni om 01:00 uur herhaald.

  

Lars Gullin 15 juni 2014 in  “All That’s Jazz”.

De Zweedse baritonsaxofonist Lars Gullin, werd als Lars Gunnar Victor Gullin op 4 mei 1928 geboren in Sanda, Gotland en stierf op 17 mei 1976, op 48-jarige leeftijd in Vissefjarda in Zweden.

Deze Zweedse jazz-baritonsaxofonist was soms ook actief als pianist en componeerde zijn muziek in de stijl van de Amerikaanse cool-jazz met een volle muziektoon en een licht geluid, dat ongewoon is voor de baritonmuziek.

 

De muzikale belangstelling van de jonge Lars Gullin, begon met het bespelen van de accordeon. Hierna startte hij met het bespelen van de klarinet en later leerde hij de altsaxofoon te bespelen.

 

Toen Lars Gullin in 1947 naar Stockholm was verhuisd, startte hij zijn muzikale carrière als pianist. Oorspronkelijk had hij een klassieke carrière voor ogen en kreeg hij pianoles van Sven Brandel.

Toen Lars Gullin, in 1949 door een toeval de bariton-positie kon innemen in Seymour Osterwall’s band, was dit voor de jonge Lars voldoende aanleiding om te besluiten dit instrument, met zijn vele diverse uitingsmogelijkheden, definitief te gaan uitkiezen.

Dit besluit werd nog sterker bevestigd, nadat Lars Gullin baritonsaxofonist Gerry Mulligan voor de eerste keer hoorde excelleren in de ‘Birth of the Cool’ opnamen.

 

Lars Gullin ging vanaf 1951, voor twee jaar deel uitmaken van het septet, dat onder leiding stond van altsaxofonist Arne Domnérus en co-leider trompettist Rolf Ericson.

Voornamelijk werd er opgetreden in ‘Nalen’, een belangrijke dansgelegenheid in Stockholm.

Gelijktijdig begon Lars Gullin te werken met Amerikaanse musici die Zweden bezochten. Hij nam in deze periode platen op met James Moody, Zoot Sims en Clifford Brown. Ook werkte hij voor de eerste keer in 1951 samen met altist Lee Konitz, een samenwerking die verschillende keren herhaald werd in de jaren die zouden volgen.

 

In 1953 vormde Lars Gullin zijn eerste eigen groep. Waarschijnlijk is het ook de enige groep die hij leidde. Het korte bestaan van deze groep, werd veroorzaakt door Gullin’s betrokkenheid bij een auto-ongeluk, waarbij gelukkig niemand ernstig gewond raakte.

Het volgende jaar 1954, won Lars Gullin de prijs van de beste nieuwkomer in de Verenigde Staten, uitgesproken door het Down Beat Magazine, nadat er in maart 1953 10’’ LP’s uitgebracht werden van Zweedse sessions op Contemporary Records. Deze platen zijn in America uitgebracht door Atlantic Records.

 

Vanaf oktober 1955 toerde Lars Gullin met trompettist Chet Baker diverse malen naar verschillende Europese landen, maar het was diezelfde Lars Gullin die op 21 oktober van datzelfde jaar pianist Dick Twardzik dood aantrof in een hotelkamer in Parijs, ten gevolge van een overdosis heroïne.

Zijn eigen carrière werd overigens ook overschaduwd door drugsgebruik, zelfs zodanig dat hij aan het einde van 1958 uitgeschakeld werd door drugsziektes.

Maar in 1959 was Lars Gullin weer actief in Italië, waar hij opnieuw met Chet Baker optrad en o.a. met altist Flavio Ambrosetti, met wie Gullin ook radio-opnamen maakte in Lausanne Zwitserland.

 

In de jaren ’60 werkte Lars Gullin voornamelijk met vooraanstaande Amerikaanse musici, waaronder Archie Shepp, met wie hij in 1963 platen opnam. Een van Lars Gullin’s laatste opnamen was de ‘Aeros Aromatic Atomica Suite’ die in 1973 op de plaat werd uitgebracht.

 

Lars Gullin stierf aan een hartaanval, ten gevolge van zijn langdurige methadon-gebruik.

Tenorsaxofonist Gianni Basso nam in 2002 een album op, geheel gewijd aan composities van Lars Gullin, getiteld: ‘For Lars Gullin, A Swedish Genius’.

 

Lars Gullin’s zoon Peter (1959-2003) bespeelde ook de baritonsaxofoon, waarvoor Lars indertijd de compositie: ‘Peter of April’ schreef. De klassieke tune ‘Danny’s Dream’ werd opgedragen aan zijn zoon Danny en ‘Gabriella’ werd opgedragen aan zijn dochter Gabriella Gullin, die zelf componiste en dirigente is. Een muzikale familie dus!    

 

Deze uitzendingen worden donderdagnacht 19 juni om 01:00 uur herhaald.

Hank Jones 8 juni 2014 in  “All That’s Jazz”.

De Amerikaanse jazzpianist Hank Jones werd op 31 juli 1918 in Vicksburg, Mississippi geboren en is op 16 mei 2010 in New York City overleden. Hij is dus 91 jaar oud geworden.

Hank Jones groeide op in Pontiac, Michigan en leerde op vroege leeftijd piano spelen. Jones kwam onder de muzikale invloed van Earl Hines, Fats Waller, Teddy Wilson en Art Tatum. Op zijn dertiende trad hij op in de staten Michigan en Ohio. Tijdens optredens met lokale bands in Grand Rapids en Lansing, ontmoette hij Lucky Thompson, die hem in 1944 uitnodigde om naar New York te komen, om te werken in de ‘Onyx Club’ met Hot Lips Page.   

In New York luisterde Jones regelmatig naar belangrijke bop-musici en werd zo geïnspireerd om deze stijl onder de knie te krijgen. Tijdens het oefenen en bestuderen van deze muziek, werkte hij samen met John Kirby, Howard McGhee, Coleman Hawkins, Andy Kirk en Billy Eckstine. In de herfst van 1947 maakte Hank Jones deel uit van de bezetting van Norman Granz’ Jazz at the Philharmonic concerten en van 1948 tot 1953 was hij de begeleider van Ella Fitzgerald. Gedurende deze periode maakte hij ook meerdere historisch belangrijke opnames met Charlie Parker voor Norman Granz’ platenlabels.

Met een bijzondere combinatie van talenten zoals sterk kunnen soleren, gevoelig kunnen begeleiden en bedreven ‘a prima vista’ kunnen lezen, is Jones altijd vaak gevraagd voor allerlei soorten opnamesessies en is te horen op duizenden albums. Hank Jones is een broer van twee andere jazzlegendes: drummer Elvin Jones en orkestleider-trompettist Thad Jones.  

Na meerdere jaren als een freelancemuzikant gespeeld te hebben, waaronder samenwerkingen met Artie Shaw en Benny Goodman, en opnames met artiesten zoals Lester Young, Milt Jackson, Cannonball Adderley en Wes Montgomery, kreeg Jones van 1959 en 1976 een hoge functie bij Columbia Records. Door zijn medewerking als pianist en orkestleider aan de Broadwaymusical Ain't Misbehavin' (gebaseerd op de muziek van Fats Waller), kreeg Jones eind jaren zeventig meer bekendheid onder een groter publiek.

Eind jaren zeventig en in de jaren tachtig bleef Jones veel opnemen, als solist zonder begeleiding, als onderdeel van een duo met andere pianisten, zoals John Lewis en Tommy Flanagan, en met diverse kleinere ensembles, waarvan het meest opmerkelijke het ‘Great Jazz Trio’ was. Deze groep kende door de jaren heen verschillende samenstellingen met o.a. drummer Tony Williams, bassist Eddie Gomez plus de drummers Al Foster en Jimmy Cobb. In het begin van de jaren tachtig was Jones te horen als solo pianist in het New Yorkse Café Ziegfeld en maakte hij een tournee door Japan, waar hij optrad en opnames maakte met George Duvivier en Sonny Stitt.

Hank Jones leefde in het noorden van de staat New York, maar had op het einde van zijn carrière nog steeds een uitzonderlijk vol programma. In 2006 en 2007 trad hij op met zangeres Roberta Gambarini. Een van zijn opnamen uit 2006 is de plaat ‘West of 5th’, waarop hij met Christian McBride en Jimmy Cobb te horen is. In 2009 kreeg Jones de ‘Grammy Lifetime Achievement Award’. Kort erna speelde hij op het Haagse jazzfestival ‘The Hague Jazz’.

 
Deze uitzendingen worden donderdagnacht 12 juni om 01:00 uur herhaald.

 “All That’s Jazz” Art Blakey uitzending 1 juni 2014.

MET IN HET EERSTE UUR:

JAZZ GEDRAAID VOLGENS:

 ‘HET ESTAFETTE-FORMAT’

 
& IN HET TWEEDE UUR

HET JAZZPROFIEL VAN:

·         11 mei trombonist J.J. Johnson

·         18 mei contrabassist Charlie Haden

·         25 mei vibrafonist Gary Burton

·           1 juni drummer Art Blakey

 
Deze uitzendingen worden donderdagnacht om 01:00 uur herhaald.

 Phineas Newborn Jr. 27 april  2014  in “All That’s Jazz”.

Phineas Newborn Jr. werd op 14 december 1931 geboren en overleed op 26 mei 1989.
Hij was tijdens zijn carrière één van de meest technisch onderlegde en briljante pianisten in de jazz, maar toch blijft Phineas Newborn een beetje een mysterie. Geplaagd door mentale en fysieke problemen, verdween Newborn van het toneel in het midden van jaren '60, en dat deed hij meermaals en met onregelmatige tussenpozen tijdens zijn hele leven.

Phineas Newborn kan worden vergeleken met Oscar Peterson, echter zijn op de bebop gebaseerde stijl was grotendeels niet te classificeren, zijn techniek was fenomenaal en hij was heel goed in staat zijn publiek te boeien o.a. door een volledig nummer met alleen zijn linkerhand te spelen.

Phineas Neborn begon te werken in Memphis in R & B-bands samen met zijn broer én gitarist Calvin.
Zij gingen begin van de jaren ’50 spelen met diverse lokale spelers, waaronder B.B. King en ook korte perioden met Lionel Hampton en Willis Jackson volgden, voorafgegaan door een periode in het leger (1952-1954).
Na zijn verhuizing naar New York in 1956, verbaasde Phineas Newborn Jr. fans en critici met zijn fenomenale spel in de bands van o.a. Charles Mingus en Roy Haynes. Hierna ging Newborn eigen trio’s en kwartetten leiden.

Helaas is de ontwikkeling van Newborn na het midden van de jaren '60, ondanks opnames voor de platenlabels Atlantic, Pablo en Philips scherp gedaald.
Hoewel hij nog steeds sterk klonk tijdens concerten, is de pianist in de vergetelheid geraakt.
Het grootste deel van zijn periode in Memphis, was hij een inspiratie voor veel jonge pianisten waaronder James Williams, Harold Mabern, Mulgrew Miller, Donald Brown, en Geoff Keezer. Gelukkig is er een behoorlijk aantal albums beschikbaar gebleven van deze nog steeds inspirerende Phineas Newborn Jr.
 
Deze uitzending wordt donderdagnacht 1 mei 2014 om 01:00 uur herhaald.

Benny Carter 20 april  2014  in “All That’s Jazz”.

Bennett Lester Carter werd in 1907 in New York geboren en is op 13 juli 2003 op 95-jarige leeftijd overleden en daarmee is één van de laatste grote jazzmuzikanten uit de bigband-periode en uit de grote solistentraditie heengegaan.
Na een buitengewoon actief leven, dat maar liefst bijna 80 jaar omvatte, is Benny Carter vooral het bekendst geworden als altsaxofonist.
Bij hem dan ook niets van de zaken die helaas de jazzwereld zo vaak negatief kleuren: geen drugs, geen drank en vooral geen kapsones. Hij bezat een gesoigneerde bescheidenheid, die ook iemand als pianist Teddy Wilson kenmerkte.

Op een indrukwekkend aantal Amerikaanse en Europese albums is Benny Carter’s transparante geluid verwerkt in melodieuze improvisaties vol krullerige versieringen.
In 1928 richtte hij zijn eerste eigen orkest op, nadat hij met veel andere musici had samen gespeeld. Maar ook werkte hij zelfs jarenlang als taxichauffeur omdat de muziek hem in eerste instantie niet genoeg geld opbracht om zijn gezin te onderhouden.
Hij is weliswaar vijf maal getrouwd, maar ondanks dat is het toch onvoorstelbaar voor iemand met zijn grote talent, dat deze bijverdienste nodig bleek.
Behalve op de alt was Benny Carter ook een meester op de klarinet en alle ‘leden van de saxofoonfamilie’.

Bijzonder aan Benny Carter was niet alleen zijn instrumentale beheersing, maar ook zijn grote meesterschap op trompet en zelfs de trombone wilde hij nog wel eens ter hand nemen. Verder was hij een uitstekende pianist en verwierf natuurlijk veel roem onder zijn medemuzikanten met zijn fijnzinnige arrangementen, waarin de saxgroep een voorname rol kreeg toebedeeld.
Carter’s formele muziekopleiding was misschien niet zo indrukwekkend, maar zijn aangeboren muzikaliteit en inzichten des te meer. Voor de mensen om hem heen leek het alsof hij elk instrument dat hij maar aanraakte ook meteen kon bespelen.

Al op 19-jarige leeftijd was Benny Carter fulltime prof en twee jaar later nam hij de leiding over van de band van Horace Henderson, de broer van Fletcher.
Tijdens een langdurig verblijf in Europa werkte hij in Scandinavië, bij de BBC in Engeland, in Frankrijk in Parijs als orkestleider van de nachtclub ‘Boeuf sur le Toit’ en in Nederland als solist bij The Ramblers.
Ook maakte Benny Carter in 1937, spelend op de klarinet, in Parijs enkele swingende opnamen met gitarist Django Reinhardt.

Als muzikaal organisator heeft Benny Carter in de jaren veertig in New York veel groepen onder zijn hoede gehad en genoot onder de kenners ook grote faam vanwege zijn arrangementen voor bijna elke belangrijke jazzzanger uit zijn tijd, van Louis Armstrong en Frank Sinatra tot Billie Holiday, Ella Fitzgerald en Sarah Vaughan.
Benny Carter vestigde zich aan de Amerikaanse westkust, waar hij een veel gevraagde componist, arrangeur en dirigent werd in de wereld van de film en televisie.
Tussendoor maakte hij, als onverstoorbaar mainstream-stilist met een elegante, soms bijna laconieke manier van spelen, wereldtournees met de door Norman Granz georganiseerde ‘Jazz at the Philharmonic’ concerten.

Op hoge leeftijd werd Benny Carter opnieuw actief als speler.
Tijdens het North Sea Jazz Festival van 1987 ontving hij in Den Haag terecht de Bird Trofee.
In zijn 81e levensjaar bewees hij zijn klasse als uitvoerend musicus en arrangeur, vooral door zijn werk op het album: ‘Over The Rainbow’ voor The Benny Carter All Star Sax Ensemble.
 
Deze uitzending wordt donderdagnacht 24 april 2014 om 01:00 uur herhaald.

All That's Jazz  13 april  2014  in “All That’s Jazz”.

MET IN HET EERSTE UUR JAZZ GEDRAAID VOLGENS:
HET ESTAFETTE-FORMAT’
& IN HET TWEEDE UUR:
"SPRING SWING" MET NUMMERS DIE IN HUN TRACKNAAM
"SPRING" HEBBEN STAAN.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 17 april 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

Lennie Tristano  6 april  2014  in “All That’s Jazz”.

 

Het muzikale oeuvre van de in 1919 in Chicago geboren pianist, componist en pedagoog Leonard Joseph Tristano is samen te vatten binnen één specifieke jazzstijl van rond 1950, namelijk de ‘cool jazz’. Tristano’s blindheid, al vanaf zijn negende levensjaar, vormde voor hem geen enkel beletsel om een vakopleiding in de klassieke muziek te volgen. In 1943 wist hij dan ook zijn einddiploma compositieleer te ontvangen aan het conservatorium van zijn geboortestad Chicago.

Lennie Tristano bespeelde in eerste instantie, naast zijn vertrouwde piano, ook in dansorkesten diverse blaasinstrumenten, zoals de tenorsax en de klarinet. Kort na zijn conservatoriumstudie werd Lennie Tristano muziekdocent. Onder zijn eerste leerlingen bevonden zich altsaxofonist Lee Konitz en trombonist en latere componist Bill Russo. Gitarist Billy Bauer en contrabassist Arnold Fishkin maakten ook deel uit van het Lennie Tristano Trio dat op de plaat werd vastgelegd in New York waar zich een ware kring van discipelen om Lennie Tristano ging vormen.

Beroemd zijn de sextetopnamen met gitarist Billy Bauer, altsaxofonist Lee Konitz en tenorsaxofonist Warne Marsh, waarmee de stroming van de cool jazz werd gedefinieerd.Tristano’s pianospel onderscheidde zich door vingervlugheid en vooral door een steeds weer verrassende timing van de rechterhand, waarbij accenten en frases niet op voor de hand liggende maatdelen werden geplaatst maar één of meer tijdseenheden ervoor of erna.

Lennie Tristano paste in 1955 de later ontwikkelde cool jazzstijl toe met een op band opgenomen ritmesectie, waarbij hij de akkoorden van de linkerhand wegliet.Een uiterste consequentie hiervan waren zijn solo-opnamen uit 1962 met een lopende baslijn gespeeld door zijn linkerhand. Voorvechters van de zogenaamde pure jazz, die volgens hen vrij moest zijn van intellectueel gedoe, bekritiseerden Lennie Tristano om het onderdrukken van warmte en expressiviteit, althans dat vonden zij. De term cool jazz spreekt in dit verband boekdelen, vooral omdat Tristano bassisten en drummers in ritmisch opzicht slechts de mechanische functie van een metronoom lijkt te geven. Aanvankelijk trad Tristano nog slechts sporadisch op, en na 1965 verschanste hij zich in zijn woning annex studio in New York, waar hij alleen nog studeerde, opnamen maakte en les gaf. Leerlingen van de als kluizenaar levende Lennie Tristano, raakten in zijn ban en konden zich daar nauwelijks meer van losmaken.

De trompettist Sy Platt heeft hierover in het blad ‘Jazz Nu’ gezegd: “Wij beschouwden hem als een genie, als de meest vooruitstrevende musicus van zijn tijd.Ik verafgoodde hem dusdanig, dat ik dacht dat hij de antwoorden wist op alle problemen in de wereld”.

Lennie Tristano stierf in 1978, dus op slechts 59 jarige leeftijd.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 10 april 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

Steve Swallow 30 maart  2014  in “All That’s Jazz”.

De Amerikaanse bassist én componist Steve Swallow werd op 4 oktober 1940 in Fair Lawn, New Jersey, geboren en is bekend geworden door zijn vele samenwerkingen met andere aansprekende musici. Steve Swallow is zelf ook een toonaangevende en daardoor veel gevraagde jazzbassist, vooral door zijn samenspel met rietblazer Jimmy Giuffre, vibrafonist Gary Burton en pianiste Carla Bley, met wie hij sinds de jaren ’80 een relatie onderhoudt.

Steve Swallow was één van de eerste bassisten, die zijn contrabas inruilde voor de elektrisch versterkte basgitaar, die hij op een elegante gedistingeerde wijze bespeelt.Als jongetje leerde hij allereerst de piano en de trompet bespelen, maar hij schakelde op 14-jarige leeftijd over naar de contrabas. Zittend nog op de lagere school, begon de jonge Steve met het improviseren op jazzmuziek.Toen Steve Swallow 20 jaar oud was, verliet hij de Yale Universiteit, waarop hij compositieleer studeerde en hij verhuisde hij naar New York City.

Hier ging hij spelen in het Jimmy Giuffre Trio en ook werkte hij samen met pianist Paul Bley. Na een samenwerkingsperiode in de groep van trompettist Art Farmer, begon Steve Swallow zich op het componeren te richten. In diezelfde periode startte Swallow een langdurige samenwerking met vibrafonist Gary Burton, overigens in verschillend samengestelde groepen.Begin jaren ’70 switchte Swallow definitief over op de elektrisch versterkte basgitaar, die hij met zijn 5 snaren ging prefereren boven de contrabas. Eigenlijk was Swallow, samen met Monk Montgomery en Bob Cranshaw, de eerste bassist die, mede door de aanmoediging van drummer Roy Haynes, binnen de jazz overstapte.

Steve Swallow speelt met een speciaal plectrum en in zijn stijl van spelen heeft hij solo’s in het hoge register opgenomen. Hij was een van de eersten die de hoge C-snaar op zijn basgitaar ging gebruiken.In de jaren 1974 tot 1976 doceerde Steve Swallow aan het beroemde Berklee College Of Music. Vaak is er gespeculeerd dat Steve Swallow beïnvloed zou zijn door het zogeheten ‘Real Book’, dat overigens een behoorlijk aantal eigen composities bevat. Leuk is te melden dat in december 1993  Steve Swallow ook een album onder diezelfde naam bij ECM Records heeft uitgebracht.Vanaf 1978 vormt Steve Swallow een essentieel lid en constante factor in de Carla Bley band.  Daarnaast toerde Steve Swallow, in diezelfde periode, regelmatig samen met gitarist John Scofield.

In de jaarlijkse Down Beat Polls heeft Steve Swallow in de categorie ‘elektrische bas’, sinds midden jaren ’80, deze jaarlijks gewonnen. Zowel door de jazzcritici als door de lezers van dit toonaangevende jazzblad gekozen! Veel van Steve Swallow’s composities zijn ook gespeeld én opgenomen door musici als gitarist Jim Hall, de pianisten Bill Evans en Chick Corea, tenorsaxofonist Stan Getz en de eerder genoemde vibrafonist Gary Burton.  

Dit keer dus een mooie gelegenheid, om een JazzProfiel aan deze bescheiden ogende en vaak buitengewoon ingetogen en origineel spelende Steve Swallow in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 3 april 2014 om 01:00 uur herhaald.

Booker Ervin 23 maart  2014  in “All That’s Jazz”.

Tenorsaxofonist Booker Ervin werd op 31 oktober 1930 in Denison, en dat ligt in de staat Texas, geboren. Als jongetje leerde hij trombone spelen via lessen die Booker van zijn vader ontving, die dit instrument zelf ook bespeelde in het orkest van Buddy Tate. Na zijn schoolopleiding, trad Booker Erving in dienst bij de luchtmacht en werd hij gestationeerd in Okinawa. In deze periode leerde Booker Ervin zichzelf de tenorsaxofoon te bespelen. Direct na zijn diensttijd in 1953, startte Booker Ervin een muzikale studie aan het Berklee College Of Music in Boston. Na het voltooien van zijn muzikale studie, verhuisde Booker Ervin in 1954 naar Tulsa, waar hij zijn carrière startte in de band van Ernie Fields.

Booker Ervin vertrok hierna naar New York en trad toe tot het kwartet o.l.v. pianist Horace Parlan. Met dit kwartet nam hij de Blue Note albums ‘Up & Down’ en ‘Happy Frame Of Mind’ op. Van 1956 tot 1963 ging Booker Ervin werken bij contrabassist Charles Mingus en nam een hele serie albums met deze aansprekende bassist op, waaronder het bekende ‘Goodbye Pork Pie Hat’, ‘Mingus Ah Um’, ‘Wednesday Night Prayer Meeting’, ‘Blues And Roots’, ‘Mingus At Antibes’ en ‘Mingus Mingus Mingus Mingus Mingus’.Tijdens de jaren ’60, begon Booker Ervin eigen groepen te leiden o.a. voor opnamen voor Prestige Records, met pianist Jaki Byard, bassist Richard Davis en Alan Dawson op de drums.  Later begon Booker Ervin ook albums voor Blue Note te maken en speelde van 1963 tot 1966 met pianist Randy Weston.

Diezelfde Randy Westen verklaarde: ‘Booker Ervin, is voor mij van hetzelfde hoge niveau als John Coltrane. Erving was een volledig origineel spelende saxofonist…hij was een echte meester op dit instrument. Het album ‘African Cookbook’, dat ik eind jaren ’60 componeerde, is naar Booker vernoemd, omdat wij als muzikanten hem altijd afgekort ‘Book’ noemden, vandaar dat wij vaak zeiden ’Cook, Book’. En zelfs tijdens het spelen schreeuwden wij vaak: ‘Cook, Book, Cook’. De sound en de melodie van dit ‘African Cookbook’ is geheel gebouwd en dus gecreëerd rond de sound van Booker Ervin, een geluid uit het noorden van Afrika.

Booker Ervin stierf in 1970 in New York, ten gevolge van een nierziekte. Hij is slechts 39 jaar oud geworden. Dit keer dus een mooie gelegenheid om een JazzProfiel aan deze kleurrijke en buitengewoon origineel spelende Booker Ervin in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden

Deze uitzending wordt donderdagnacht 27 maart 2014 om 01:00 uur herhaald.

 

Abdullah Ibrahim 16 maart  2014  in “All That’s Jazz”.

Jazzpianist en componist Abdullah Ibrahim werd op 9 oktober 1934 als Adolph Johannes Brand alias Dollar Brand in Cape Town, Zuid Afrika geboren. In de jaren 1950 en 1960 speelde Abdullah Ibrahim met altsaxofonist Kippie Moeketsi en cornettist Hugh Masekela in de groep ‘Jazz Epistles’ in Sophiatown en zij namen in 1960 het eerste jazzalbum op, gemaakt door zwarte Zuid Akrikaanse musici.

Hierna toerde Abdullah Ibrahim door Europa met de King Kong-musical. In 1962 verhuisde Abdullah Ibrahim samen met echtgenote Sathima Bea Benjamin naar Europa, waar zij in Zurich Duke Ellington ontmoetten, die tijdens een Europese tour speciaal naar St. Gallen in de ‘Africa Club’ kwam om het toen nog hetende Dollar Brand Trio te zien optreden. Na de show hielp de grote Duke bij een opname sessie voor Reprise Records voor het album: ‘Duke Ellington Presents The Dollar Brand Trio’ met echtgenote Sathima als vocaliste. Vreemd genoeg is deze plaat tot 1996 nooit eerder uitgebracht. Wel in 1996, maar toen met de titel: ‘A Morning In Paris’ onder Sathima Bejamins naam.

Het Dollar Brand Trio, met bassist Johnny Gertze en drummer Makaya Ntshoko heeft op veel Europese festivals opgetreden en heeft ook veel radio- en televisiewerk gedaan. De stijlgenres zijn te omschrijven als Zuid Afrikaanse jazz, bebop, post-bop en folk.In het midden van de jaren ’70 keerde Ibrahim kort terug naar Zuid Afrika, nadat hij bekeerd was tot de Islam en zijn naam definitief van Dollar Brand veranderde in Abdullah Ibrahim.

Hierna vertrok Ibrahim naar New York, waar hij duidelijk de politieke onderdrukking ervoer.In Zuid Afrika kreeg Abdullah Ibrahim de gelegenheid om een serie albums op te nemen, vaak met musici uit Cape Town, waaronder fluitist/saxofonist Basil Coetzee, altist Robbie Jansen en fluitist/tenorsaxofonist T.K. Blue. De stijl van deze albums leidden tot een nieuwe sound, die ook wel Cape Jazz wordt genoemd. Nummers als ‘Mannenberg’ in de Verenigde Staten ook wel ‘Capetown Fringe’ genoemd, ‘Black Lightning’, ‘African Herbs’ en ‘Soweto Is Where It Is At’, klinken en weerspiegelen de straten en townships van Zuid Afrika. ‘Mannenberg’ is zelfs uitgegroeid tot het onofficiële Zuid Afrikaanse volkslied en is in ieder geval ook de anti-apartheids tune geweest. Gedurende de jaren ’80 is saxofonist en fluitist Carlos Ward een belangrijke sideman voor Abdullah Ibrahim geweest, vooral in duo bezettingen.

Naast zijn frequente optredens, is Ibrahim ook de componist geweest van de muziek voor een aantal films, waaronder ‘Chocolat’ uit 1988 en ‘No Fear, No Die’ uit 1990.Na het beëindigen van de nare apartheidsperiode, leeft Abdullah Ibrahim in Cape Town en besteed zijn beschikbare tijd in het wereldwijde concert circuit, New York en Zuid Afrika.In 1989 nam Abdullah Ibrahim deel aan de Britse discussie serie ‘After Dark’ en ook werkte hij in 2002 mee aan de documentaire: ‘Amandla!: A Revolution In Four-Part Harmony’, waarin hij en anderen terugblikten op de apartheids periode.Abdullah Ibrahim heeft ook vele solo-optredens verzorgd, typische ononderbroken concerten met klassieke invloeden van oude marabi-muziek en van Ibrahims idolen als: Duke Ellington, Thelonious Monk en Fats Waller.

Daarnaast heeft Abdullah Ibrahim vaak in trio- en kwartet-samenstellingen opgetreden en opgenomen + in grotere samengestelde groepen.Sinds zijn terugkeer naar Zuid Afrika begin jaren ’90, is Abdullah Ibrahim ook regelmatig uitgenodigd voor optredens met symfonieorkesten, waarvan er één was tijdens de inauguratie van Nelson Mandela als president van Zuid Afrika.Abdullah Ibrahim stichtte in Cape Town de M7 Academie voor Zuid Afrikaanse musici en was in september 2006 de oprichter van The Cape Town Jazz Orchestra, een 18 hoofdige big band.Pianist Abdullah Ibrahim, bespeeld naast de piano, ook de saxofoon en cello en treedt nog erg vaak internationaal op, voornamelijk in Europa, Noord Amerika en in Japan.

Dit keer dus een mooie gelegenheid om een JazzProfiel aan deze kleurrijke en buitengewoon origineel spelende Abdullah Ibrahim in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 20 maart 2014 om 01:00 uur herhaald.

Randy Weston  9 maart  2014  in “All That’s Jazz”.

Randy Weston werd op 6 april 1926 geboren in Brooklyn, New York en is een Amerikaanse jazzpianist en componist, van Jamaicaanse afkomst.

Randy Weston werd door collega-pianiste Marian McPartland beschreven als: ’één van de grootste visionaire pianisten en componisten ter wereld’.Randy Weston groeide op in Brooklyn, waar zijn vader een restaurant bezat. Als kind startte hij met de klassieke pianostudie. Vervolgens studeerde hij af aan Boys High School in Bedford-Stuyvesant. Randy’s vader, een man met hoge normen, besloot dat zijn zoon daar van de beste leraren pianolessen moest kunnen gaan volgen.

Na zijn dienstplicht in het Amerikaanse leger, tijdens de Tweede Wereldoorlog gediend te hebben, ging Randy Weston veel van zijn pianohelden in restaurants en clubs beluisteren zoals: Count Basie, Nat King Cole, Art Tatum en Duke Ellington. Wynton Kelly was een neef van Randy Weston en Thelonious Monk had met zijn spel de grootste impact op de jeugdige Randy Weston.

De bijzondere speelstijl van Randy Weston is te danken aan Duke Ellington en Thelonious Monk, die hij dan ook op diverse voor hen geportretteerde albums hulde heeft betoond. Randy Weston bezit onderscheidende kwaliteiten, met zijn percussieve en erg ritmische speelstijl, die erg geschikt is om een breed scala aan stemmingen te kunnen produceren. Eind jaren ’40 begon de professionele carrière van Randy Weston in de groepen o.l.v. Bullmoose Jackson, Frank Culley en Eddie ‘Cleanhead’ Vinson. In 1953 werkte hij samen met trompettist Kenny Dorham en in 1954 met baritonsaxofonist Cecil Payne. Hierna begon Randy Weston eigen groepen te leiden, meestal in trio- en kwartetverband en zijn debuut-opname als leider vond in 1954 plaats met het album: ‘Cole Porter In A Modern Mood’. Direct het volgende jaar 1955, werd Randy Weston verkozen tot ‘New Star Pianist’ in Downbeat Magazine’s International Critics’ Poll.

Diverse fijne albums volgden, waarvan ‘Little Niles’ er duidelijk uitsprong. Tromboniste en arrangeur Melba Liston maakte excellente arrangementen van diverse door Randy Weston geschreven nummers, waaronder ‘Earth Birth’ en ‘Babe’s Blues’. Vanaf 1960 begon Randy Weston prominent Afrikaanse invloeden in zijn muziek te verwerken. Een mooi voorbeeld hiervan is de ‘Uhuru Afrika Suite’ en ‘Highlife’. Op beide albums werkte Randy Weston weer samen met arrangeur Melba Liston. Ook werkte Randy Weston samen met tenorsaxofonist Booker Ervin, die het door de Nigeriaanse componist Bobby Benson geschreven stuk ‘Niger Mambo’ bewerkte, met Caribbeaanse- en jazz-elementen in de Highlife stijl. Dit nummer werd vele malen door Randy Weston, tijdens zijn carrière, op diverse albums opgenomen.

In 1967 toerde Randy Weston met een Amerikaanse culturele delegatie door Africa, met een laatste stop in Marocco, waar hij besloot zich van 1967 tot 1972 te vestigen om zijn ‘African Rhythms Club’ in Tanger te gaan runnen. In 1972 volgde een doorbraak met het buitengewoon goed verkopende album: ‘Blue Moses’, waarop Randy Weston het elektrische keyboard bespeelde.

Vele, vele albums zouden volgen en ook een behoorlijke rij aan onderscheidingen en gewonnen muzikale prijzen. Een mooie gelegenheid dus om een JazzProfiel aan deze kleurrijke Randy Weston in ‘All That’s Jazz’ te gaan uitzenden.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 13 maart 2014 om 01:00 uur herhaald.

'ALL THAT'S JAZZ 14 JAAR  2 maart  2014  in “All That’s Jazz”.

14 JAAR ‘ALL THAT’S JAZZ’ (aflevering 728) MET EEN 2 UUR LANGE IN UP-TEMPO GEDRAAIDE BOEIENDE JAZZOMZWERVING DOOR ROLF’S  PLATENCOLLECTIE!!!

Gil Mellé  23 februari  2014  in “All That’s Jazz”.

Gil Mellé werd geboren in 1931 in Jersey City. Hij manifesteerde zich op jeugdige leeftijd al als muzikant en kunstschilder. Hij is op beide gebieden zeer talentvol en speelt al snel in de jazzclubs van Greenwich Village. Oorspronkelijk speelde hij tenorsaxofoon, maar na korte tijd werd de baritonsaxofoon zijn hoofdinstrument.

Niemand zal ontkennen dat de baritonsaxofoon solistisch gezien in de jazz een welhaast te veronachtzamen rol speelt. Sceptici spreken zelfs van een 'knorrend varken' en met de naamsbekendheid van belangrijke baritonsolisten valt het zwaar tegen.

Natuurlijk, Gerry Mulligan, wie kent hem niet en Harry Carney, die worden nog wel genoemd en gekend. Maar daar houdt het toch wel mee op. Om tot een uitgebreider lijstje te komen moet diep in het geheugen worden getast en dienen enkele jazzlexicons te worden geraadpleegd. Zo kunnen nog toegevoegd worden: de legendarische Lars Gullin, Serge Chaloff, Bob Gordon, Nick Brignola, Ronnie Cuber, Pepper Adams en Cecil Payne.

Ontegenzeggelijk speelt de bariton een niet te onderschatten rol in de saxsectie van de big bands. De klankkleur van die sectie wordt namelijk in het bijzonder bepaald door het donkere geluid van de baritonsax. Exemplarisch in dit verband is de sound van de sax-sectie van het toenmalige orkest van Duke Ellington, met zeer veel dank aan Harry Carney.

In 1986 publiceerde Fred van Doorn het boek 'Lost heroes' (de vergeten helden van de jazz, of die in perioden met toonaangevende collega’s hiertegen moesten opboksen), waarin een 12-tal musici werden geportretteerd die min of meer in de vergetelheid zijn geraakt, waaronder Tina Brooks, Tony Frusella, Frank Strozier en Webster Young. Wat mij betreft had hij er nog één aan die serie toe kunnen voegen: baritonsaxofonist, componist en beeldend kunstenaar Gil Mellé.

Midden jaren vijftig kwamen op zowel Blue Note als Prestige enkele platen van Gil Mellé uit, onder andere 'Patterns In Jazz' (Blue Note) en 'Primitive Modern'
(Prestige). Op cd is nu ook de voormalige Prestige-lp 'Gils’s Guests' uitgekomen. De opnamen dateren van augustus 1956. Het kwartet Gil Mellé, met gitarist Joe Cinderella, bassist Vinnie Burke en drummer Ed Thigpen, werd ten behoeve van die opnamen uitgebreid tot een drietal septetten met onder meer Art Farmer, Kenny Dorham, Hal McKusick en Zoot Sims. Op deze cd, geïnspireerd op Duke Ellingtons orkestraties en de klassieke muziek, klinken Gils composities - zeker voor die tijd - erg ingenieus en verfrissend. Er wordt op hoog niveau geïmproviseerd.

In tegenstelling tot het softe baritongeluid dat door zijn meeste generatiegenoten werd voortgebracht, bediende Mellé zich van een masculien, donker en gearticuleerd geluid. Het is daarom jammer dat zo'n uniek muzikant niet echt is doorgebroken. Hij heeft zich dan ook, na zijn vertrek naar Los Angeles, in het bijzonder bezig gehouden met het schrijven van muziek voor film en tv. Hij schreef muziek voor zo'n 125 films. Ook legde hij zich toe op de elektronische muziek en trad hij op met The Electronauts, de eerste all electronic jazzband, tijdens het Monterey Jazz Festival in 1967. Hij schreef symfonieën die werden uitgevoerd door symfonieorkesten uit Toronto, Londen en Nieuw Zeeland. Al die tijd verwaarloosde hij zijn beeldende-kunstactiviteiten niet. Hij ontwierp platenhoezen voor Miles Davis, Sonny Rollins, Thelonious Monk en voor zichzelf. Vanaf midden jaren '90 was hij uitsluitend werkzaam als beeldend kunstenaar en specialiseerde hij zich in de computer-art. Op 28 oktober 2004 overleed hij in Malibu, Californië.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 27 februari  2014 om 01:00 uur herhaald.

Ben Webster 16 februari  2014  in “All That’s Jazz”.

In ‘Het JazzProfiel’ dit keer de in 1909 in Kansas City geboren Benjamin Francis Webster.

Hij is één van de grote persoonlijkheden geweest op dit bij uitstek voor de jazz geschikte instrument: de tenorsaxofoon.

Dat hij echter ook lange periodes als een betrekkelijk obscure figuur heeft doorgebracht, is eerder te wijten aan zijn grillige en kwetsbare persoonlijkheid dan aan de kwaliteit van zijn spel. Ben Webster combineerde een bijtende, agressieve speeltrant in snelle stukken met een bijna kinderlijk tedere ontwapenende lyriek in langzame nummers, die zijn grote specialiteit werden.

 

Ben Webster speelde eerst in de bands van Bennie Moten, Benny Carter, Fletcher Henderson en Cab Calloway, voordat hij zelf één van de grote solisten werd in het toporkest dat Duke Ellington in het begin van de jaren veertig had.

Bekende features voor Ben Webster uit die periode 1940 – 1942 waren: ‘Our Love Is Here To Stay’, ‘Cotton Tail’, ‘Caravan’, ‘Blue Serge’, ‘Just a-Sittin’ And a-Rockin’ ‘, ‘Chelsea Bridge’ en ‘Perdido’.

 

Na een periode met eigen groepen en engagementen met orkesten als die van John Kirby, violist Stuff Smith en Henry Allen, keerde Ben Webster voor één seizoen terug bij Duke Ellington, namelijk in de periode 1948-1949.

Met tussenpozen zegde hij het rondreizen op, om rust te zoeken in het huis van zijn moeder in Californië. Daar liet hij zich ook af en toe zien voor een concert of een platenopname.

In 1953 maakte hij deel uit van de band van Count Basie, waarna heeft Ben Webster, door collega’s “Frog” genoemd, jarenlang deel uitgemaakt heeft van de door impresario Norman Granz samengestelde sterrenformatie: ‘Jazz At The Philharmonic’.

 

In het begin van de jaren zestig trok Ben Webster naar Europa als gevolg van de slechte werkomstandigheden in de V.S. en gefrustreerd door gevoelens van minderwaardigheid ten opzichte van generatiegenoten als Coleman Hawkins.

Van deze laatste zei hij altijd dat hij “nooit tegen hem had opgekund”.

Eerst woonde Ben Webster in Kopenhagen, waar hij vaak optrad met pianist Kenny Drew en contrabassist Niels Henning Ørsted Pedersen, vervolgens van 1966 tot 1970 in Amsterdam en ten slotte weer in de Deense hoofdstad.

 

Onvergetelijk zijn de duetten geworden met de toen ook in Amsterdam wonende Don Byas, begeleid door Nederlandse ritmesecties. Pianist Cees Slinger, die veel met Webster heeft opgetreden zei over hem: ‘Ben Webster was een zeer gecompliceerde en moeilijke man. Maar wie eenmaal zijn vertrouwen had, kon rekenen op een sterke band met hem. Ik geloof dat hij zich in Nederland min of meer veilig heeft gevoeld’. 

 

Overigens werd het leven van Ben Webster ook beheerst door overmatig drankgebruik.

Ook in Amsterdam was hij soms niet in staat om tijdens een concert met de nodige concentratie te werk te gaan. Een optreden in een Leids jazzcafé met pianist Irv Rochlin, contrabassist Henk Haverhoek en drummer Peter Ypma werd Ben Webster’s laatste.

In een Amsterdams ziekenhuis overleed Ben Webster in 1973 aan een hersentrombose.

De cineast Johan van der Keuken heeft in 1967 in opdracht van de VPRO een 32 minuten durende film van hem gemaakt met als titel: “Big Ben”.

Een uitgebreide documentaire van Channel Four laat als dramatisch hoogtepunt ook een eenmalige reünie met de Duke Ellington gelederen uit 1971 zien, 2 jaar voor zijn dood op 64 jarige leeftijd.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 20 februari  2014 om 01:00 uur herhaald.

Andrew Hill 9 februari  2014  in “All That’s Jazz”.

Andrew Hill werd op 30 juni 1931 geboren in Chicago. Als jong pianist werd hij door pianist Earl Hines opgemerkt. Jazzcomponist Bill Russo introduceerde Hill bij componist Paul Hindemith. Vanaf 1950 tot 1952 studeerde Andrew Hill bij deze moderne klassieke componist. Gedurende de jaren '50 speelde hij in rhythm & blues-groepen in en rondom Chicago. Eén van zijn vroegste plaatopnamen vond plaats met bassist Malachi Favors.

In 1961 vestigde Andrew Hill zich in New York. Voor het label Blue Note maakte hij plaatopnamen onder eigen naam en als
sideman. Hoewel zijn albums geen grote verkoopsuccessen waren, werd zijn pianistisch en compositorisch talent door Blue Note-eigenaar Alfred Lion – terecht – op zijn waarde geschat; niet voor niets noemde hij hem "my last great protégé". Het gevolg was de uitgave van een tiental bijzondere albums, waaronder 'Black Fire', 'Smokestack', 'Judgement', 'Compulsion' en in het bijzonder 'Point Of Departure'. Op die platen spelen prominente musici mee als Joe Henderson, Roy Haynes, Bobby Hutcherson, Eric Dolphy, Kenny Dorham, Freddie Hubbard en John Gilmore.

Andrew Hill’s composities zijn origineel, hebben een enorme harmonieuze vrijheid en ritmische variëteit, zonder de bebop-roots te verloochenen. Als pianist werd hij vooral beïnvloed door Thelonious Monk. Zijn fraseringen zijn echter eleganter, melodieuzer en technischer dan die van Monk. Vooral Monk’s timing en spaarzame manier van spelen had Hill in zijn speelwijze verwerkt. Zijn melodieën zijn vaak van een donkere, beklemmende schoonheid.

Net als veel musici, manifesteerde Hill zich als leraar. In de jaren zeventig en tachtig gaf hij les op universiteiten en
high schools in Californië. Hij gaf concerten en maakte platen voor labels als Arista/Freedom en Black Saint/Soul Note. In 1989 was hij weer even terug bij Blue Note, met als resultaat de cd's 'Eternal Spirit' en 'But Not Farewell'. Midden jaren negentig keerde Hill weer terug naar New York. Met trompettist Ron Horton, rietblazers Marty Ehrlich en Greg Tardy, bassist Scott Colley en drummer Billy Drummond formeerde de pianist het Point Of Departure Sextet, waarmee hij op het Palmetto-label de plaat 'Dusk' maakte, door de jazzmagazines Down Beat en Jazz Times uitgeroepen tot het beste album in 2001. Daarna kwamen nog de albums 'A Beautiful Day' (met een big band), en een serie Blue Note-reïssues uit, waaronder 'Passing Ships' en 'Dance With Death'.

De cirkel werd rond toen Andrew Hill in 2005 voor de derde maal tekende voor Blue Note Records, 42 jaar na zijn debuut-lp voor datzelfde label. Zijn eerste release daar was het intrigerende en opnieuw alom gelauwerde 'Time Lines', dat hij opnam met een nieuw kwintet, met naast bassist John Hebert, drummer Eric McPherson en de net als Hill bij leven ietwat ondergewaarde trompettist Charles Tolliver. Het zou helaas zijn laatste plaatopname zijn. Hills laatste concert was op 29 maart 2007 in de Trinity Church in Manhattan.

Op 12 mei 2007 zou de pianist een eredoctoraat in muziek worden toegekend door het Berklee College of Music, maar op vrijdag 20 april 2007 overleed pianist Andrew Hill. In 2004 werd bij hem longkanker geconstateerd. Hij is 75 jaar geworden.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 13 februari  2014 om 01:00 uur herhaald.

Bart van Helsdingen 2 februari  2014  in “All That’s Jazz”.

In dit JazzProfiel ga ik dit keer aandacht besteden aan de succesvolle Nederlandse drummer, componist en percussionist Bart van Helsdingen, die op 13 maart 1959 in Hilversum werd geboren. Eigenlijk houdt van Helsdingen er niet van om steeds dezelfde standards te spelen en altijd drie tempo’s: langzaam, medium en snel te spelen. Zo van de hele avond 2 sets lang van: ‘ding-dingeding-ding-dingeding’. Met zijn groep Azilut met o.a. de Britse pianiste Julie Sassoon en de Duitse rietblazer Lothar Ohlmeier, dankt Bart van Helsdingen een bescheiden doorbraak als componist. Vooral omdat deze groep ‘heel prettig’ zonder bassist speelt. Bart van Helsdingen onderkent dat met de basspeler elk ensemble begint en eindigt. Maar spelen zonder bas kan ook heel ritmisch en harmonisch klinken.

Het uitgebrachte album van de groep Azilut, heeft overigens niet veel aandacht geoogst.Bart van Helsdingen noemt zich als componist het liefst ‘songwriter’. Bij een componist denkt hij b.v. aan Strawinsky, hij vindt eigenlijk dat hij zelf ‘deuntjes’ bedenkt, die hem in staat stellen om als uitvoerend musicus zich te beperken tot: spannende improvisaties en meeslepende melodieën, het liefst gespeeld in kleine bezettingen.

Bij Bart van Helsdingen hoeft de luisteraar nooit conventionele jazz te verwachten, ook geen ‘piep-piep-knor’. Er wordt in zijn groepen soms geïmproviseerd op basis van mooie thema’s, soms bijna sentimentele liedjes, dit is bijvoorbeeld goed te beluisteren op het Syrex-album, een werkelijk heel mooie plaat, vol verleidelijke melodieën. Omdat Bart van Helsdingen vaak optreedt voor ‘een ongeschoold publiek’, bijvoorbeeld met zijn solo-performances op middelbare scholen, zijn de gespeelde composities en drumsolo’s helder en inzichtelijk. Verschuivende patronen, begeleid door een duidelijke puls met zijn voeten vergemakkelijken het volgen van zijn spel.

Als klein jongetje stond Bart al gebiologeerd te luisteren wanneer de klokken op zondagochtend werden geluid. En dan het liefst in samenspraak met de klokken van een kerktoren iets verder weg. Hij vond dan op het eerste gehoor of het leek dat de klokken ieder voor zich een eigen tempo hadden. Toch viel er een regelmaat waar te nemen, zeker als de koster ook nog gevoel voor ritme bleek te hebben. In het spel van Bart van Helsdingen, wil hij bereiken, dat de in het algemeen moeilijk te volgen drumsolo’s door middel van duidelijke statements, met structuur en vorm als muziek in de oren klinkt.

Naast drumsolo’s speelt van Helsdingen ook stukken op de steelpan en kalimba. En dat alles met geraffineerde ver doorgevoerde technieken. Bart van Helsdingen is voor mij een werkelijke alleskunner. In het dagelijkse leven komt Bart over als een rustige, wat introverte, maar wel bevlogen man. Maar zoals een stotteraar in een prachtig gezang kan uitbarsten, zo barst Bart los wanneer hij achter zijn uitgebreide drumstel plaats neemt en voelt hij zich als een vis in het (muzikale) water..

Bart van Helsdingen heeft gestudeerd aan het Sweelinck Conservatorium en aan het Rotterdams Conservatorium en al tijdens zijn studie ontwikkelde hij zich tot een veel gevraagde drummer. Dit JazzProfiel biedt u als luisteraar de gelegenheid om kennis te maken met het bijzondere spel van deze geweldig veelzijdige muzikant: Bart van Helsdingen. Veel luisterplezier!

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 6 februari  2014 om 01:00 uur herhaald.

Gerard Kleijn 26 januari  2014  in “All That’s Jazz”.

In dit JazzProfiel ga ik dit keer aandacht besteden aan de succesvolle Nederlandse jazztrompettist Gerard Kleijn. Hij speelt in zeer uiteenlopende eigen groepen en maakte tot nu toe ongeveer acht, door pers en publiek, goed ontvangen albums als bandleider.

Op dit moment is Kleijn actief met het Clazz Ensemble, Wild Man Conspiracy en Bach Reflections.

Zijn groepen zijn graag geziene gast op zeer diverse podia in binnen- en buitenland.  Van het North Sea Jazz Festival tot het Concertgebouw in Amsterdam. Hiernaast speelde hij op festivals en podia in o.a. Syrië, België, Duitsland, Mexico, Frankrijk, VS en Italië. Gerard Kleijn bewerkte pianowerk van de Franse componist Erik Satie (Le Flirt de Satie, 2007) en Claude Debussy voor de Gerard Kleijn Group, J.S. Bach voor Bach Reflections (2013) en met het Clazz Ensemble combineert hij moderne gecomponeerde muziek met hedendaagse improvisatie (2007-Nu). 

Naast zijn eigen groepen is Gerard Kleijn is ook te beluisteren in diverse ensembles en big bands, waaronder de Konrad Koselleck Bigband, het StarkLinneman Quintet, Tobias Sudhoff Band (D) en de Holland Big Band. Gerard studeerde lichte muziek aan de conservatoria van Hilversum en Rotterdam. In 2004 studeerde hij in New York bij o.a. bij de trompettisten Laurie Frink en Scott Wendholt.

Gerard Kleijn is zelf docent op het lichte muziek inistituut ‘De Djam’ en op het Kunstencentrum ‘Fluxus’ in Zaandam. Hij was gastdocent aan onder andere de conservatoria van Rotterdam, Enschede, Damascus, Mexico-City en Alkmaar. Hiernaast is hij als artistiek en zakelijk leider sinds 2003 verbonden aan het muzikantencollectief Clazz Music. Ik denk te kunnen stellen dat het, sinds zijn vorige JazzProfiel in 2003, opnieuw terecht tijd is, om aan deze fantastische Nederlandse trompettist Gerard Kleijn in dit gehele JazzProfiel aandacht te besteden.When he was old enough, his summers were spent on tour with Billy May, Hal McIntyre and Ralph Marterie.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 30 januari  2014 om 01:00 uur herhaald.

 

 Jimmy Mulidore 19 januari  2014  in “All That’s Jazz”.

Dit keer ga ik de carrière en de muziek presenteren van de Amerikaanse musicus Jimmy Mulidore, die in Youngstown in Ohio werd geboren.

Jimmy startte al op de leeftijd van tien jaar oud met het bespelen van de saxofoon. Shortly thereafter, he added the classical clarinet, studying with one of the best teachers around, Albert Calderone.

 

Kort daarop volgde ook de klassieke klarinet, waarmee hij ging studeren bij een van de beste leraren in die tijd, namelijk bij klarinettist Albert Calderone. He spent his high school years frequenting the Cleveland jazz clubs soaking up the influences of such greats as James Moody, Miles Davis, Sonny Rollins and Clifford Brown.

 

In zijn jaren op de middelbare school bezocht Jimmy Mulidore vaak de jazzclubs in Cleveland om te genieten van diverse  jazzgrootheden, zoals van James Moody, Miles Davis, Sonny Rollins en Clifford Brown. When he was old enough, his summers were spent on tour with Billy May, Hal McIntyre and Ralph Marterie.

Toen hij oud genoeg was, werden Jimmy’s zomers doorgebracht door mee te reizen met  tournees van Billy May, Hal McIntyre en Ralph Marterie. At Ohio State University, he was chosen solo clarinetist for their orchestra.

 

Aan de Ohio State University ging Jimmy Mulidore studeren en in hun orkest werd hij gekozen om solo klarinet te komen spelen.Impatient with his progress at Ohio State, Jimmy took off for New York's Julliard School of Music where he studied theory and composition with Hall Overton. Ongeduldig met zijn vooruitgang aan de Ohio State, startte Jimmy een studie theorie en compositieleer op de beroemde Julliard School Of Music in New York, waar hij studeerde bij componist én pianist Hall Overton. While studying, he often sat in with Phil Wood's group at the Pink Elephant.

Tijdens zijn studie speelde Mulidore ook vaak mee met de groep van. Altist Phil Woods. In the late fif ties, Jimmy and bassist Scotty La Faro began a trip to Los Angeles that included a stop in Las Vegas.

 

Aan het einde van de jaren ’50, begon Jimmy samen met bassist Scott LaFaro een reis naar Los Angeles, waarin een stop in Las Vegas was opgenomen. It proved to be a turning point in Jimmy's life —he stayed on in Vegas while Scotty went on to LA Het bleek een keerpunt in Jimmy’s leven, want hij bleef hier in Vegas hangen, terwijl Scott LaFaro doorreisde naar Los Angeles.

De caJimmy's career blossomed in his new home. rrière van Jimmy Mulidore kwam in Las Vegas in een stroomversnelling.He worked with the Red Norvo Quintet; Carl Fontana's group; a band that included Sweets Edison, Leroy Vinegar and Jackie Wilson; and with Georgie Auld. Hij werkte daar met het Red Norvo Quintet, de groep van Carl Fontana, een band waarin ook saxofonist Harry 'Sweets' Edison, bassist Leroy Vinegar en zanger Jackie Wilson waren opgenomen en ook speelde Jimmy Mulidore samen met saxofonist Georgie Auld. He also lent his talents to some very special recordings — “Louie Bellson 'Live At The Thunderbird, ”Red Rodney's “Super Bop,” albums by Sinatra, Streisand and Nat King Cole and, the one of which he's most proud, a flute solo on Elvis Presley's “American Trilogy.” Hij leende ook zijn talenten aan een ​​aantal zeer speciale opnames: Louie Bellson’s ‘Live At The Thunderbird’, Red Rodney's ‘Super Bop’, albums van Frank Sinatra, Barbara Streisand en Nat King Cole.

 

Een opname waar hij het meest trots op is, is een fluitsolo op Elvis Presley's ‘American Trilogy'.Jimmy met Presley through Joe Guercio, then the Las Vegas Hilton's musical director. Jimmy Mulidore ontmoette Presley door Joe Guercio, de toenmalige muzikaal leider in het Las Vegas Hilton. Toen Guercio het Hilton verliet, werd Jimmy Mulidore gekozen om hem op te volgen als muzikaal directeur voor zowel het Hilton als voor en Flamingo Hotels. Through those years of conducting for such stars as Louis Armstrong, Ann Margaret, Gladys Knight and Olivia Newton-John, Jimmy kept in touch with his old friend Phil Woods.

Jimmy Mulidore kreeg hierdoor de gelegenheid om grote sterren zoals Louis Armstrong, Ann Margaret, Gladys Knight en Olivia Newton-John te contracteren,

 

Ook onderhield Mulidore nog steeds contact met zijn oude vriend Phil Woods.

In 1974 and '75, when Woods was based in LA, Jimmy commuted regularly from Las Vegas to study with him. In 1974 en '75, toen Phil Woods zich in Los Angeles verstigde, pendelde Jimmy Mulidore regelmatig van Las Vegas naar Los Angeles om hier samen met Woods te studeren.
Dit was ook de periode dat Jimmy Mullidore naast zijn So, while his first love is still the sax (alto and soprano), Jimmy's impeccable style comes through just as lovingly on the English horn, flute, clarinet and bassoon.eerste liefde, het in onberispelijk stijl bespelen van de alt en sopraansaxofoon, ook de Engelse hoorn, dwarsfluit, klarinet en fagot ging bespelen.His rainbow of talents is exciting displayed on this first solo album. Jimmy´s muzikale talenten zijn vastgelegd op een mooie serie albums die veelal onder eigen naam als leider zijn uitgebracht.

Now, get comfortable at your ringside table and, no matter what instrument he's playing, let JIMMY MULIDORE take the lead. Nu krijgen de Rick FM luisteraars in dit JazzProfiel de gelegenheid om ook kennis te nemen van de muzikale prestaties van deze inspirerende musicus, componist en arrangeur Jimmy Mulidore.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 23 januarii  2014 om 01:00 uur herhaald.

 

 Gene Harris 12 januari  2014  in “All That’s Jazz”.

Dit maal ga ik in dit JazzProfiel de muzikale carrière belichten van pianist Gene Harris, die op 1 september 1933 werd geboren in Benton Harbor (Michigan).

Hij is één van de meest plezierig klinkende jazzpianisten, o.a. door zijn soulvolle stijl van spelen. Ik ga voor dit JazzProfiel op willekeurige datumvolgorde door mijn platencollectie en zal dit uur vooral veel muziek draaien.

 

Met de behoorlijk sterke invloed van pianist Oscar Peterson en de bluesy invloed van Junior Mance was Gene Harris’ spel meteen al aansprekend en op hoog niveau.

 

Nog voor zijn, bekend geworden groep ‘The Three Sounds’, speelde Gene Harris van 1951 tot 1954 in een legerband en pas na zijn diensttijd vormde hij 2 jaar later deze groep ‘The Three Sounds’ met bassist Andy Simpkins en drummer Bill Dowdy.

Zij werden in 1970 vervangen door bassist Henry Franklin en drummer Carl Burnett.

 

Soulvol, bluesy, swingend, hard-bopping of funky, welke van deze typeringen beschrijft het beste het pianospel van Gene Harris?

Kom zelf tot een conclusie: allemaal, door te luisteren naar deze aflevering bij Radio Rick FM.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 16 januarii  2014 om 01:00 uur herhaald.

 The Jazz Orchestra Of The Concertgebouw 5 januari  2014  in “All That’s Jazz”.

In deze aflevering van het JazzProfiel, dit keer het Jazz Orchestra Of The Concertgebouw.

Dit schitterend klinkende orkest heeft haar basis, zoals haar naam al doet vermoeden, in het Amsterdamse Concertgebouw, waar het orkest jazzmuziek promoot via reguliere concert series. Als toonaangevend Nederlands orkest, worden er jaarlijks op z’n minst 45 concerten gegeven.

 

Het Jazz Orchestra Of The Concertgebouw bestaat uit 18 buitengewoon getalenteerde musici en het geheel staat vrijwel permanent onder leiding van dirigent Henk Meutgeert.

 

Geregeld treden nationale en internationale jazzgrootheden op bij dit schitterend klinkende orkest. Samenwerkingen hebben plaatsgevonden met: Chick Corea, Branford Marsalis, McCoy Tyner, Lew Tabackin. James Carter, Richard Galliano, Deborah Brown, Madeline Bell, Georgie Fame, George Duke, Benny Golson, Trijntje Oosterhuis, Lee Konitz, Roy Hargrove, Dennis Mackrel, Toots Thielemans, Ack van Rooyen, Rita Reys, Bert Joris, Joe Lovano, Joe Henderson, Han Bennink, Johnny Griffin, Misha Mengelberg en Dee Dee Bridgewater.

 

Het Jazz Orchestra Of The Concertgebouw is in 1996 opgericht als The New Concert Big Band, maar deze naam werd in 1999 veranderd in de huidige naam: The Jazz Orchestra Of The Concertgebouw en trekt jaarlijks tijdens de optredens meer dan 30.000 geïnteresseerde luisteraars.

Het orkest treedt niet alleen in Nederland volle zalen, maar heeft ook enorme successen behaald in de rest van Europa, Zuid-Amerika, Mexico, China en ook in Japan.

 

Het Jazz Orchestra Of The Concertgebouw initieert en participeert vaak in buitengewone projecten samen met andere ensembles en kunstvormen. Een voorbeeld is de verzorging van de filmmuziek in filmzalen voor de film ‘Ray’, een eerbetoon aan de grote Ray Charles.

Een ander mooi initiatief: het ‘All American Program’ samenwerkingsverband met The Singapore Symphony Orchestra, met muziek van George Gershwin en van Duke Ellington.

Andere co-producties waren een succesvol dubbel big band concert met de Duitse NDR big band en Ellington’s ‘Sacred Concerts’ met zangeres Jessye Norman.

 

Onder haar eigen JOC Records-label, werd in 2007 de eerste CD geproduceerd en in eigen beheer uitgebracht.

Met de thans uitgebrachte collectie, met o.a. de albums ‘Tribute To Ray Charles’, ‘Sunday Nights In Amsterdam’, ‘Silk Rush’, ‘Scribblin’, ‘Riffs ’N Rhythms en ‘Blues For The Date’ (die allemaal in dit JazzProfiel aan bod komen), boekt het ‘JOC’ veel succes en is al een keer een Edison Award gewonnen (‘Blues For The Date’ met pianist Peter Beets).

 

Het ‘JOC’ focust zich in eerste instantie op de Nederlandse jazz en op Nederlandse jazzmusici, al dan niet in de internationale ‘jazzscene’.

Een mooi moment lijkt ons dit keer bij Radio Rick FM, om de spotlights een uur lang op dit Jazz Orchestra Of The Concertgebouw te gaan richten, want dat hebben zij meer dan verdiend! Met hun geweldig mooie sound en hun brede en gevarieerde repertoire.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 9 januari  2014 om 01:00 uur herhaald.

Tete Montoliu   29 december 2013  in “All That’s Jazz”.

In deze nieuwe aflevering van het JazzProfiel, dit keer de Spaanse pianist Tete Montoliu, die op 28 maart 1933 blind in Barcelona werd geboren. Hij leerde vanaf zijn zevende levensjaar, via braille, muziek te lezen. Heel bijzonder dus om je op deze wijze te kunnen bekwamen.

 

Op diverse albums geeft Tete Montoliu magistrale eerbetoons aan de grote Thelonious Monk die duidelijk voor hem als een belangrijke inspirator gold.

Maar datzelfde geldt voor een andere grootheid uit de moderne jazzgeschiedenis, namelijk saxofonist John Coltrane.    

 

Naast diverse trioplaten heeft Montoliu ook veel soloplaten volgespeeld. Hij heeft tijdens zijn leven dan ook gewerkt aan een zeer grote discografie die vele tientallen platen omvat.

Maar naast solo- en trioplaten heeft Tete Montoliu in 1956 ook opnamen gemaakt met Lionel Hampton en in 1958, als 25 jarige, voor het eerst als leider van een eigen groep.

 

Duidelijk is op diverse albums te beluisteren dat Tete Montoliu ook beïnvloed is geweest door Duke Ellington, maar dat niet alleen, want hij heeft met velen uit de Amerikaanse jazzscene getoerd, o.a. in 1963 met Ronald Kirk en hij werkte ook samen met groten als: Kenny Dorham, Dexter Gordon, Ben Webster, Lucky Thompson en ook met Anthony Braxton.

 

Gelukkig zijn, door het redelijk frequent bezoeken en opnemen van albums in de Verenigde Staten nog veel platen van deze fantastische pianist verkrijgbaar, o.a. op de platenlabels SteepleChase vanaf 1971, Contemporary uit 1979 en ook op de labels Enja en Soul Note.

 

24 augustus 1997 overleed Tete Montoliu in zijn geboortestad Barcelona op 64 jarige leeftijd.

 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 2 januari  2014 om 01:00 uur herhaald.

 Jacques Pellarin 22 december 2013 in “All That’s Jazz”. 

De zéér aansprekend spelende accordeonist/bandoneonist Jacques Pellarin werd in 1962 in Chambéry in de Franse Savoie geboren.
Hij begon zijn muzikale studies op de Muziek Academie van zijn geboorteplaats Chambéry met als keuze-instrument de accordeon en ook aan de Hogere Muziekschool van Geneve. In 1983 wist Jacques Pellarin de eerste prijs te winnen als ‘concert performer’ in het Internationale Concours van Frankfurt. In 1987 behaalde Jacques het Diplome d’Etat professeur de musique en ontving van het ministerie een beurs om aan het Conservatorium van Bratislava te kunnen studeren en ontvangt datzelfde jaar zijn staatsdiploma om als leraar accordeon aan de slag te gaan op conservatoria.

Eigenlijk startte Jacques Pellarin in 1984, dus op 22 jarige leeftijd zijn professionele carrière als solist met klassieke en Russische muziekstijlen in concerten gegeven in Zwitserland en in het Franse departement Rhone-Alpes.

In 1985 ontmoette Jacques Pellarin de getalenteerde accordeonist J.L. Brunetti, waarmee hij het Baikal Duo vormde, dat tijdens hun reizen uitgenodigd werd om in diverse radio- en televisieshows op te treden en albums te laten registreren. Maar dit duo begon ook op te treden op diverse jazz-festivals, zoals dat van Parijs, Avignon, Rive de Giers en Chartres.
Ook heeft Pellarin opgetreden in Italië, Groot Brittanië, Zwitserland, België, Canada, Duitsland, Spanje, Nederland en Japan.
De CV van Jacques Pellarin laat meer dan 283 samenwerkingsverbanden met andere musici zien en dat is niet verwonderlijk als je naar zijn aanstekelijke en erg virtuoze spel luistert.

Jacques Pellarin heeft nu zo’n 30 jaar professionele ervaring en beschouwt de muziek van Bach, Mozart, Bartok, Kurt Weil, Astor Piazzolla, John Williams, Michel Petrucciani en Miles Davis tot zijn favoriete.
In zijn eigen spel zijn veel invloeden te bespeuren uit de valse musette, Latijns-Amerikaanse, zoals de samba, new tango en bossa’s. Maar ook treft u invloeden aan uit de Balkan-jazz, de Franse film, zelfs Jiddische en Kurt Weil-invloeden zal u niet missen.

De afgelopen jaren oogst Jacques Pellarin veel succes met zijn akoestische trio en legt zo een verbinding met zijn klassieke podiumervaring en met allerlei vormen van world-jazzmuziek.
Het akoestische trio, dat sinds 2010 is gevormd met de sopraan- en altsaxofoon + klarinet spelende Diego Fano en percussionist Yann Pajean, werd ook vaak aangevuld met bassist Bertrand Belly en gitarist Claude Noventa.

In 2006 verscheen het album ‘Sous D’Autres Jazzitudes’, in 2009 het cross-over world-jazz album ‘Sound Of Philadelphia’ en net is in 2010 het met veel lovende kritieken uitgebrachte album ‘Karenita’ verschenen.

De muziek van al deze Jacques Pellarin-albums zal uitgebreid in het JazzProfiel van hem en zijn medemuzikanten belicht worden en deed uw programmamaker bij de voorbereiding menigmaal glimlachen, maar ook slikken door het melancholieke sentiment.
Een buitengewoon bijzondere ervaring deze virtuoos overkomende muziek van deze enerverende musicus: Jacques Pellarin!
 

Deze uitzending wordt donderdagnacht 26 december  2013 om 01:00 uur herhaald.

 

Holland Bigband 15 december 2013 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer een JazzProfiel van de Holland Bigband. Dit is een 19-mans orkest van topklasse waar de energie van afspat.  Onder leiding van trompettist / arrangeur Loet van der Lee heeft de band sinds de oprichting in 2006 een markante reputatie opgebouwd bij zowel jazzliefhebbers als artiesten.

Met een traditionele bigbandbezetting bestrijkt Holland Bigband alle spectra van jazz, latin en aanverwante jazzstijlen. Veelzijdig en divers voor sfeervolle achtergrondmuziek, intieme cluboptredens, stijlvol verzorgde gala’s, spraakmakende bedrijfsfeesten, met keur aan vocalisten en solisten en speciale danssets voor stijldansers en popliefhebbers die een knalfeest willen.

Holland Bigband heeft een enorme drive om muzikale topprestaties neer te zetten en schittert in klankkleur en geraffineerde eigen composities die de grens van het traditionele bigbandgenre opzoeken, maar altijd smaakvol en pakkend blijven. Melodieus, lyrisch, energiek, groovend, swingend, stomend, eigentijds en altijd in voor iets nieuws.

Dankzij gedegen zakelijke leiding, eigen projecten en verrassende samenwerkingsverbanden zorgt Holland Bigband voor het eigen bestaan en biedt talentvolle musici een podium. Alle bandleden zijn professionals met actieve eigen carrières. Zij dragen met hun samenspel, hoogstaande solo’s en arrangementen bij aan de unieke sound van de Holland Bigband. Het resultaat is een regelrechte bigbandsensatie die publiek beweegt en solisten laat stralen.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 19 december  2013 om 01:00 uur herhaald.

 

Sonny Stitt  8 december 2013 in ‘All That’s Jazz’.

Sonny Stitt (1924-1982) was een Amerikaanse jazzsaxofonist uit de bebop periode. Met zijn meer dan honderd albums was hij één van de productiefste saxofonisten.

Sonny werd geboren in Boston (Massachusetts) op 2 februari 1924. Zijn eerste opnamen dateren uit 1945, met Stan Getz en Dizzy Gillespie. Hij deed ervaring op met het spelen in diverse swingbands, maar over het algemeen speelde hij voornamelijk in bebop groepen.

Sonny speelde van 1945 tot 1949 altsaxofoon in Billy Eckstine's bigband, naast toekomstige beboppioniers als Dexter Gordon en Gene Ammons. Vanaf dat moment begon hij met meer regelmaat ook de tenorsaxofoon te bespelen. Later speelde hij lange perioden met Gene Ammons en Bud Powell.

Toen Stitt de tenorsaxofoon opnam, leek het alsof hij hiermee tegen sommige kritieken wilde ingaan dat hij het jazz-genie Charlie Parker wilde nabootsten. Hij was niet de enige die zich aan de invloed van Parker wilde ontworstelen: toen altsaxofonist Gene Quill werd bekritiseerd door een jazzcriticus omdat zijn stijl te dicht zou aanleunen tegen die van Charlie Parker antwoordde hij vinnig: ‘You try imitating Charlie Parker!’ (Probeer het maar eens om te spelen als Charlie Parker!) Sonny begon dan ook een meer onderscheidend geluid op zijn tenor te ontwikkelen. Hij speelde met andere bopmuzikanten als Bud Powell en Eddie "Lockjaw" Davis, een tenorsaxofonist met een in vergelijking met Stitt veel ruwere toon.

Dit deed hij in de jaren '50 en ook nam hij een aantal albums op voor het Prestige Recordslabel, en andere albums voor Argo en Verve & Roost. Van het spel van Stitt wordt gezegd dat het op deze zeldzame albums op zijn hoogtepunt is. Sonny experimenteerde met Afro-Cubaanse jazz in de latere jaren '50, en de resultaten zijn te vinden op zijn opnamen voor Verve en Roost, waarop hij samenwerkte met Thad Jones en Chick Corea voor de Latijns-Amerikaanse versies van klassiekers als ‘Autumn Leaves’.

Stitt werkte kortstondig samen met Miles Davis in 1960 op het album ‘Live at Stockholm’, met als verdere bezetting Wynton Kelly en Jimmy Cobb. Miles ontsloeg Sonny echter vanwege zijn drankprobleem, en verving hem door een andere tenorsaxofonist: Hank Mobley.

Stitt bewees later in de jaren 60 eer aan een van zijn grote voorbeelden, Charlie Parker, op het album ‘Stitt Plays Bird’, waaraan ook Jim Hall op gitaar meewerkte. Sonny wilde zich gaan begeven in de soul jazz en nam daarom het later in 1964 het bejubelde album ‘Soul People’ met Brooker Ervin op. Sonny zou ook opnames maken met Duke Ellington en Paul Gonsalves in de jaren ‘60.

In de jaren zeventig vertraagde Stitt de productie van albums en in 1972 bracht hij opnieuw een klassieker uit: ‘Tune Up’, wat zijn beste album was en nog steeds is volgens veel jazzcritici. Zijn vurige en levendige solospel doet namelijk behoorlijk sterk denken aan zijn vroegere spel.

Volgens Stitt zelf zakte hij nooit af qua niveau. Hij deed mee aan ‘Giants of Jazz’ op enkele albums voor het Mercury label, en nam sessies op voor Cobblestone en andere labels. In 1982 werd Stitt getroffen door een hartaanval, en hij overleed op 22 juli van datzelfde jaar. Hoewel zijn spel eerst vrij heavy was, dankzij de inspiratie door Charlie Parker en Lester Young, ontwikkelde Stitt uiteindelijk toch zijn eigen stijl, enigszins beïnvloed door John Coltrane. Sonny was bijzonder effectief met blues en ballad stukken als ‘Skylark’.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 12 december  2013 om 01:00 uur herhaald.

 

Tadd Dameron  1 december 2013 in ‘All That’s Jazz’.

Hij werd als Tadley Ewing Dameron in 1917 in Cleveland (Ohio) geboren, onze hoofdpersoon in dit nieuwe JazzProfiel, Tadd Dameron, luidt zijn muzikantennaam.

Als componist, pianist en arrangeur is hij één van de consequentste vormgevers van het bebop-idioom geweest. Hij startte zijn carrière tijdens de swingperiode, door met de band van Zack Whyte en Blanche Calloway te gaan toeren en ook ging hij componeren voor Vido Musso in New York en leverde belangrijke bijdragende voor het Harlan Leonard’s Kansas City Orchestra.

 

Van groot belang voor de carrière van Tadd Dameron is zijn werk geweest voor de big band die trompettist Dizzy Gillespie in de tweede helft van de jaren veertig leidde met bijdragen van zangeres Sarah Vaughan. Ook heeft Dameron arrangementen geschreven voor de orkesten van Jimmie Lunceford, Count Basie en Billy Eckstine.

 

In zijn eigen groepen, waarmee hij als technisch redelijk ontwikkeld pianist in jazzclubs in New York optrad, hebben musici als de trompettisten Miles Davis en Fats Navarro, de altsaxofonisten Ernie Henry en Rudy Williams en de tenorsaxofonisten Allan Eager en Sonny Rollins gespeeld, dus niet de minste musici!

 

Als mede leidend lid van het Miles Davis Quintet, kwam Tadd Dameron in 1949 naar Parijs voor het Paris Jazz Festival. Hij bleef in de Franse hoofdstad, studeerde er muziek en werkte er als arrangeur. In Lonen schreef hij voor de orkesten van Ted Heath, Geraldo en Victor Lewis. Na deze periode keerde Tadd Dameron terug naar New York en schreef voor het laatste orkest dat o.l.v. Artie Shaw stond en speelde en arrangeerde in 1951 en 1952 voor de Rhythm and Bluesband van Bull Moose Jackson. In 1953 was Tadd Dameron de muzikale architect van een groep waarin zijn favoriete drummer Philly Joe Jones de hoofdrol speelde, naast blazers als trompettist Clifford Brown en tenorist Benny Golson.

 

Eén van Tadd Dameron’s bekendste composities is: ‘If You Could See Me Now’, dat o.a. door vibrafonist Milt Jackson met een grote bezetting op de plaat werd gezet.

Andere bekende composities zijn: ‘Good Bait’,’Our Delight’, ‘Hot House’ en ‘Lady Bird’.

Met tenorsaxofonist John Coltrane is Tadd Dameron als pianist te beluisteren op de LP ‘Mating Call’.  Wat was die man productief!

 

Ondanks de schitterende staaltjes van arrangeerwerk op zijn laatste plaat onder eigen naam: ‘The Magic Touch’ met o.a. trompettist Clark Terry, tenorsaxofonist Johnny Griffin, pianist Bill Evans, bassist Ron Carter en drummer Philly Joe Jones, is Tadd Dameron een m.i. ondergewaardeerde figuur gebleven, die bovendien door zijn verslaving aan hard drugs een obscuur leven leidde en zelfs van 1959 tot 1961 in de gevangenis verbleef.

Nadat hij uit deze gevangenschap werd ontslagen heeft Tadd Dameron de draad weer opgepakt en composities geschreven voor Sonny Stitt, Blue Mitchell, Milt Jackson en Benny Goodman niet te vergeten.

 

Drummer Philly Joe Jones heeft Dameron’s muzikale erfenis in ere gehouden met zijn negenmansgroep 'Dameronia', die Tadd Dameron’s werk zo authentiek mogelijk uitvoerde, in transcripties van Don Sickler.

 

Tadd Dameron stierf op 8 maart 1965 aan kanker in New York op slechts 48 jarige leeftijd. Maar gelukkig is zijn oeuvre van de Blue Note opnamen uit 1947 en 1948, zijn Capitol opnamen uit 1949 en zijn Prestge en Riverside platen uit 1953, 1956, 1958 en 1962 nu op CD, weer uitgebracht.  

Deze uitzending wordt donderdagnacht 5 december 2013 om 01:00 uur herhaald.

Javier Girotto  24 november 2013 in ‘All That’s Jazz’.

In 1965 werd in Cordoba in Argentinië, saxofonist Javier Edgardo Girotto geboren en hij is als Javier Girotto bekend geworden. Javier Girotto bespeelt voornamelijk de bariton- en sopraansaxofoon.

 

Javier Girotto die zijn domicilie op dit moment in Rome heeft, startte zijn muzikale opleiding op het provinciale conservatorium in zijn geboortestad Cordoba en vervolgde gedurende een periode van vijf jaar zijn klassiek georiënteerde opleiding op de fluit en de klassieke klarinet.

 

Na een hoop muzikale belevenissen in Argentinië, ging Javier Girotto op 19-jarige leeftijd in Buenos Aires een seminar volgen dat door het befaamde Berklee College Of Music uit Boston werd georganiseerd.

En via dit seminar werd Javier Girotto een plaats aangeboden op ditzelfde beroemde college waarop hij in 4 jaar cum laude wist af te studeren. Ook ging Javier zich hier beginnen toe te leggen op componeren en arrangeren. En deze kennis ging hij in praktijk beoefenen met musici als pianist Danilo Perez, saxofonist Georg Garzone, trombonist Hall Crook, drummer Bob Moses, trompettist Herb Pomeroy en andere lokale musici.

 

Op 25-jarige leeftijd reisde Javier Girotto voor het eerst naar Italië, het geboorteland van zijn grootouders, en hier besloot hij om zich permanent in Rome te gaan vestigen.

In Rome vormde hij in 1992 de groep ‘Tercer Mundo’ met o.a. drummer Horatio El Negro Hernandez. Ook vatte Javier het schrijven van muziek weer op en ging arrangeren voor de nieuwe groep: “Six Sax”, een formatie met twee saxofonisten, bas en drums

 

De mix van Javier Girotto’s Argentijnse wortels met de jazzmuziek was eigenlijk een natuurlijk proces voor Javier die vanuit deze basis arrangementen een originele muziek creëerde die zijn naam behoorlijk heeft doen vestigen in Italië en ver daarbuiten.

 

Op dit moment beleeft Javier Girotto triomfen, nadat hij zijn huidige vaste groep: “Aires Tango” vormde. Een kwartet helemaal samengesteld eigenlijk rondom zijn saxofoon, met Marco Siniscalco contrabas, Allessandro Gwis op piano en ook met drummer Michele Rabbia.

Deze uitzending wordt donderdagnacht 28 november 2013 om 01:00 uur herhaald.

Keith Jarrett  17 november 2013 in ‘All That’s Jazz’.

Dit keer heb ik het genoegen, om een JazzProfiel te presenteren van pianist Keith Jarrett, die in 1945 in Allentown Pennsylvania werd geboren.

Keith Jarrett heeft zich in de jaren zeventig ontwikkeld tot één van de grootste pianosolisten uit de naoorlogse periode in de jazz.

Hij speelt al vanaf zijn derde levensjaar piano. Van het vertolken van klassieke composities keurig van muziekblad gespeeld, ging de piepjonge Jarrett al gauw over op het neerzetten van eigen melodieën en ritmische figuren waarop hij probeerde te improviseren.

 

Na een studie van een jaar aan de Berklee School of Music in Boston, speelde Keith Jarrett in 1966 een paar maanden in ‘The Jazz Messengers’ van drummer Art Blakey, waarvan toen ook trompettist Chuck Mangione, tenorsaxofonist Frank Mitchell en bassist Reggie Johnson deel uitmaakten.

 

Vanaf 1967 maakte Keith Jarrett, als lid van het kwartet van tenorsaxofonist en fluitist Charles Lloyd, lange Europese tournees. Medemusici waren contrabassist Cecil McBee, later vervangen door Ron McClure en drummer Jack DeJohnette.

Keith Jarrett toonde zich in deze periode een briljante pianist vooral in het hard-bopidioom, met in de timing van de virtuoze rechterhand invloeden van o.m. Lennie Tristano, Paul Bley en Bill Evans. Zijn imponerende techniek stond in dienst van een onuitputtelijk lijkende rijkdom aan ideeën in de improvisaties, die chorus na chorus naar een climax stuwden.

Maar ook in langzamere stukken weet Keith Jarrett de juiste stemming te creëren.

 

Het aandeel van Keith Jarrett in de opkomende jazzrockgolf bestond uit een kortstondige verbintenis met Miles Davis in het begin van de jaren zeventig.

Met diezelfde Miles Davis is hij in 1970 o.m. te horen geweest op het roemruchte popfestival Wight.

In zijn eigen kwartet, waarmee hij terugkeerde naar de puur akoestische muziek, met modieuze verwijzingen naar de in de popmuziek toen heersende flowerpowerstroming, speelden tenorsaxofonist Dewey Redman, bassist Charlie Haden, drummer Paul Motion, gitarist Sam Brown en de percussionisten Guilherme Franco en Danny Johnson.

Lange passages vol breed uitgesponnen, enigszins mystiek aandoende klanken met fluiten, bellen en tamboerijnen, werden afgewisseld door gespierdere gedeeltes in het free jazzidioom, waarin Redman kon opvlammen.

 

Soloconcerten uit de jaren zeventig waren opgezet als recitals van een klassieke ‘pianoleeuw’, waarbij Keith Jarrett de liefde voor zijn instrument op een theatrale wijze beleed.

Zwaar aangezette hymnes, gospelklanken, wijsjes in de geest van folkmuziek, stijlfiguren uit de Europese pianoromantiek en vrije jazzimprovisaties vermengden zich in een onstuitbare stroom van klanken. De pianist richtte zijn blik tijdens dit intensieve, soms gênant aandoende scheppingsproces meermalen ten hemel, als zocht hij contact met het Hogere.

Hij zuchtte, neuriede mee, kreunde, stampvoette en verhief zich meermalen van zijn kruk.

 

Een aantal van de soloconcerten die Keith Jarrett in Duitsland, Zwitserland en Japan heeft gegeven zijn door het platenlabel ECM op lp’s vastgelegd, maar ook zijn meer jazzgetinte spel in een Europees kwartet met tenorsaxofonist Jan Garbarek, bassist Palle Danielson en drummer Jon Christensen.

Met een trio, waarin bassist Gary Peacock en drummer Jack DeJohnette, keerde Keith Jarrett in de jaren tachtig terug in het spoor van traditionele improvisaties op veel gespeelde standards als “All The Things You Are” en het nu volgende mooie nummer: “Autumn Leaves”.

Opnieuw kon hij daarin zijn uitzonderlijke pianistische niveau waarmaken.

Keith Jarrett, die van mening is dat hij op dit gebied alles ‘wel gezegd heeft wat er te zeggen valt’, nam in 1988 ‘Das Wohltemperierte Klavier’ van Johan Sebastian Bach op.

Als ‘klassiek pianist’ gaf hij soloconcerten met werken van Purcell, overigens nu op klavecimbel en ook van Mozart, Bartok en Hindemith.

Niet